← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:3416

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 20/4062 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Stichting] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. S.K. Schreurs), en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. M.S. van Zaane). Partijen worden hierna aangeduid als [Stichting] en het Uwv. Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2020 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan [Stichting] medegedeeld dat [de persoon] (hierna: ex-werkneemster) recht heeft op een Ziektewetuitkering welke uitkering per 3 augustus 2019 zal worden uitbetaald. Bij besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [Stichting] ongegrond verklaard. [Stichting] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, besloten dat kennisneming van medische stukken in dit geding is voorbehouden aan een gemachtigde van [Stichting] die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. Op 27 oktober 2020 heeft de rechtbank de bedoelde bijzondere toestemming verleend aan de gemachtigde van [Stichting] . Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2021 via een videoverbinding. [Stichting] en het Uwv hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Inleiding

  1. [Stichting] is zogeheten ‘eigenrisicodrager’ in de zin van de Ziektewet. Dat betekent dat [Stichting] zelf het risico draagt van betaling van de Ziektewetuitkering aan werknemers die daar recht op hebben.
  2. Ex-werkneemster is met ingang van 1 augustus 2019 uit dienst getreden bij [Stichting] . Ex-werkneemster heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd, welke per 1 augustus 2019 aan haar is toegekend. Ex-werkneemster heeft zich daarna, op17 september 2019, per 1 augustus 2019 ziekgemeld bij het Uwv. Als gevolg van de ziekmelding is de WW-uitkering per 1 augustus 2019 ingetrokken. [Stichting] is door het Uwv in de gelegenheid gesteld de ziekmelding in behandeling te nemen. [Stichting] heeft echter aan het Uwv laten weten de ziekmelding niet nader te onderzoeken, aangezien zij van mening is dat de ziekmelding buiten het eigenrisicodragerschap valt. Het Uwv heeft daarop de ziekmelding zelf in behandeling genomen. Uit de rapportage van de verzekeringsarts van het Uwv van 4 februari 2020 volgt de conclusie dat de eerste dag waarop ex-werkneemster ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid valt op 1 augustus 2019 (eerste ziektedag).
  3. Het Uwv heeft de rapportage van de verzekeringsarts aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Uit die rapportage volgt dat de eerste ziektedag op 1 augustus 2019 valt. Op grond van artikel 46, eerste lid, van de Ziektewet, heeft een werknemer recht op een Ziektewetuitkering als hij binnen vier weken na afloop van zijn verzekering ziek wordt (de zogeheten ‘nawerking’). De ziekmelding van ex-werkneemster en de uitbetaling van een Ziektewetuitkering vallen daarom onder het eigenrisicodragerschap van [Stichting] . Het standpunt van [Stichting]
  4. [Stichting] voert aan dat de ziekmelding van ex-werkneemster niet binnen het eigenrisicodragerschap valt. De ziekmelding is namelijk bij het Uwv gedaan, en niet bij [Stichting] . Daarnaast is de ziekmelding vier weken ná de beëindiging van het dienstverband gedaan, waardoor deze buiten de termijn van nawerking valt. Ook was ex-werkneemster op grond van de WW verzekerd voor de Ziektewet, waardoor nawerking niet van toepassing is. [Stichting] voert vervolgens aan dat het Uwv de eerste ziektedag van ex-werkneemster ten onrechte op 1 augustus 2019 heeft vastgesteld. Er is namelijk sprake van een zogeheten ‘laattijdige ziekmelding’. In dat geval ligt het op de weg van het Uwv om te bewijzen dat ex-werkneemster eerder dan 17 september 2019 ziek is geworden, en dat heeft het Uwv in dit geval niet aannemelijk gemaakt. De verzekeringsarts concludeert weliswaar dat de eerste ziektedag 1 augustus 2019 is, maar [Stichting] vindt het onduidelijk en onvoldoende gemotiveerd waar deze conclusie uit volgt. De verzekeringsarts heeft onvoldoende onderzoek gedaan en geen aanvullende informatie bij een behandelaar opgevraagd. Het standpunt van het Uwv
