RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/710135-10 (Promis) Datum uitspraak: 19 juli 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1974, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] . 1Inleiding 1.1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 21 mei en 23 oktober 2019 (regiezittingen), 28 januari, 1, 2, 4, 8, 9 en 12 februari en 1 en 8 maart 2021 en 7 juli 2021 (inhoudelijke behandeling) en 19 juli 2021 (sluiting). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. F. Bahadin en S.W.M. van der Linde (hierna gezamenlijk: de officier van justitie) en van wat [verdachte] en zijn advocaten, mrs. J.R. Kramer en J.W. Soeteman (hierna gezamenlijk: de verdediging), naar voren hebben gebracht. 1.2. Achtergrond van de zaak [verdachte] is een van de verdachten in het onderzoek 13Offside. Dit onderzoek richt zich op de verdenking van een criminele organisatie rondom de [familie 1] . Deze criminele organisatie zou zich jarenlang schuldig gemaakt hebben aan onder andere gewoontewitwassen, mensensmokkel, valsheid in geschrift en oplichting. De rechtbank doet vandaag in tien zaken gelijktijdig uitspraak. Het betreft vader [vader] , dochter [dochter] en zoons [zoon 2] en [verdachte] . Daarnaast staan vrienden van de familie, in het bijzonder van [verdachte] , terecht: [zoon 1 familie 2] , [ex vriendin verdachte] en [medeverdachte 3] . Tot slot staan ook drie bv’s van leden van de [familie 1] terecht: [hotel tussenholding B.V. 1] , [hotel 1] en [hotel 7] Aanvankelijk stond ook de broer van [zoon 1 familie 2] , [zoon 2 familie 2] , terecht, maar in die zaak heeft de rechtbank op 25 januari 2021 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat [zoon 2 familie 2] is overleden. Door het Openbaar Ministerie zijn in die tien zaken in totaal elf verschillende zaaksdossiers aan de rechtbank voorgelegd waarin is uitgewerkt wie van de verdachten zich in verschillende samenstellingen zouden hebben schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten. In die zaaksdossiers draait het in het kort om het volgende: Zaaksdossier 1A (Kennismigranten): mensensmokkel, oplichting van de IND en valsheid in geschrift bij Chinese immigranten die op basis van de kennismigrantenregeling een Nederlandse verblijfsvergunning hebben gekregen. Zaaksdossier 1B (Chinese Workers): mensensmokkel, oplichting van de IND en arbeidsuitbuiting bij Chinese immigranten die op basis van de Aziatische horecaconvenanten naar Nederland zijn gekomen. Zaaksdossier 2A (Geldsmokkel CSA): witwassen en overtreden van de Algemene douanewet door personeel van China Southern Airlines contant geld mee te laten nemen naar China. Zaaksdossier 2B (Geldsmokkel [naam 14] (13Nag)): witwassen. Zaaksdossier 2C (Witwasrekeningen): witwassen. Zaaksdossier 2D (Buitenlandse rekeningen): witwassen via bankrekeningen in Luxemburg en Zwitserland. Zaaksdossier 3A ( [hotel 1] ): witwassen, valsheid in geschrift en oplichting bij de aanschaf van [hotel 1] en vergunningaanvragen voor [hotel 1] . Zaaksdossier 3C ( [bedrijf 4] ): valsheid in een authentieke akte bij de aanschaf van [bedrijf 4] Zaaksdossier 3D ( [zaaknaam] ): witwassen bij de (ver)koop van [hotel 2] . Zaaksdossier 3F ( [bedrijf 5] ): strafbare feiten rondom [zoon 1 familie 2] en [zoon 2 familie 2] (valsheid in geschrift, oplichting van de IND en de ABN Amro-bank, mensensmokkel en witwassen). Zaaksdossier 4A (Criminele organisatie): deelname aan een criminele organisatie. [verdachte] wordt vervolgd voor zijn rol bij strafbare feiten in alle zaaksdossiers, met uitzondering van zaaksdossier 3F ( [bedrijf 5] ) Die tien zaaksdossiers zijn in zijn zaak aan de rechtbank voorgelegd. 1.3. Tenlastelegging [verdachte] wordt er samengevat van verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende strafbare feiten: Feit 1: mensensmokkel tussen 1 november 2004 en 31 juli 2015 (ZD01A en ZD01B); Feit 2: voorhanden hebben van valse geschriften op 13 juni 2013 (ZD01A); Feit 3: oplichting van de IND tussen 1 november 2004 en 31 juli 2015 (ZD01A) en oplichting van de IND tussen 1 mei 2010 en 30 september 2014 (ZD01B); Feit 4: (gewoonte)witwassen tussen 14 december 2001 en 12 april 2013 (ZD02B, ZD02C, ZD02D en ZD03D); Feit 5: (schuld)witwassen op 3 mei 2013 (ZD02A); Feit 6: overtreding van de Algemene douanewet op 3 mei 2013 (ZD02A); Feit 7: valsheid in geschrift tussen 1 januari 2005 en 12 maart 2007 (ZD03A); Feit 8 primair: feitelijke leiding geven aan [hotel 1] bij het voorhanden hebben en gebruik maken van valse geschriften tussen 1 januari 2005 en 30 juli 2012; subsidiair: voorhanden hebben en gebruik maken van valse geschriften tussen 1 januari 2005 en 30 juli 2012 (ZD03A); Feit 9 primair: feitelijke leiding geven aan [hotel 1] bij oplichting van de gemeente Amsterdam tussen 1 april 2005 en 16 juli 2007; subsidiair: oplichting van de gemeente Amsterdam tussen 1 april 2005 en 16 juli 2007 (ZD03A); Feit 10: gewoontewitwassen of (schuld)witwassen voorafgaand aan en bij de aanschaf van [hotel 1] tussen 14 december 2001 en 16 juli 2007 (ZD02D en ZD03A); Feit 11: valsheid in een authentieke akte laten opnemen tussen 1 september 2007 tot en met 5 mei 2008 (ZD03C); Feit 12: leiding geven aan een criminele organisatie tussen 1 januari 2001 en 9 juli 2015 (ZD04A). De oorspronkelijke tenlastelegging is op de zitting van 21 mei 2019 nader omschreven. Op de zitting van 28 januari 2021 is de tenlastelegging schriftelijk gewijzigd. Op de zittingen van 1 en 2 februari 2021 heeft de officier van justitie mondeling medegedeeld dat onderdelen van de tenlastelegging kunnen vervallen en de rechtbank heeft daarmee op die zittingen ingestemd. De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. 