vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/689029 / HA ZA 20-891 Vonnis van 7 juli 2021 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. M.E. Kingma te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] , gevestigd te [plaats] , gedaagden, advocaat mr. B.S. Friedberg te Amsterdam. Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd en gezamenlijk [gedaagden] 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 19 augustus 2020, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, het tussenvonnis van 10 februari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, het proces-verbaal van mondelinge behandeling, gehouden op 16 april 2021, en de daarin genoemde stukken, de akte met één productie van 12 mei 2021 van [gedaagden] , de antwoordakte van 26 mei 2021 van [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] en [gedaagde sub 1] hebben van 1987 tot en met 2017 als vennoten samengewerkt in de vennootschap onder firma [Vof] (hierna: de VOF). Deze onderneming exploiteerde een verhuisbedrijf en was gevestigd aan de [adres] . In deze bedrijfs- en kantoorruimte van de VOF waren ook kunstwerken opgeslagen. In elk geval een deel van deze kunstwerken behoorde toe aan de VOF. 2.2. Op 29 december 2017 is [eiser] uitgetreden als vennoot van de VOF. Zijn aandeel in de VOF heeft hij per voornoemde datum overgedragen aan zijn zoons [zoon 1] en [zoon 2] , die als vennoten tot de VOF zijn toegetreden. 2.3. Vervolgens is de VOF met ingang van 27 juni 2018 omgezet in de besloten vennootschap [gedaagde sub 2] . Daarbij is de volledige VOF ingebracht in die BV. Ook [gedaagde sub 2] is gevestigd op en maakt gebruik van de bedrijfs- en kantoorruimte aan de [adres] . 2.4. Vanaf augustus 2019 heeft [eiser] aan [gedaagde sub 1] gevraagd om een afspraak te maken, omdat [eiser] het wil hebben over de kunst die van hem is en over de kunst die van hen samen is. Deze verzoeken hebben niet geleid tot een gesprek tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] . 2.5. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 30 maart 2020 [gedaagde sub 1] gesommeerd om een aantal specifieke voorwerpen, hoofdzakelijk kunstwerken, die zich nog in het kantoor aan de [adres] bevinden aan [eiser] te overhandigen. Deze voorwerpen zijn volgens [eiser] zijn eigendom. Een vergelijkbare sommatie is op 29 april 2020 gedaan aan [gedaagde sub 2] . 2.6. De advocaat van [gedaagden] heeft laten weten dat zijn cliënten niet bereid zijn tot overhandiging van de gevraagde voorwerpen (met uitzondering van één item). Daarbij hebben [gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat de kunstcollectie van meet af aan onderdeel is geweest van de VOF. Zij hebben gesteld dat [eiser] met concrete bewijzen moet aantonen dat de werken uit het privévermogen van [eiser] zijn aangeschaft. 2.7. Nadere correspondentie en overleg heeft niet tot overeenstemming over de eigendomskwestie geleid. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] veroordeelt tot afgifte aan [eiser] van de in alinea 20 van de dagvaarding genoemde zaken, zulks op straffe van een dwangsom, en met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. 3.2. De 24 zaken waarvan [eiser] afgifte vordert, zoals vermeld in alinea 20 van de dagvaarding, zijn de volgende kunstwerken en andere voorwerpen (hierna gezamenlijk ook aangeduid als: de voorwerpen): Corneille, Kat met vogel, gedateerd 2002 Corneille, Vrouw met zon, no 136/200, gedateerd ’93 Corneille, Vrouw met wolven, no 109/200, gedateerd ’93 Corneille, album ‘Préhistoire Histaires’, no 20/50, 2000, complete set en teksten. Serie van 7 litho’s met de voorstelling van naakten en Afrikaanse figuren, elk gesigneerd en genummerd. 44 x 29 cm (inclusief lijst met museumglas) Corneille, vijf diverse zwart/wit litho’s, composities (plattegronden), elk no. 15/60, gesigneerd en ’63-’67. 63 x 44 cm (inclusief lijst met museumglas) Corneille, liggende vrouw, poes en rode vogel, litho, no 138/200, gesigneerd en ’99. 103 x 68 cm (inclusief lijst met museumglas) Corneille, cassette: Time Art, 1994, inhoudende: boek met zeefdruk en horloge, no. 736/750. Uitgave Jaski Art, Amsterdam Herman Brood, Mark 2, no. 116/200 Paul de Lussanet, gemengde techniek op papier, gedateerd ’94 Karel Appel, gezicht en vogel, litho, no 32/120, gesigneerd. 71 x 52 cm (inclusief lijst met museumglas) Karel Appel, beesten, litho, no 67/70, gesigneerd en ’77. 78 x 57 cm (inclusief lijst met museumglas) Arty Grimm, compositie (voor Nicole), litho, AP, gesigneerd en 2009, 80 x 60 cm (inclusief lijst) Naar Marc Chagall, figuur op haan, 34 x 27 cm (inclusief lijst) Pieter Donkersloot, grafiek, Oscar Wilde, no. 7/300, gedateerd ’96, 58 x 48 cm (inclusief lijst) Drie oude dolken Naar Kees van Dongen, Fietser met paraplu, olieverf op papier. 