RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751361-20 RK nummer: 21/2430 Datum uitspraak: 6 juli 2021 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 april 2020 door het Hof van Beroep Antwerpen (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 juni 2021. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en is niet verschenen. Zijn gemachtigde raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft namens de opgeëiste persoon het woord gevoerd. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar arrest, te weten het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, C.5 kamer van 18 september 2019 (referentienummer: 2016/PGA/3374, griffienummer: 888/2019). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 12 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 3309 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringsverzoek dient te worden aangehouden om nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende autoriteit over de aanwezigheid ter zitting van de opgeëiste persoon. Het feit dat de opgeëiste persoon op 11 oktober 2018 is gedagvaard en dat het vonnis pas elf maanden later is uitgesproken doet vermoeden dat er meer dan één zitting in België is geweest. Uit de informatie in het EAB dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een raadsman van zijn keuze, blijkt niet dat de opgeëiste persoon ook op meerdere terechtzittingen is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich – zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan, nu uit het EAB blijkt dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b OLW. Oordeel van de rechtbank In onderdeel
- d)van het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon tijdens het proces in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door hem aangestelde raadsman. De opgeëiste persoon heeft ook tijdens het verhoor bij de officier van justitie verklaard dat hij niet bij de behandeling in hoger beroep aanwezig was, maar wel een door hem gemachtigd raadsman. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie. De rechtbank stelt derhalve vast dat in deze zaak sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b van de OLW. Het voorgaande betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing is. 4Strafbaarheid: Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten: deelneming aan een criminele organisatie, en: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5Detentieomstandigheden De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar haar tussenuitspraak van 24 juni 2021 in een andere zaak, dat er een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een Belgische detentie-instelling waar sprake is van grondslapers, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten, waardoor de minimale persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel van 3 m2 niet meer is gewaarborgd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, nu het EAB is uitgevaardigd door het Hof van Beroep Antwerpen, er een grote kans lijkt te bestaan dat de opgeëiste persoon in de detentie-instelling in Antwerpen terecht zal komen. Zoals blijkt uit de voornoemde tussenuitspraak, bevindt het grootste aantal grondslapers zich in de detentie-instelling in Antwerpen. Daarom moet - onder meer - worden onderzocht in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd. Voorgaande overwegingen leiden ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, met dien verstande dat de zaak binnen een termijn van 30 dagen op zitting, dan wel in raadkamer moet worden aangebracht: In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? Hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan in een eenpersoonscel en hoeveel in een meerpersoonscel en is dit - wat betreft de meerpersoonscel - inclusief of exclusief het sanitair? Beschikt deze detentie-instelling over een deugdelijk afgeschermd toilet in de meerpersoonscellen? Een en ander brengt mee dat de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn zal verlengen met 30 dagen, ingaande op het moment waarop de termijn van 90 dagen verstrijkt. 6Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen de hierna te noemen termijn op zitting dan wel in raadkamer moet worden aangebracht, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 door de rechtbank geformuleerde vragen aan de Belgische autoriteiten voor te leggen; VERLENGT de beslistermijn met 30 dagen; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. Aldus gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en N.M. van Waterschoot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2021. Rechtbank Amsterdam 24 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3243.