2. Doorzoeking 30 juli 2012 rechtmatig: geen bewijsuitsluiting of strafvermindering 2.1. Achtergrond van het verweer Op 8 juli 2010 is het onderzoek 13Offside gestart. Op 30 juli 2012 vindt in het onderzoek 13Don een doorzoeking plaats op het kantoor van de [familieholding I] ( [adres 2] ), bij [hotel 3] en in de woning van [verdachte] in [plaats 1] . Op het kantoor van de [familieholding I] is een grote hoeveelheid administratie in beslag genomen. Een deel van die administratie blijkt van belang te zijn voor 13Offside. 13Don richt zich op de ontvoering van [slachtoffer] in september 2011. [slachtoffer] is als verkoper betrokken bij [bedrijf 4] en die transactie is het onderwerp van zaaksdossier 3C. Aan de ontvoering zou een zakelijk geschil met [verdachte] ten grondslag liggen en dat is de reden dat in 13Don onderzoek gedaan wordt naar [verdachte] . 13Offside liep al ten tijde van de ontvoering van [slachtoffer] . Op 8 maart 2012 geeft de zaaksofficier van justitie van 13Don toestemming aan de zaaksofficier van justitie van 13Offside om relevante onderzoeksresultaten uit 13Don in 13Offside te mogen gebruiken. In het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van 25 juli 2012 in 13Don (pag. 900.3283, BLG03.C.037) staat onder andere het volgende vermeld: “ Plan van aanpak Het onderzoeksteam is voornemens de verdachte [verdachte] op 30 juli 2012 aan te houden en een doorzoeking te doen in enkele locaties waar de verdachte gebruik van kan maken. Hierbij dient, zoals later gemotiveerd zal worden, onder andere gezocht te worden naar administratie. het onderzoeksteam is voornemens deze administratie als bulk in beslag te nemen, direct te laten kopiëren en terug te geven aan de verdachte.” En: “ Doorzoeking locaties Gezien de complexe materie betreffende de problemen rond de afwikkeling van de zakelijke transactie waar vermoedelijk het motief aan ten grondslag ligt, evenals het achterhalen door wie, wanneer en op welke wijze de vermoedelijke uitvoerders betaald zijn is het van belang onderzoek naar de administratie en andere voorwerpen die betrekking hebben en/of kunnen hebben op de gepleegde strafbare feiten.” 2.2. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat de doorzoeking op 30 juli 2012 onrechtmatig is en dat daaraan de consequentie van bewijsuitsluiting, en anders strafvermindering, moet worden verbonden. De verdediging stelt dat de doorzoeking in 13Don met geen ander doel heeft plaatsgevonden dan om zoveel mogelijk administratie en andere schriftelijke bescheiden in beslag te nemen om zodoende bewijs te vergaren tegen de verdachten in 13Offside. 13Offside zat voorafgaand aan de doorzoeking op een dood spoor. Van het grootste deel van de in beslag genomen administratie was op voorhand – aan de hand van het opschrift op de kaft van de ordners – te zien dat de inhoud geen enkele relevantie had voor 13Don. Een extra aanwijzing dat de doorzoeking als doel had bewijs te vergaren voor 13Offside ziet de verdediging in de omstandigheid dat de zaaksofficier van justitie uit 13Offside bij de doorzoeking aanwezig was, terwijl zij geen betrokkenheid had bij 13Don. De verdediging stelt daarnaast dat de rechter-commissaris onvolledig is geïnformeerd in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, omdat uitsluitend voor het onderzoek 13Don een machtiging is verzocht, terwijl de rechter-commissaris daarbij niet is geïnformeerd dat op dat moment al bekend was dat alle relevante onderzoeksgegevens aan 13Offside overgedragen konden worden. Tot slot stelt de verdediging dat sprake is van een vormverzuim doordat het onderzoeksteam van 13Offside inzage heeft gekregen in het volledige 13Dondossier en niet (alleen) de relevante onderzoeksgegevens zijn verstrekt. 2.3. Standpunt Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt dat het de doorzoeking rechtmatig was en dat geen sprake is van vormverzuimen. Op voorhand was duidelijk dat alle aangetroffen administratie als bulk in beslag genomen zou worden. Dat is gelet op de omvang van een dergelijke administratie, de complexiteit daarvan en van het onderliggende zakelijke geschil begrijpelijk. Het was logisch en verantwoord dat het onderzoeksteam van 13Don alle aanwezige administratie heeft meegenomen. De rechter-commissaris, die in 13Don en 13Offside rechter-commissaris was, is volledig en open geïnformeerd. Ook de aanwezigheid van de 13Offside-zaaksofficier maakt niet dat sprake is van een vormverzuim, omdat gelet op het plan van aanpak elke (hulp)officier van justitie de hele administratie in beslag zou hebben genomen en niet gebleken is dat buiten het plan van aanpak om geopereerd is. 2.4. Oordeel rechtbank De rechtbank oordeelt dat de doorzoeking rechtmatig is en dat rond de doorzoeking geen sprake is geweest van vormverzuimen. Er is daarom geen reden om over te gaan tot bewijsuitsluiting of om strafvermindering toe te passen. Uit het plan van aanpak zoals dat is beschreven in de aanvraag van de doorzoeking blijkt dat het plan was om de administratie als bulk in beslag te nemen. Gelet op de aard en omvang van de aanwezige administratie en de richting van het onderzoek in 13Don was dit een voorstelbare en aanvaardbare keuze. 