73 x 54 cm (inclusief lijst) Marcel Wanders, multiple lamp Rhonda, zwillinger, object met kralen Alexander Schabracq, Buddha met neon Twee stalen stoelen, rood en zwart Twee Aziatische kasten met laatjes Whiteboard met lijst, waarop trouwgasten van [eiser] iets hebben geschreven of getekend Zwart wit foto ‘Vrouw met Hoed’, van Ruud Reij Gokkast 3.3. Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat hij eigenaar is van de voorwerpen en dat hij deze in het verleden heeft opgeslagen op het kantoor van de VOF. Ter onderbouwing voert hij, samengevat, het volgende aan. [eiser] heeft de meeste voorwerpen tientallen jaren geleden aangekocht. Tot 2008 heeft de kunstcollectie van [eiser] in zijn woning gehangen. Toen hij zijn woning in 2008 ging verhuren, heeft hij een deel van zijn privécollectie overgebracht naar het kantoor van de VOF en deze stukken daar opgeslagen. Na 2008 heeft [eiser] nog een aantal werken gekocht en deze wegens ruimtegebrek in zijn woning eveneens op kantoor opgeslagen of opgehangen. [eiser] erkent dat niet alle van de 40 tot 50 kunstwerken die zich in het kantoor van de onderneming bevinden zijn eigendom zijn. De 24 zaken waarvan hij afgifte vordert, zijn echter uitsluitend zaken die zijn eigendom zijn, aldus [eiser] . Ter onderbouwing heeft [eiser] diverse stukken overgelegd, waaronder foto’s, verklaringen, een echtheidscertificaat en een taxatierapport. 3.4. [gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde. [gedaagden] betwisten dat [eiser] eigenaar is van de voorwerpen en voeren daartoe onder meer het volgende aan. De kunstwerken behoorden van meet af aan toe aan de VOF. De onderneming verhuisde ook kunstenaars en het was gebruikelijk dat deze hun verhuiskosten in kunst betaalden. Het vennootschapsaandeel van [eiser] in de VOF is door hem aan zijn zoons overgedragen. Thans is [gedaagde sub 2] eigenaar van de voorwerpen. Geen van de door [eiser] overgelegde verklaringen ziet op de onderhavige kunstcollectie en geen daarvan toont aan dat [eiser] eigenaar is van de voorwerpen. Uit financiële stukken van de VOF blijkt daarentegen dat diverse kunstvoorwerpen tot het vermogen van de VOF behoorden. De kunst die zich op het kantoor van de VOF bevond, was ook verzekerd door de VOF en de kunst is ten behoeve van die verzekering in 2011 en 2014 getaxeerd in opdracht van de VOF. Verder hebben [gedaagden] zich beroepen op rechtsverwerking. Door [eiser] is eerder niet gesteld dat hij eigenaar is en dat dat er nog iets af te wikkelen zou zijn geweest ten aanzien van de onderhavige kunst. Gezien het uittreden van [eiser] uit de VOF had dat wel voor de hand gelegen, want de kunst bevond zich toen ook al op het kantoor van de VOF, aldus [gedaagden] 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Op de zitting van 16 april 2021 hebben partijen overeenstemming bereikt over de afgifte door [gedaagden] aan [eiser] van de voorwerpen met nummers 12, 21 en 22 van de hiervoor onder 3.2 weergegeven lijst. Gelet op de bereikte overeenstemming zal de rechtbank over deze drie voorwerpen geen oordeel meer geven. 4.2. In de kern gaat het in deze procedure over de vraag wie eigenaar is van de (resterende) zaken waarvan [eiser] afgifte vordert. Rechtsverwerking 4.3. Meest verstrekkend hebben [gedaagden] zich erop beroepen dat [eiser] zijn rechten heeft verwerkt, omdat [eiser] tijde van diens uittreden uit de VOF geen aanspraak heeft gemaakt op de voorwerpen. 4.4. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Tijdsverloop kan wel als één van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574). 4.5. Aan [gedaagden] kan worden toegegeven dat het in beginsel voor de hand had gelegen dat [eiser] ten tijde van zijn uittreding uit de VOF of kort daarna al zijn persoonlijke eigendommen had meegenomen of er melding van had gemaakt dat zich nog voorwerpen van hem in het kantoor van de onderneming bevonden. De omstandigheid dat [eiser] dat toen niet heeft gedaan, is echter niet voldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Het enkele aanvankelijke stilzitten van [eiser] en het beperkte tijdsverloop tussen zijn uittreding en het moment dat hij aanspraak heeft gemaakt op de voorwerpen, rechtvaardigen niet dat [gedaagden] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat [eiser] zijn aanspraak niet meer geldend zou maken. Voor gerechtvaardigd vertrouwen zijn bijkomende omstandigheden nodig, zoals uitlatingen of verklaringen van [eiser] . Die zijn gesteld noch gebleken. Verder is niet gesteld of gebleken dat sprake van de situatie dat de positie van [gedaagden] thans onredelijk wordt verzwaard of benadeeld door de in deze procedure ingestelde vorderingen. 