← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:2983

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13.061617.21 Datum uitspraak: 11 juni 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1993, wonende aan de [adres] in België, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei

  1. Verdachte en zijn raadsman, mr. M.J.C. Verlaan, waren daarbij aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.R. van Kregten en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. 2De tenlastelegging Verdachte wordt beschuldigd van het medeplegen van witwassen van 850.980,- euro op 4 maart 2021, te Amsterdam en/of Duivendrecht; De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3Inleiding Op 4 maart 2021 ontving de politie informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) uit een ander opsporingsonderzoek. In het afschermproces-verbaal van het TCI staat vermeld dat de bestuurder van het voertuig met een Belgisch kenteken 1-VBJ-904 een groot geldbedrag heeft opgehaald vanaf een adres gelegen op de Oostelijke eilanden te Amsterdam. Een observatieteam van de politie heeft deze auto op de snelweg A10 opgemerkt, gevolgd en uiteindelijk tot stoppen gedwongen toen de auto het terrein van het Total tankstation te Duivendrecht op reed. In de auto zaten twee personen: [medeverdachte] en [verdachte] . [medeverdachte] was de bestuurder. [verdachte] is de kentekenhouder van de auto. Op de achterbank van de auto zijn een rugtas en twee plastic Jumbo tassen aangetroffen met daarin een contant geldbedrag van in totaal 850.980,- euro. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist van de (inhoud van) de tassen. De rechtbank moet beoordelen of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van dit geldbedrag. 4De beoordeling 4.
  2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. De verklaring van [medeverdachte] dat [verdachte] van niks wist is een weinig concrete verklaring en niet aannemelijk. [verdachte] heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de rechter-commissaris verklaarde hij dat hij op de bijrijdersstoel in slaap is gevallen, wakker werd van sirenes op de snelweg en niets wist over de aangetroffen tassen. Deze verklaring komt op onderdelen niet overeen met de verklaring van [medeverdachte] en is niet verifieerbaar. Bovendien is niet aannemelijk dat [verdachte] de hele tijd heeft geslapen, terwijl de auto is gestopt op de Oostelijke eilanden, de autodeuren open zijn geweest en de auto vervolgens weer is gaan rijden. Daarom is wetenschap van de tassen van [verdachte] te bewijzen. [verdachte] is meegegaan om de tassen op te halen. Er is gebruik gemaakt van de auto van [verdachte] . Deze gedragingen vormen een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het witwassen van geld. 4.
  3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De doorzoeking was namelijk onrechtmatig en om die reden dient het aangetroffen geldbedrag te worden uitgesloten van het bewijs. Bovendien geldt dat verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van de tassen met geld in de auto en er is geen sprake van medeplegen. Dit wordt bevestigd door de medeverdachte die heeft verklaard dat verdachte van niks wist. 4.
  4. Het oordeel van de rechtbank: vrijspraak De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen. In de auto waarin [medeverdachte] en [verdachte] zich op 4 maart 2021 bevonden is 850.980,- euro aangetroffen. [medeverdachte] was de bestuurder van deze auto. Hij heeft verklaard dat hij een afspraak had gemaakt met een voor hem onbekende persoon, in de auto van [verdachte] naar de Oostelijke eilanden is gereden en daar de tassen door die hem onbekende persoon op de achterbank heeft laten leggen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij dacht dat hij wiet zou vervoeren en dat hij daar € 200,- voor zou krijgen. Hij heeft voorts verklaard dat [verdachte] van dit alles niet op de hoogte was. [verdachte] heeft zelf ook verklaard dat hij niets wist van de tassen met geld in de auto. Hij heeft verteld dat hij vrijwel direct nadat [medeverdachte] was ingestapt, in een diepe slaap is gevallen en niet heeft gemerkt dat de auto naar Amsterdam reed. De verklaringen van verdachten dat zij op weg waren naar België om daar het weekend door te brengen, wordt in enige mate bevestigd door het feit dat in de auto ook een rugtas lag met persoonlijke eigendommen zoals kleding en verzorgingsproducten van [medeverdachte] . De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat [verdachte] wetenschap had van het geld in de tassen en dat hij opzet had op witwassen, ook niet in voorwaardelijke zin. Het is immers [medeverdachte] geweest die de tassen in Amsterdam heeft opgehaald en in Duivendrecht zou afleveren. In het dossier is geen bewijs voorhanden dat [verdachte] wist van de tassen op de achterbank, laat staan van de inhoud daarvan. Hij zegt zelf dat hij niet heeft meekregen dat de tassen op de achterbank werden gezet. Dat de verklaringen van beide verdachten op onderdelen niet volledig overeenkomen, roept vragen op en is verdacht, maar dit is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verklaring van [verdachte] niet klopt. Te meer omdat ook [medeverdachte] heeft benadrukt dat hij op eigen houtje heeft gehandeld en dat [verdachte] daar niets mee te maken heeft. Het dossier bevat ook geen andere informatie waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [verdachte] reden had om te denken dat [medeverdachte] iets illegaals deed. Er was dus voor [verdachte] ook geen reden om de inhoud van de tassen op de achterbank te controleren. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken. 5De beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank heft op het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis Dit vonnis is gewezen door mr. M. Smit, voorzitter, mrs. J.M. Jongkind en J. van Zijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.