13Don rechtvaardigde dat de in beslag genomen administratie in beslag genomen mocht worden. Het is de rechtbank niet gebleken dat er beslag is gelegd op administratie of andere voorwerpen die van belang zouden zijn voor 13Offside, terwijl die binnen 13Don niet in beslag genomen hadden mogen worden. Ook al zou een deel van de administratie overduidelijk een link hebben met 13Offside, dat betekent niet dat dit deel van de administratie niet in beslag zou mogen worden genomen in 13Don. De aanwezigheid van de zaaksofficier van justitie van 13Offside maakt niet dat de doorzoeking daardoor alsnog onrechtmatig wordt. Het is niet vereist dat de zaaksofficier van justitie in 13Don zelf de doorzoeking doet en het is niet gebleken dat ook is gezocht met het oog op 13Offside of dat buiten de grenzen van het plan van aanpak is gezocht. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvraag voor de doorzoeking niet blijkt dat de rechter-commissaris is geïnformeerd over de reeds gegeven toestemming om relevante onderzoeksresultaten uit 13Don aan 13Offside ter beschikking te stellen. Voor het beantwoorden van de vraag of een machtiging tot doorzoeking kan worden verleend is evenwel niet vereist dat de rechter-commissaris wordt geïnformeerd dat toestemming is gegeven om de relevante resultaten uit de verzochte doorzoeking te delen met een ander onderzoek. Niet gezegd kan worden dat de rechter-commissaris onvolledig is geïnformeerd. Van een vormverzuim is dan ook geen sprake. Duidelijk is dat de relevante onderzoeksresultaten uit 13Don gedeeld mochten worden met 13Offside. Artikel 125n lid 3 sub a Sv geeft geen beperkingen bij de uitoefening van die bevoegdheid. Dat voorafgaand aan de terbeschikkingstelling van de relevante informatie inzage is verschaft aan het onderzoeksteam van 13Offside is begrijpelijk en aanvaardbaar, omdat alleen het onderzoeksteam van 13Offside kan bepalen wat mogelijk relevant is voor 13Offside. Van belang is daarbij dat voorafgaand aan die inzage al toestemming is gegeven om de relevante informatie aan het team van 13Offside ter beschikking te stellen. 3. Opgevraagde verkeers- en locatiegegevens: geen bewijsuitsluiting of strafvermindering 3.1. Achtergrond van het verweer Op 2 maart 2021 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) naar aanleiding van prejudiciële vragen uit Estland het zogenoemde ‘Prokuratuur’-arrest gewezen. Het HvJ EU oordeelde in die zaak dat artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2002/58/EG zich verzet tegen een nationale regeling die: de mogelijkheid biedt om overheidsinstanties met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten toegang te verlenen tot een reeks verkeers- of locatiegegevens waaruit precieze conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker ‐ welke toegang niet beperkt is tot procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid; en het Openbaar Ministerie, dat tot taak heeft de strafprocedure in te leiden en, in voorkomend geval, in een latere procedure op te treden als openbaar aanklager, de bevoegdheid toekent om een overheidsinstantie ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek toegang te verlenen tot verkeers- en locatiegegevens. Het HvJ EU stelt als eis dat sprake is van een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. In 2011 zijn in het onderzoek 13Don verkeers- en locatiegegevens opgevraagd van een telefoonnummer van [verdachte] en deze gegevens spelen in de bewijsconstructie van de officier van justitie in de zaak tegen [verdachte] een rol in de zaaksdossiers 2C en 3D. De rechtbank heeft – na afloop van de inhoudelijke behandeling begin maart 2021 en voor de sluiting van het onderzoek in juli 2021 - naar aanleiding van het Prokuratuur-arrest de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid gesteld zich over de betekenis van dit arrest voor 13Offside – en de zaak tegen [verdachte] in het bijzonder – uit te laten. Nadat de officier van justitie (7 juni 2021) en de verdediging (17 juni 2021) een schriftelijk standpunt hebben ingenomen heeft de rechtbank dit onderwerp besproken op de zitting van 7 juli 2021. 3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat de reikwijdte van het Prokuratuur-arrest niet beperkt is tot verkeers- en locatiegegevens (126n-vorderingen), maar dat dit ook gaat om andere gegevens (126ndvorderingen, in dit geval betreffende bankgegevens en gegevens Holland Casino), indien uit een reeks van gegevens precieze conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. In al die gevallen dient sprake te zijn van een voorafgaande rechtelijke toetsing en de verdediging stelt vast dat daarvan geen sprake is geweest. Dit levert een schending op van het Unierecht (uiteindelijk artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). De verdediging stelt vervolgens dat het aan het nationale recht is om te bepalen hoe omgegaan wordt met bewijs dat in strijd met het Unierecht is verkregen, maar dat deze nationale regeling wel moet voldoen aan de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. De verdediging stelt onder verwijzing naar het Prokuratuur-arrest en het ‘La Quadrature du Net e.a.’