4.6. De op 15 augustus 2019 tussen [eiser] en diens beide zoons gesloten vaststellingsovereenkomsten, waarnaar [gedaagden] hebben verwezen, rechtvaardigt ook geen beroep op rechtsverwerking. De finale kwijting die zij elkaar in die overeenkomst hebben verleend, had immers geen betrekking op de voorwerpen waar het in deze procedure om gaat of de vraag wie rechthebbende van die voorwerpen is. 4.7. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep op rechtsverwerking verwerpt. Eigendom 4.8. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [eiser] , die zich op revindicatie ingevolge artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek (BW) beroept, om feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit het ontstaan van het door hem gestelde eigendomsrecht volgt. 4.9. Bij de vraag wie eigenaar is van de voorwerpen spelen onder meer de wettelijke bewijsvermoedens van de artikelen 3:109 en 3:119 BW een rol. Degene die een goed houdt, wordt op grond van artikel 3:109 BW vermoed dit voor zichzelf te houden. Artikel 3:107 BW bepaalt dat bezit het houden van een goed voor zichzelf is. De bezitter van een goed wordt op grond van artikel 3:119 BW vermoed rechthebbende te zijn. 4.10. Alle voorwerpen waarvan [eiser] afgifte vordert, bevinden zich in het kantoor van [gedaagde sub 2] aan de Archangelkade in Amsterdam. Daarmee worden de voorwerpen op dit moment door [gedaagde sub 2] gehouden in de zin van artikel 3:109 BW. Op grond van de wet wordt [gedaagde sub 2] daarom vermoed bezitter en eigenaar te zijn van de voorwerpen waarvan [eiser] afgifte vordert. Tegen dit vermoeden staat voor [eiser] tegenbewijs vrij. Dat tegenbewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd als [eiser] in voldoende mate aantoont dat hij op enig moment eigenaar is geworden van de voorwerpen en sindsdien eigenaar is gebleven. 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] er ten dele, dat wil zeggen ten aanzien van de voorwerpen waarvan hij stelt deze vóór 2008 te hebben gekocht en in 2008 te hebben overgebracht naar het kantoor van de VOF, in geslaagd het benodigde tegenbewijs te leveren. Het gaat dan om de voorwerpen met de nummers 1 tot en met 3, 8, 9 en 13 tot en met 16 van de lijst. 4.12. Ten aanzien van de voorwerpen waarvan [eiser] stelt dat hij deze ná 2008 heeft aangeschaft en meteen na aankoop op het kantoor van de VOF heeft opgeslagen, is [eiser] er naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog niet in geslaagd het benodigde tegenbewijs te leveren. Dit betreft de voorwerpen met de nummers 4 tot en met 7, 10, 11, 17 tot en met 20, 23 en 24 van de lijst. 4.13. De rechtbank licht haar oordeel hieronder toe. Over de voorwerpen met de nummers 1 tot en met 3, 8, 9 en 13 tot en met 16 4.14. [eiser] heeft gesteld dat hij deze kunstwerken lang geleden, in elk geval ver vóór 2008, heeft gekocht en dat deze voorwerpen tot 2008 jarenlang in zijn woning hebben gehangen. [gedaagde sub 2] hebben niet betwist dat deze kunstwerken tot 2008 jarenlang in de woning van [eiser] hebben gehangen. Dat in het bijzonder déze kunstwerken zich tot 2008 in de woning van [eiser] bevonden, wordt ook ondersteund door de door [eiser] overgelegde foto’s en de inhoud van het taxatierapport van 22 oktober 2002. Van het werk met nummer 8 heeft [eiser] ook nog een echtheidscertificaat uit 2003 overgelegd. 4.15. Aangezien [eiser] tot 2008 jarenlang de beschikking heeft gehad over deze kunstwerken wordt vermoed dat hij in elk geval tot dat moment de bezitter en eigenaar daarvan was. Met het overbrengen van deze werken in 2008 naar het kantoor van de VOF is daarin geen verandering gekomen. Niet in geschil is immers dat ten tijde van de VOF [eiser] en [gedaagde sub 1] met elkaars medeweten het kantoor van de onderneming ook gebruikten om privéspullen op te slaan. Mede gelet op deze praktijk moet ervan uit worden gegaan dat [eiser] ook vanaf 2008 eigenaar is gebleven en dat de VOF de kunstwerken voor [eiser] is gaan houden. 4.16. Tegenover het met stukken gestaafde standpunt van [eiser] over de voorwerpen die hij tot 2008 in zijn bezit had, hebben [gedaagden] hun standpunt dat de VOF eigenaar is van die stukken niet (voldoende) gemotiveerd. Zo hebben [gedaagden] niet duidelijk gemaakt wanneer en op welke wijze de VOF de eigendom van deze kunstwerken zou hebben verworven. De algemene stelling van [gedaagden] , dat de VOF de eigendom van een of meer kunstwerken heeft verkregen als betaling in natura van (een) klant(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.