ECLI:NL:RBAMS:2021:3100
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 9022865 CV EXPL 21-2373 vonnis van: 15 juni 2021 fno.: 364 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiseres] wonende te [woonplaats 1] eiseres, nader te noemen: [eiseres] gemachtigde: mr. M.J. Sarfaty t e g e n 1. [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats 2] gedaagden, nader te noemen: [gedaagden] gemachtigde: M.P.L. Schaink.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE Het dossier bestaat uit de navolgende stukken en proceshandelingen: de dagvaarding van 2 februari 2021, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het instructievonnis van 30 maart 2021, waarbij een comparitie is bepaald; de dagbepaling mondelinge behandeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2021, waar [eiseres] is verschenen, vergezeld van [naam] en van haar gemachtigde. Verder zijn gedaagden verschenen, vergezeld van hun zoon en hun gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [eiseres] aan de hand van een pleitnota, en vragen van de kantonrechter beantwoord. [gedaagden] hebben een verklaring voorgelezen en overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten en uitgangspunten 1.1. [gedaagden] huren sinds juni 2006 de woning aan de [adres] . Het betreft geliberaliseerde woonruimte en de laatst geldende huurprijs bedraag € 1.185,82 per maand.
1.2.
In artikel 3 van de huurovereenkomst is bepaald:(..)2. Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte betreft met een geliberaliseerde huurprijs, is het in lid 1 gestelde niet van toepassing. In dat geval:- wordt de huurprijs jaarlijks, voor het eerst per 1 juli 2007 aangepast overeenkomstig het gestelde in lid 3;- is zowel huurder als verhuurder bevoegd telkenmale na een periode van tenminste vijf huurjaren, waarbinnen zich geen andere huurprijsaanpassingen hebben voorgedaan dan die als omschreven in lid 3, herziening van de huurprijs te verlangen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen in de markt, zulks met inachtneming van lid 4.(..)4. Indien een partij op grond van lid 2 de bevoegdheid heeft om aanpassing van de huurprijs te verlangen in verband met de ontwikkelingen in de markt, stelt hij de andere partij daarvan schriftelijk in kennis uiterlijk zes maanden voor de datum waarop de herziene huurprijs zal moeten ingaan. Wanneer partijen binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving als bovenbedoeld niet tot overeenstemming zijn gekomen, heeft ieder der partijen het recht om de huurovereenkomst op te zeggen met inachtneming van het daaromtrent bepaalde in de wet en de huurovereenkomst.
1.3. [eiseres] is op 6 april 2020 eigenaar geworden van het gehuurde. De huurprijs is elk jaar en ook per 1 juli 2019 geïndexeerd.
1.4.
Bij brief van 25 mei 2020 is [gedaagden] bericht dat de huurprijs per 1 juli 2020 wordt verhoogd met het prijsindexcijfer naar € 1.217,- per maand. [gedaagden] hebben de nieuwe huurprijs vanaf 1 juli 2020 betaald.
1.5.
Op 29 mei 2020 heeft [naam] , makelaar, het gehuurde in opdracht van [eiseres] bezocht in verband met het opmaken van een rapportage ten behoeve van een herziening van de huurprijs. Deze rapportage is op 30 juni 2020 opgemaakt, waarbij [naam] kwam tot een huurwaarde van € 2.100,- per maand.
1.6.
Bij brief van 30 juni 2020 heeft [naam] namens [eiseres] voorgesteld de huurprijs in drie treden per 1 januari 2022 te verhogen tot € 2.100,- per maand en daarna per 1 juli 2022 te indexeren.
1.7. [naam] heeft haar rapportage op 5 augustus 2020 aan [gedaagden] gestuurd en bij e-mail van 18 september 2020 heeft zij een overzicht van vergelijkbare objecten als het gehuurde die recent verhuurd waren, aan [gedaagden] gestuurd.
1.8. [gedaagden] hebben niet ingestemd met de nieuwe huurprijs en voorgesteld de huurprijs te verhogen naar € 1.400,-.