-arrest van het HvJ EU dat de keuze is óf bewijsuitsluiting óf strafvermindering. Voor zover de Nederlandse regeling van artikel 359a Sv ook de enkele constatering van een vormverzuim als mogelijkheid biedt, voldoet de Nederlandse regeling niet aan het Unierecht. De verdediging verzoekt, voor het geval de rechtbank vindt dat de locatie- en verkeersgegevens en de overige gegevens zien op verdachte, primair die gegevens van het bewijs uit te sluiten en subsidiair om een strafvermindering van tien procent. De verdediging stelt dat [verdachte] zijn recht op privacy in ernstige mate is geschonden, gelet op het aantal vorderingen en de periode waarop deze zagen. [verdachte] is hierdoor in zijn belang geschaad en met de schending van zijn privacy is ook zijn nadeel gegeven. Tot slot stelt de verdediging dat bewijsuitsluiting ook nodig is als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen ook in de toekomst zullen plaatsvinden. In dit verband wijst de verdediging erop dat het Openbaar Ministerie drie maanden na het Prokuratuur-arrest geen uitsluitsel kan geven over de wijze waarop de werkwijze moet worden aangepast, terwijl die aanpassing simpelweg inhoudt dat ook 126nd-vorderingen voortaan vooraf door een rechter-commissaris moeten worden getoetst. 3.3. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt dat het Prokuratuur-arrest nadrukkelijk en uitsluitend ziet op de uitleg van de richtlijn 2002/58/EG en beperkt blijft tot verkeers- en locatiegegevens. Het arrest ziet niet op persoonsgegevens in het algemeen. De officier van justitie stelt dat sprake is van een vormverzuim doordat de verkeers- en locatiegegevens zijn opgevraagd overeenkomstig de wettelijke regelgeving, maar dat deze gegevens achteraf gezien niet door de officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande rechterlijke toetsing. De officier van justitie stelt dat volstaan kan worden met de constatering van het vormverzuim. Daarvoor is van belang dat niet gebleken is dat door het vormverzuim het recht van [verdachte] op een eerlijk proces in het geding is. Daarnaast stelt de officier van justitie dat in dit specifieke geval het hoogstwaarschijnlijk is dat een rechterlijke autoriteit, ook rekening houdend met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, een machtiging zou hebben verleend. Daardoor is geen nadeel veroorzaakt. Tot slot merkt de officier van justitie op dat het Openbaar Ministerie direct naar aanleiding van het Prokuratuur-arrest is gaan onderzoeken in hoeverre de bestaande werkwijze moet worden aangepast en dat – na het eerste arrest van een gerechtshof op dit punt – voorbereidingen getroffen worden zodat deze gegevens in de (nabije) toekomst met een machtiging van de rechter-commissaris opgevraagd kunnen worden. 3.4. Oordeel van de rechtbank De rechtbank leidt uit het Prokuratuur-arrest niet af dat het bereik hiervan ruimer is dan verkeers- en locatiegegevens, en in elk geval niet dat het alle vorderingen omvat waarmee persoonsgegevens worden opgevraagd. Daarvoor is van belang dat het arrest uitdrukkelijk ziet op de uitleg van artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2002/58/EG (betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie). De in artikel 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten zijn niet absoluut en daarop kunnen bij wet inperkingen worden aangebracht. Richtlijn 2002/58/EG brengt mee – zo is af te leiden uit het Prokuratuur-arrest – dat de Nederlandse regeling wat betreft het opvragen van verkeers- en locatiegegevens niet voldoet aan het Unierecht. Het opvragen van andere gegevens op grond van artikel 126nd Sv valt niet onder het bereik van richtlijn 2002/58/EG, zodat het Prokuratuur-arrest daarop niet rechtstreeks van toepassing is. Niet is gebleken dat de regeling van artikel 126nd Sv op zichzelf strijdig is met de artikelen 7 en 8 van het Handvest en evenmin is gebleken dat sprake is van andere richtlijnen die maken dat het Prokuratuur-arrest van analoge toepassing is op 126nd-gegevens. De rechtbank beperkt daarom de betekenis van het Prokutatuur-arrest tot de gevorderde verkeers- en locatiegegevens. De rechtbank stelt vast dat in het onderzoek 13Don de verkeers- en locatiegegevens van telefoonnummer [telefoonnummer] (het nummer van [verdachte] ) in december 2011 zijn opgevraagd zonder voorafgaande machtiging van een rechter. Hoewel de gegevens niet in 13Offside zijn opgevraagd, hebben zij wel betrekking op [verdachte] en zijn zij van bepalende invloed geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en de (verdere) vervolging van [verdachte] voor de feiten in de zaaksdossiers 2C en 3D. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Voor de vraag of en zo ja welke consequentie aan het vormverzuim verbonden moet worden zoekt de rechtbank aansluiting bij het kader van artikel 359a Sv en het overzichtsarrest van de Hoge Raad. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om de mogelijke consequenties van een vormverzuim bij een schending van het Unierecht te beperken tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. De verdediging heeft verwezen naar het La Quadrature du Net e.a.-arrest van 6 oktober 2020. De rechtbank stelt vast dat dit arrest eerder is gewezen dan het meest recente overzichtsarrest van de Hoge Raad over vormverzuimen en dat de Hoge Raad in het La Quadrature du Net e.a.-arrest kennelijk geen aanleiding heeft gezien het toetsingskader van artikel 359a Sv in die zin aan te passen dat niet meer volstaan zou kunnen worden met de constatering van een vormverzuim. Ook de rechtbank ziet daar naar aanleiding van het La Quadrature du Net e.a.