RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751694-20 RK nummer: 20/3952 Datum uitspraak: 18 juni 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 april 2020 door the Judicial Court of the District of Madeira (Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Kaapverdië) op [geboortedag] 1967, verblijvende op het adres: [adres] , uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht en door een tolk in de Portugese taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of – kort gezegd – het EAB betrekking heeft op vervolging of op executie en, in het geval het EAB betrekking heeft op vervolging, nogmaals te vragen om een terugkeergarantie. De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 4 juni 2021 in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing op 16 oktober 2020 bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht en door een tolk in de Portugese taal. Beslistermijn en vrijheidsbeneming Op 1 april 2021 is de Wet van 3 maart 2021 tot herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet) (hierna: Herimplementatiewet) in werking getreden. De Herimplementatiewet kent een nieuwe regeling voor de beslistermijn. Deze regeling houdt in dat wanneer de rechtbank binnen 90 dagen nog geen uitspraak heeft kunnen doen op het verzoek tot overlevering, zij de beslistermijn enkel nog (telkens) kan verlengen indien zij in afwachting is van een uitspraak van het Hof van Justitie over prejudiciële vragen (artikel 22, vierde lid, OLW) of indien er een onderzoek is ingesteld naar een (mogelijk) reëel gevaar van een schending van de grondrechten zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW (artikel 22, vijfde en zesde lid, OLW). De Herimplementatiewet bevat geen overgangsregeling en heeft onmiddellijke werking. Als gevolg daarvan zijn ook de nieuwe leden 4-6 van artikel 22 OLW van toepassing “op nieuwe situaties en op het moment van inwerkingtreding bestaande situaties”. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat onder “op het moment van inwerkingtreding bestaande situaties” niet zijn begrepen gevallen waarin vóór de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet de beslistermijn al voor onbepaalde tijd was verlengd op grond van het kaderbesluitconforme uitgelegde oude lid 4 van die bepaling. In de onderhavige zaak is de beslistermijn van 90 dagen verstreken en heeft de rechtbank de beslistermijn niet voor onbepaalde tijd verlengd vóór de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag bestaat voor vrijheidsbeneming op grond van een bevel tot gevangenneming. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Kaapverdische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een order of 28 November 2016 for the purpose of a judicial interrogation of a defendant held for the application of coercive measures. In Form A staat dat deze order is uitgevaardigd door het Tribunal Judicial da Comarca da Madeira. De raadsman heeft aangevoerd dat het, ondanks de aanvullende informatie, nog steeds onduidelijk is of de overlevering wordt gevraagd ten behoeve van vervolging of ten behoeve van executie en, als het een executie betreft, of deze ook ziet op het in het EAB genoemde feit. De Portugese autoriteiten hebben voldoende tijd gehad om deze onduidelijkheid op te helderen en de officier van justitie moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair moet het overleveringsverzoek worden afgewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het een overleveringsverzoek ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf betreft. In de aanvullende informatie van 23 november 2016 en 9 april 2021 staat dat de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en dat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank leest, gelet op voornoemde aanvullende informatie, het EAB zo dat de overlevering wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij een gevangenisstraf van zes jaar is opgelegd voor het feit dat in het EAB is omschreven. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Dit feit is omschreven in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.