← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:3598

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751475-21 RK nummer: 21/2301 Datum uitspraak: 1 juli 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 januari 2021 door the Regional Court in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 juni

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is, via telehoren, gehoord en is bijgestaan door mr. S. Önemli die heeft waargenomen voor zijn advocaat, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een cumulative judgment of the District Court Lublin-Wschód of Lublin in Świdnik of 7th May 2019 (II K 589/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon nog in zijn geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde samengestelde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Cumulatieve vonnis met nummer II K 589/19 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich een omstandigheid als in artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. De opgeëiste persoon had namelijk een gemachtigd advocaat die tijdens het proces zijn verdediging heeft gevoerd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. Onderliggende vonnis met nummer III K 696/16 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich een omstandigheid als in artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. In de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 mei 2021 staat dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is opgeroepen voor de zitting; de opgeëiste persoon heeft de dagvaarding persoonlijk opgehaald. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. Onderliggende vonnis met nummer III K 1001/16 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich een omstandigheid als in artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. In de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 mei 2021 staat dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is opgeroepen voor de zitting; de opgeëiste persoon heeft de dagvaarding persoonlijk opgehaald. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. 4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd en de feiten dus dubbel strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Lublin (Polen). Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en C. Huizing-Bruil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juli
  2. De oudste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.