-arrest geen aanleiding voor. De rechtbank leidt uit dit arrest af dat als bewijsmateriaal in strijd met het Unierecht is verkregen dit niet noodzakelijkerwijs tot bewijsuitsluiting moet leiden, maar dit ook bij de straftoemeting betrokken kan worden. Dat het HvJ EU een limitatieve opsomming heeft willen geven van alternatieven voor bewijsuitsluiting leidt de rechtbank niet uit het arrest af. De rechtbank ziet in het arrest dan ook geen aanleiding om af te wijken van het kader van artikel 359a Sv. Bij het sanctioneren van onherstelbare vormverzuimen is het uitgangspunt dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim eventueel geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Wat betreft de aard en de ernst van het vormverzuim is van belang dat de verkeers- en locatiegegevens zijn opgevraagd overeenkomstig de geldende Nederlandse regelgeving. Achteraf moet worden vastgesteld dat de Nederlandse regelgeving ten onrechte niet een voorafgaande rechterlijke toetsing als eis stelde. Uit het Prokuratuur-arrest volgt uitdrukkelijk dat het vormverzuim niet ongedaan kan worden gemaakt door een toetsing achteraf. De rechtbank vindt wel dat met een achteraf gemaakte inschatting wat een rechter vooraf geoordeeld zou hebben, gewogen kan worden hoe ernstig het geconstateerde vormverzuim is. De inschatting van de rechtbank is in dit geval dat bij een voorafgaande rechtelijke toetsing hoogstwaarschijnlijk een machtiging zou zijn verleend voor het opvragen van de verkeers- en locatiegegevens. Daarvoor is van belang dat de gegevens zijn opgevraagd in het kader van een onderzoek naar een ontvoering, een zeer ernstig strafbaar feit, en dat er op basis van de verklaringen van het slachtoffer aanwijzingen waren dat de ontvoering te maken had met een voorafgaand zakelijk conflict. Dat de gegevens zijn opgevraagd over een periode van ongeveer 11,5 maand vindt de rechtbank in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, omdat de aard van de verdenking meebrengt dat ook de aanloop naar de ontvoering van belang is. Dit maakt dat de aard en de ernst van het verzuim relatief beperkt zijn geweest. Er is geen sprake van een situatie dat gegevens zijn verkregen die niet verkregen hadden mogen worden, maar ‘slechts’ van een situatie waarin (onvoorzien) niet de juiste procedure is gevolgd. Als de juiste procedure wel was gevolgd, dan had dit (hoogstwaarschijnlijk) tot dezelfde gegevensverstrekking geleid. [verdachte] heeft nadeel ondervonden van het vormverzuim doordat in het algemeen zijn recht op privacy is geschonden. Niet is gebleken dat het hierdoor geleden nadeel in dit specifieke geval bijzonder ernstig is geweest. De rechtbank vindt dat gelet op de aard en de ernst van het verzuim en het door [verdachte] geleden nadeel geen aanleiding bestaat om consequenties te verbinden aan het geconstateerde vormverzuim. De rechtbank vindt het evenmin noodzakelijk om consequenties aan het vormverzuim te verbinden om een extra signaal af te geven dat maatregelen genomen moeten worden om nieuwe vormverzuimen in de toekomst te voorkomen. Daarvoor is vooral van belang dat het Prokuratuur-arrest relatief recent gewezen is, dat de rechtsontwikkeling over de reikwijdte en de betekenis van het Prokuratuur-arrest voor de Nederlandse praktijk nog niet is uitgekristalliseerd en dat het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld dat onderzocht wordt op welke wijze een voorafgaande rechterlijke toetsing van 126n Sv vorderingen kan worden ingevoerd. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank dat in dit stadium nog volstaan kan worden met de constatering dat bij het (voorafgaand aan het Prokuratuur-arrest) opvragen van verkeers- en locatiegegevens sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim. 4Beoordelingskaders Alvorens de tenlastegelegde feiten te bespreken zal de rechtbank nu eerst ingaan op de uitgangspunten die zijn gehanteerd bij vragen rondom niet-gehoorde getuigen en ten aanzien van de verdenking van witwassen. 4.1. Niet gehoorde getuigen (die wel waren toegewezen) In 13Offside heeft de verdediging verzocht om een groot aantal getuigen te horen, waarvan in een of meer zaken is geoordeeld dat de verdediging de mogelijkheid moet hebben om die getuigen te ondervragen. In de verschillende zaken zijn vervolgens ook veel getuigen gehoord, maar tegelijkertijd moet de rechtbank vaststellen dat ook veel van de getuigen die op enig moment zijn toegewezen, uiteindelijk niet zijn gehoord. Een groot deel van deze eerder toegewezen, maar uiteindelijk niet gehoorde getuigen verblijven in het buitenland (voornamelijk China) en over hen heeft de rechtbank bij de laatste regiezitting (23 oktober 2019) en aan het begin van de inhoudelijke behandeling (28 januari 2021) geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn gehoord kunnen worden. Om die reden heeft de rechtbank de verzoeken om deze getuigen alsnog te horen afgewezen. De rechtbank heeft daarbij ook steeds opgemerkt dat de eventuele consequenties over het niet-horen van een getuige onderwerp van debat kunnen zijn tijdens de inhoudelijke behandeling. Voor het antwoord op de vraag wat de consequenties van het niet-horen van een getuige moeten zijn, is in de eerste plaats van belang dat sprake is van verschillende categorieën getuigen. Er zijn getuigen van wie in het geheel nog geen verklaring in het dossier zit en er zijn getuigen waarvan al wel een eerdere verklaring beschikbaar is. Als een eerdere verklaring beschikbaar is, is van belang of die verklaring in de kern belastend is voor de verdachte of niet. Van een belastende verklaring is in elk geval sprake als de rechtbank die verklaring wil gebruiken voor het bewijs van een of meer onderdelen van de ten laste gelegde feiten. Niet-gehoorde belastende getuigen Uit het Keskin-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een belastende getuige moet worden voorondersteld. Uit de post-Keskin-rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat dit niet betekent dat een verzoek om een belastende getuige te horen altijd moet worden toegewezen. Zo blijft het onaannemelijk zijn dat een getuige binnen aanvaardbare termijn gehoord kan worden een geldige grond voor afwijzing van een getuigenverzoek. Een rechter moet voordat hij einduitspraak doet beoordelen of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Bij die beoordeling kan het zijn dat de rechter alsnog ambtshalve overgaat tot het (laten) horen van een of meer getuigen. Ook kan het zijn dat de rechter moet nagaan welke gevolgen verbonden moeten worden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de getuige(
