← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:3009

RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/314500-20 VI-zaaknummer: 99/000314-58 (vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling) Datum uitspraak: 16 juni 2021 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het [naam] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 maart 2021 en 2 juni

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.R. Zetsma, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 11 december 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, te omstreeks 04.25 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (gevestigd aan de PC Hooftstraat, perceelnummer 105) heeft weggenomen 17, althans één of meer jas(sen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf Moose Knuckles (gevestigd aan de PC Hooftstraat, perceelnummer 105), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door een (toegangs)deur (van dat winkelbedrijf) te verbreken en/of te forceren, althans door middel van braak op en/verbreking van dat winkelbedrijf. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 11 december 2020 te Amsterdam omstreeks 04.25 uur, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand, gevestigd aan de PC Hooftstraat, perceelnummer 105, heeft weggenomen 17 jassen, toebehorende aan het winkelbedrijf Moose Knuckles, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door een toegangsdeur van dat winkelbedrijf te verbreken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd aan de deels voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden en een reclasseringstoezicht te verbinden, zoals door de reclassering geadviseerd in het reclasseringsadvies van 9 maart 2021, met uitzondering van het contactverbod. Volgens mededeling van de officier van justitie is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing vanwege een veroordeling tot een geldboete van 200 euro (de rechtbank begrijpt in de zaak met parketnummer 13/067959-21). 8.2 Het strafmaatverweer van de verdediging De raadsman van verdachte heeft bij pleidooi verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft openheid van zaken gegeven. Ook is er geen sprake geweest van een bijzondere professionaliteit in de uitvoering van het feit. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten en om rekening te houden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman van verdachte heeft verzocht geen geheel onvoorwaardelijke, maar een deels voorwaardelijke straf op te leggen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich midden in de nacht, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een brute ramkraak op een winkel van Moose Knuckles. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor andermans eigendom. Dergelijke ramkraken leveren grote schade op aan de winkelpanden. De weggenomen goederen vertegenwoordigden een hoge waarde. Bovendien leidt het plegen van dergelijke feiten tot sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de omwonenden in het bijzonder. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf passend en geboden. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2021 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, ook voor vermogensdelicten. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het omtrent verdachte opgestelde advies van Reclassering Nederland van 9 maart 2021, in het bijzonder de daarin voorgestelde interventies. Hoewel het een ernstig feit betreft, waar fors op dient te worden gereageerd, acht de rechtbank het ook van groot belang dat verdachte na het uitzitten van zijn straf begeleid zal worden door de reclassering in het kader van de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd. De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Zij overweegt daartoe het volgende. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn strafeis rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. De rechtbank houdt echter rekening met de LOVS-oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten ten aanzien van een ramkraak wijken in forse mate af van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. In het geweld waarmee de kraak gepaard is gegaan, alsmede het tijdstip waarop het feit is gepleegd en de impact die een en ander daardoor bij de omwonenden heeft gehad ziet de rechtbank wel aanleiding een hogere straf op te leggen dan het uitgangspunt van de LOVS. Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling Bij onherroepelijk geworden vonnis van het in Duitsland gevestigde Landgericht Köln van 9 juli 2018, hier bekend onder parketnummer 13/236828-19, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1215 dagen. Verdachte is bij besluit van 3 februari 2020 op grond van artikel 6:2:10 Sv voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt (artikel 6:2:11 lid 1 onder a Sv). Bij de stukken bevindt zich de op 11 januari 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/314500-20, met v.i.-zaaknummer 99/000314-
  2. De vordering van de officier van justitie strekt tot het herroepen van de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 2 juni 2021 de vordering aangepast en gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een gedeelte van tweehonderd dagen toe te wijzen aangezien verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden. De verdediging heeft verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe te wijzen, voor een kortere periode dan de officier van justitie heeft gevorderd. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat verdachte in Duitsland is veroordeeld, waar voor de feiten waarvoor verdachte is veroordeeld – een plofkraak en wapenbezit - doorgaans hogere straffen dan in Nederland worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht om daarmee rekening te houden. Zoals naar voren is gekomen in dit vonnis, is gebleken dat verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde strafbare feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk moet worden ondergaan. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 4 (vier maanden) niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft. Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde: - zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; - actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheidstraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; - meewerkt aan een aanmelding en verblijf in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Wijst toe de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 405 (vierhonderd en vijf) dagen, voor een gedeelte van 200 (tweehonderd) dagen alsnog wordt ondergaan. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Djebali, voorzitter,mrs. C.M. Berkhout en S.F. van Merwijk, rechters,in tegenwoordigheid van M. Utlu, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.