1.9.
Bij brief van 15 oktober 2020 heeft [eiseres] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 mei 2021. In de brief is tevens meegedeeld dat de indexering van de huurprijs per 1 juli 2020 zou worden teruggedraaid, waarbij [eiseres] zich het recht voorbehield om, wanneer het redelijk aanbod niet werd geaccepteerd en de kantonrechter het aanbod niet als redelijk zou aanmerken, de huurprijs alsnog met terugwerkende kracht per 1 juli 2020 te indexeren.
1.10.
Bij e-mail van 29 januari 2021 is bevestigd dat de huurprijsindexering administratief was teruggedraaid en dat het teveel betaalde zou worden teruggestort.
Het geschil 2. [eiseres] vordert – samengevat – dat de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen per 1 juli 2021 beëindigt, althans het tijdstip bepaalt dat deze zal eindigen, met veroordeling van [gedaagden] om het gehuurde te ontruimen en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
Beoordeling 5. [gedaagden] heeft ten eerste betoogd dat zij niet op de hoogte waren van artikel 3 van de huurovereenkomst waarin is bepaald dat beide partijen de bevoegdheid hebben om, onder voorwaarden, herziening van de huurprijs te verlangen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen in de markt. Het beding is echter duidelijk en leesbaar in de tekst van de huurovereenkomst opgenomen, in hetzelfde lettertype en in dezelfde lettergrootte als de rest van de tekst, zodat niet valt in te zien dat [gedaagden] dit beding over het hoofd hebben gezien. Dat hiervan sprake is, is in ieder geval onvoldoende toegelicht, zodat ervan uit wordt gegaan dat het beding van toepassing is. Daarbij komt dat [eiseres] (in ieder geval ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst) ook op grond van de wet een redelijk aanbod kon doen tot aanpassing van de huurprijs, op grond van artikel 7:274 BW.
Dit wetsvoorstel heeft daarom als doel huurders te beschermen tegen hoge huurstijgingen. Die bescherming krijgt gestalte middels een maximering van de jaarlijkse toegestane huurverhoging voor huurders met geliberaliseerde huurovereenkomsten. De Minister heeft een dergelijk wetsvoorstel inmiddels aangekondigd in reactie op de aangenomen motie Nijboer (Kamerstuknummer 35 300 VII, nr. 80). Uitwerking laat echter op zich wachten, terwijl op dit moment woningnood heerst en huren fors worden verhoogd.
De wet is dus nu nodig en kan niet op zich laten wachten.” [vet: kantonrechter] 15. Daarnaast blijkt uit de Toelichting onderdeel C bij de Nota van Wijziging (NvW, TK 2020-2021, 35 488, nr. 9 p. 8): “(…)De wens om huurprijsstijgingen te maximeren en zo de huurder te beschermen wordt breed gedragen. Die wens weegt in dit geval zwaarder dan het bezwaar dat partijen en dan vooral verhuurders hier niet op hebben kunnen anticiperen. In zekere zin zou dat anticiperen ongewenste gevolgen hebben, de verhuurders zouden dan in ieder geval met nieuwe huurders nog snel nieuwe huurovereenkomsten kunnen aangaan met hoge indexeringsclausules om zo de werking van de voorgestelde maximering te ontlopen.
Op deze bepaling geldt een uitzondering voor bedingen tot verhoging van de huurprijs die verband houden met verbeteringen of verduurzaming die zijn overeengekomen tussen verhuurder en huurder voor de inwerkingtreding van de voorgestelde Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten. Die verbeteringen zijn in het belang van zowel de verhuurder als de huurder en voorts door partijen overeengekomen.
Dit is daarmee anders dan verhoging van de huurprijs, die zelfs als de huurder daarmee heeft ingestemd, alleen de verhuurder ten goede komt .” [vet: kantonrechter].
BESLISSING De kantonrechter: wijst de vorderingen af; bepaalt dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021 in tegenwoordigheid van mr. T.C. van Andel, griffier.