- n)op enig moment te (doen) ondervragen. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM drie aandachtspunten af: 1) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, 2) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en 3) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze drie factoren moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige zal de rechter alsnog moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuigen, of in elk geval moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging haar ondervragingsrecht uit te laten oefenen. Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de nietondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Overige niet-gehoorde getuigen De situatie ligt anders als een verzochte getuige in het geheel nog niet is gehoord of niet belastend heeft verklaard. Er ligt dan immers geen verklaring, waarvan beoordeeld moet worden of door het gebruik voor het bewijs daarvan de procedure in het geheel nog eerlijk is. In de regel zullen deze getuigen door de verdediging zijn verzocht omdat zij ervan uitgaat dat de af te leggen verklaring ontlastend zal zijn voor de verdachte. Omdat de getuige nog geen verklaring heeft afgelegd, kan echter niet met zekerheid gezegd worden wat die getuige zou hebben verklaard. 4.2. Witwassen Voor een veroordeling voor (schuld)witwassen is vereist dat bewezen is dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. In die gevallen dat uit het dossier niet blijkt uit welk specifiek misdrijf het voorwerp afkomstig is, kan een verdachte toch worden veroordeeld als het op basis van het dossier niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Om te beoordelen of van die situatie sprake is, is in de rechtspraak een stappenplan ontwikkeld. Dit stappenplan begint met dat het Openbaar Ministerie bewijs moet aandragen dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van een verdachte worden verwacht dat hij dit vermoeden onderuit haalt door het geven van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld. Als een verdachte zo’n verklaring heeft gegeven is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door de verdachte gestelde herkomst van het voorwerp. Als het Openbaar Ministerie dat onderzoek heeft verricht is het aan de rechter om te oordelen of voldoende kan worden uitgesloten dat het voorwerp van de tenlastelegging een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst de enige aanvaarbare verklaring is. Als een legale herkomst kan worden uitgesloten is bewezen dat het voorwerp ‘uit enig misdrijf afkomstig is’. 5Zaaksdossier 1A Kennismigranten (feiten 1, 2 en 3) 5.1. Inleiding op het zaaksdossier Het zaaksdossier Kennismigranten richt zich op mogelijke strafbare feiten rond de komst van vijf Chinese migranten naar Nederland, die een verblijfsvergunning hebben gekregen op basis van de kennismigrantenregeling. Het gaat om [migrant 1] , [migrant 2] , [migrant 3] , [migrant 4] en [migrant 5] . De kennismigrantenregeling bestaat sinds oktober 2004 en is bedoeld om de kenniseconomie in Nederland te stimuleren door de toelatingsprocedures voor hooggekwalificeerde arbeidsmigranten te versnellen en waar mogelijk te vereenvoudigen. Een vreemdeling die op basis van de kennismigrantenregeling een verblijfsvergunning aanvraagt, hoeft alleen te beschikken over een Machtiging Voorlopig Verblijf (MVV) en moet voldoen aan de looncriteria die gelden voor kennismigranten. Het bedrijf waarvoor de kennismigrant gaat werken moet wel door de IND zijn toegelaten om kennismigranten in dienst te nemen. Een kennismigrant mag niet voor een ander bedrijf werken dan waarvoor de verblijfsvergunning is afgegeven. Als de kennismigrant voor een ander (ook goedgekeurd) bedrijf gaat werken, moet de IND daarover geïnformeerd worden. De vijf kennismigranten hebben een verblijfsvergunning gekregen omdat zij bij [onderneming 1] zouden gaan werken. Eind 2011 heeft [onderneming 1] officieel haar bedrijfsactiviteiten gestaakt. Twee van de kennismigranten – [migrant 3] en [migrant 2] – zouden vervolgens vanaf mei 2012 voor [onderneming 2] zijn gaan werken. Als feit 1 is – voor wat betreft het zaaksdossier kennismigranten – ten laste gelegd dat [verdachte] de vijf kennismigranten samen met anderen behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland en/of uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland. Voor alle vijf de kennismigranten geldt dat zij gewerkt (zouden) hebben bij [onderneming 1] [migrant 2] en [migrant 3] zouden vervolgens ook voor [onderneming 2] hebben gewerkt. Als feit 2 is ten laste gelegd dat verdachte op 13 juni 2013 opzettelijk valse geschriften voorhanden heeft gehad. Het gaat om drie arbeidscontracten met [onderneming 2] , een arbeidscontract met [familieholding I] , salarisspecificaties van [onderneming 1] , salarisspecificaties van [onderneming 2] en twee Chinese rijbewijzen. Als feit 3 is – voor wat betreft het zaaksdossier kennismigranten – ten laste gelegd dat [verdachte] samen met anderen de IND en de Nederlandse Staat heeft opgelicht waardoor die zijn bewogen tot de afgifte van (verlengingen van) MVV’s en (verlengingen van) verblijfsvergunningen aan de vijf kennismigranten. 