  5. Het is voor nawerking niet van belang op welke datum de ziekmelding is gedaan, maar op welke datum ex-werkneemster ongeschikt werd tot het verrichten van haar arbeid. De eerste ziektedag, 1 augustus 2019, valt binnen de termijn van nawerking en daarom valt de ziekmelding binnen het eigenrisicodragerschap van [Stichting] . Dat de ziekmelding bij het Uwv is gedaan in plaats van bij [Stichting] doet daar niet aan af. Het Uwv was bevoegd de ziekmelding in behandeling te nemen, nu [Stichting] dat zelf niet naar behoren deed. Het Uwv stelt zich daarnaast op het standpunt dat terecht is aangenomen dat de eerste ziektedag op 1 augustus 2019 valt. Dat blijkt uit het Werkplan van 16 september 2019 waarin staat dat ex-werkneemster en haar behandelaar het Werkbedrijf van het Uwv hebben bezocht. Toen is namelijk afgesproken dat ex-werkneemster zich per 1 augustus 2019 ziek zou melden. Dat heeft zij de volgende dag ook gedaan. Volgens het Uwv blijkt uit de rapportage van de verzekeringsarts dat ex-werkneemster inderdaad per 1 augustus 2019 ongeschikt was voor het werk dat ze verrichtte voordat zij ziek werd. [Stichting] heeft bovendien geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tegenspreken dat 1 augustus 2019 de eerste ziektedag was. Het oordeel van de rechtbank
  6. De centrale vraag in deze procedure is: heeft het Uwv terecht aangenomen dat ex-werkneemster al op 1 augustus 2019 ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid? In dat geval valt de ziekmelding en de betaling van de Ziektewetuitkering als gevolg van nawerking onder het eigenrisicodragerschap van [Stichting] . Dat de ziekmelding bij het Uwv is gedaan in plaats van bij [Stichting] , de ziekmelding pas vier weken ná de beëindiging van het dienstverband gedaan is of dat ex-werkneemster eerst een WW-uitkering toegekend kreeg en deze later weer is ingetrokken, maakt dat niet anders.
  7. De rechtbank oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn die aannemelijk maken dat ex-werkneemster ziek was vóór zij zich ziekmeldde op 17 september
  8. De ziekmelding valt daarmee buiten de verantwoordelijkheid van [Stichting] als eigenrisicodrager. Ex-werkneemster is op 1 augustus 2019 uit dienst getreden bij [Stichting] in verband waarmee aan haar een WW-uitkering is toegekend. Zij heeft zich ziekgemeld op 17 september
  9. Uit het dossier blijkt dat ex-werkneemster zich op aanraden van de heer R. Kroese (werkcoach WW) heeft ziekgemeld per 1 augustus
  10. Ex-werkneemster is eerst op 3 februari 2020 gezien door een verzekeringsarts. Niet is gebleken dat deze verzekeringsarts nadere informatie heeft opgevraagd bij de behandelaars van ex-werkneemster. De verzekeringsarts heeft ex-werkneemster ongeschikt geacht voor haar arbeid als gevolg van haar beperkingen, maar in de rapportage van de verzekeringsarts zijn onvoldoende medisch objectiveerbare aanknopingspunten terug te vinden waarom de beperkingen met terugwerkende kracht moeten worden aangenomen. De eerste ziektedag is overgenomen zoals deze door ex-werkneemster zelf met terugwerkende kracht is opgegeven. Bovendien komt uit de rapportage van de verzekeringsarts naar voren dat de klachten van ex-werkneemster pas ná de beëindiging van het dienstverband zijn ontstaan. Ex-werkneemster heeft dat zelf ook benadrukt tijdens het onderzoek. Omdat het ontbreekt aan medisch objectiveerbare onderzoeksgegevens om aan te nemen dat ex-werkneemster eerder arbeidsongeschikt is geworden dan op de dag van haar ziekmelding, 17 september 2019, en deze datum ruim na afloop van de nawerkingstermijn is gelegen, kan de ziekmelding niet onder het eigenrisicodragerschap van de [Stichting] vallen. Conclusie
  11. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens een motiveringsgebrek en omdat het mank gaat aan een voldoende zorgvuldig onderzoek. De rechtbank ziet geen aanleiding om een zogeheten bestuurlijke lus toe te passen. Hoewel een motiveringsgebrek en een gebrek in het onderzoek naar hun aard te herstellen zijn, is het in dit geval – gezien de beschikbare stukken in het dossier – onvoldoende aannemelijk dat een herstel van de gebreken tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank acht hierbij vooral de tijd die verstreken is sinds de datum in geding van belang. Daardoor is het namelijk niet waarschijnlijk dat een nader onderzoek een ander licht zal werpen op de zaak. De rechtbank hecht eraan het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten en ziet in dat licht aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal daarom het primaire besluit herroepen.
  12. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv aan [Stichting] het door [Stichting] betaalde griffierecht vergoedt.
  13. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door [Stichting] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 354,- aan [Stichting] te vergoeden; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [Stichting] tot een bedrag van € 1.602,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Camps, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. WW: Werkloosheidswet. Artikel 46 van de Ziektewet.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.