5.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt de in het zaaksdossier kennismigranten ten laste gelegde feiten voldoende duidelijk omschreven, zodat geen sprake is van een deels nietige dagvaarding. De officier van justitie vindt ook alle feiten in dit zaaksdossier bewezen. Er is sprake van fictieve dienstverbanden tussen de kennismigranten en [onderneming 1] (en [onderneming 2] ) Dit brengt mee dat arbeidsovereenkomsten en de salarisspecificaties vals zijn en dat de IND en de Nederlandse Staat zijn opgelicht. Doordat de kennismigranten door oplichting de verblijfsvergunning hebben gekregen is sprake van mensensmokkel, zowel het behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland als het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf. De officier van justitie vindt de strafverzwarende omstandigheden bij mensensmokkel (medeplegen, gewoonte) ook bewezen. De officier van justitie vindt ook bewezen dat de overeenkomst tussen [migrant 4] en de [familieholding I] vals is en dat [verdachte] dat wist. Tot slot vindt de officier van justitie bewezen dat de Chinese rijbewijzen op naam van [persoon 1] en [persoon 2] vals zijn en dat [verdachte] dat moest weten. 5.3. Standpunt van de verdediging De verdediging vindt de tenlastelegging van feit 1 nietig voor zover het feit ziet op ‘een of meerdere valse arbeidsovereenkomsten’ en ‘een of meerdere valse salarisspecificaties’, omdat er meerdere overeenkomsten en salarisspecificaties bestaan, waardoor de tenlastelegging onvoldoende verfeitelijkt is. De verdediging vindt verder geen van de in dit zaaksdossier ten laste gelegde feiten bewezen en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte een verblijfsvergunning heeft geregeld voor de kennismigranten, dat hij betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van arbeidsovereenkomsten of salarisspecificaties of dat hij wist dat deze vals waren. Ook blijkt niet dat [verdachte] contact heeft gehad met de IND of het CWI. De verdediging verzoekt ook om vrijspraak omdat zij haar verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen doordat zij geen mogelijkheid heeft gehad om [directeur onderneming 1] van [onderneming 1] en [directeur onderneming 2] van [onderneming 2] te ondervragen. 5.4. Oordeel van de rechtbank 5.4.1. Dagvaarding deels nietig? De rechtbank vindt de tenlastelegging van feit 1 voor ‘een of meerdere valse arbeidsovereenkomsten’ voldoende duidelijk. In de tenlastelegging wordt gespecificeerd om welke overeenkomsten het gaat. Tegen de achtergrond van de verdenking van mensensmokkel is duidelijk dat het gaat om de arbeidsovereenkomsten waarvan gebruik is gemaakt in de richting van de IND. De rechtbank vindt de tenlastelegging van feit 1 voor ‘een of meerdere valse salarisspecificaties’ onvoldoende duidelijk, omdat uit de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – onvoldoende blijkt om welke salarisspecificaties van [onderneming 2] ten name van [migrant 3] en [migrant 2] het gaat. Ook maakt de context van de verdenking van mensensmokkel niet duidelijk waarop de tenlastelegging doelt. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat er salarisspecificaties naar de IND zijn opgestuurd en de tenlastelegging bevat geen verwijzing naar de vindplaats in het dossier waaruit opgemaakt zou kunnen worden waarop de verdenking ziet. De rechtbank zal daarom de tenlastelegging nietig verklaren voor de zinsnede ‘een of meerdere valse salarisspecificaties van [onderneming 2] ten name van die [migrant 3] en/of die [migrant 2] opgemaakt en/of op laten maken’. 5.4.2. [onderneming 1] Het bedrijf is opgericht op 8 oktober 2009 en heeft haar activiteiten gestaakt per 22 december 2011. De enig aandeelhouder is het Chinese [aandeelhouder onderneming 1] en [directeur onderneming 1] was de directeur. Tussen 3 oktober 2011 en 1 mei 2012 was [migrant 3] de directeur van [onderneming 1] Op 19 januari 2010 is namens [onderneming 1] een ‘Bijlage 12a Voorschrift Vreemdelingen 2000 Verklaring met betrekking tot de toelating van kennismigranten’-formulier ingediend. Het UWV heeft de informatie verstrekt die bekend is over [onderneming 1] ten aanzien van de kennismigranten. Van alle vijf de kennismigranten is de begindatum IKV (Inkomensverhoudingen) bekend, te weten 3 mei 2010 ( [migrant 1] ), 6 augustus 2010 ( [migrant 4] ), 1 december 2010 ( [migrant 2] en [migrant 3] ) en 1 augustus 2011 ( [migrant 5] ). Van geen van de kennismigranten is een einddatum IKV bekend. Het SV-loon (sociale verzekeringsloon) van [migrant 4] , [migrant 2] en [migrant 3] was in de periode 1 januari 2011-31 januari 2012 ongeveer € 1.950.- (zonder vakantiegeld). Het SV-loon van [migrant 1] was in diezelfde periode € 3.900 en van [migrant 5] vanaf 1 augustus 2011 € 3.950. De bankrekeningen van [onderneming 1] zijn onderzocht en daarbij zijn twee relevante bankrekeningen geïdentificeerd: [rekeningnummer] ten name van [onderneming 1] (hierna ook: [afkorting] ), [rekeningnummer] ten name van [onderneming 1] (hierna ook: [afkorting] ). [afkorting] is actief van 14 mei 2009 tot en met 15 april 2011. Op basis van de bankafschriften zijn met name in de periode juli 2009 – juli 2010 inkomende betalingen vast te stellen die wijzen op reguliere handelsactiviteiten. Vanaf deze bankrekening worden ook betalingen onder de noemer ‘salary for (en dan datum – jaar)’ gedaan aan kennismigranten: [migrant 3] (€ 14.375,52), [migrant 4] (€ 11.964,60), [migrant 1] (€ 12.987,50) en [migrant 2] (€ 4.785,84). Van het totale bedrag van € 38.918,46 kon op 20 januari 2011 in elk geval een totaalbedrag van € 24.542,94 niet worden betaald zonder een voorafgaande contante storting van € 24.000. [afkorting] is actief van 3 oktober 2011 tot en met 10 april 2012. De rekening wordt voor 89,48% gevoed door contante stortingen. Vanaf deze rekening worden loonbetalingen gedaan aan kennismigranten. [migrant 2] krijgt tussen 4 oktober 2011 en 2 maart 2012 in totaal € 27.411,99 en die betalingen zouden betrekking hebben op het loon van april 2011 tot en met februari 2012. Opmerkelijk daarbij is, is dat het loon over april en mei in een keer wordt overgemaakt op 4 oktober 2011, dat het loon over juni tot september op 1 november 2011 wordt overgemaakt en dat het loon over oktober op 2 november 2011 wordt overgemaakt. [migrant 3] krijgt tussen 4 oktober 2011 en 2 maart 2012 in totaal € 27.411,99 en die betalingen zouden betrekking hebben op het loon van april 2011 tot en met februari 2012. Opmerkelijk daarbij is, is dat het loon over april, mei en juni op 4 oktober 2011 wordt overgemaakt, dat het loon over juli en augustus op 7 oktober 2011 wordt overgemaakt en dat het loon over september en oktober op 2 november 2011 wordt overgemaakt. [migrant 4] krijgt tussen 4 november 2011 en 2 maart 2012 in totaal € 27.411,99 en die betalingen zouden betrekking hebben op het loon van april 2011 tot en met februari 2012. Opmerkelijk daarbij is, dat het loon over april op 4 november 2011 wordt overgemaakt, dat het loon over mei, juni en juli op 18 november 2011 wordt overgemaakt en dat het loon over augustus, september, oktober en november op 5 december 2011 wordt overgemaakt. Oud-medewerker van [onderneming 1] [naam getuige] is verschillende keren als getuige gehoord. Hij verklaarde vanaf september 2009 tot 1 augustus 2010 bij [onderneming 1] gewerkt te hebben. De naam [migrant 1] zegt hem niets. [migrant 4] , [migrant 3] en [migrant 2] kent hij niet. Ook verklaart hij dat er in zijn tijd bij [onderneming 1] geen vrouwelijke collega’s hebben gewerkt. [naam getuige] verklaarde verder ook dat het voor [onderneming 1] niet handig zou zijn om een Chinese sales manager te hebben. Handiger zou het zijn als een sales manager Nederlands of Engels spreekt. Hij snapt niet waarom een designer voor [onderneming 1] uit China zou moeten komen. [onderneming 1] had geen werk voor een financieel manager, dat werk deed [directeur onderneming 1] (‘ [alias 1] ’). Betrokkenheid [verdachte] [onderneming 1] is in het verleden gevestigd geweest op het adres [adres 3] . In een aan de IND opgestuurde verzamelloonstaat over 2009 staat ook het adres [adres 3] vermeld. is de eigenaar geweest van het appartement [adres 3] van 1 juni 2001 tot en met 6 januari 2010. Op 4 september 2012 levert een Google-zoekopdracht naar ‘ [onderneming 1] ’ een resultaat op van de Nationale Bedrijvengids van [onderneming 1] Bij de contactgegevens is telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld. Op 25 oktober 2013 levert een Google-zoekopdracht naar ‘ [telefoonnummer] ’ een verwijzing op naar [onderneming 1] . [verdachte] verklaarde zelf de enige gebruiker te zijn van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [verdachte] is ook in beeld op het moment dat er tussen [onderneming 1] en Pantar Amsterdam gesproken wordt over een samenwerking. [naam 2] van Pantar verklaarde dat hij in contact is gekomen met [onderneming 1] doordat er een vraag lag van [verdachte] om fietsen in elkaar te zetten. De mogelijke detachering van Pantarmedewerkers bij [onderneming 1] speelde in de periode van februari tot april 2010. [naam 2] heeft per e-mail alleen contact gehad met [verdachte] . Tijdens de doorzoeking van [hotel 3] op 30 juli 2012 zijn op een server van het [hotel 3] 15 e-mailberichten aangetroffen tussen [verdachte] en medewerkers van Pantar. Uit deze e-mailberichten blijkt dat [verdachte] betrokken is bij het contact met de beslissers van Pantar. [verdachte] is het aanspreekpunt als vanuit [onderneming 1] dingen geregeld moeten worden (temperatuur, koffievoorzieningen). [verdachte] wordt ook geïnformeerd over de financiële afwikkeling van de samenwerking tussen [onderneming 1] en Pantar. Daarnaast blijkt de betrokkenheid van [verdachte] bij [onderneming 1] ook uit [verdachte] ’s contacten met en betrokkenheid bij kennismigranten die bij [onderneming 1] onder contract hebben gestaan. Die contacten komen in 5.4.4 bij de verschillende kennismigranten aan de orde. 5.4.3. [onderneming 2] Het bedrijf is opgericht op 11 december 2007. [medeverdachte 3] is vanaf 21 juni 2011 directeur en enig aandeelhouder. Op 23 juli 2010 is namens [onderneming 2] een ‘Bijlage 12a Voorschrift Vreemdelingen 2000 Verklaring met betrekking tot de toelating van kennismigranten’-formulier ingediend. Het UWV heeft de informatie verstrekt die bekend is over [onderneming 2] ten aanzien van de kennismigranten. [migrant 2] en [migrant 3] waren beiden bekend van 15 mei 2012 tot 2 januari 2013. Het SV-loon van [migrant 2] en [migrant 3] was vanaf 1 juni 2012 tot en met 31 december 2012 € 2.900,-. Bij het UWV zijn geen gegevens bekend van een dienstverband van [migrant 4] bij [onderneming 2] Uit de gegevens van het UWV blijkt dat op 1 januari 2013, inclusief [migrant 2] en [migrant 3] , twaalf werknemers voor de loonbelasting geregistreerd waren. In januari 2013 legt [getuige 1] een getuigenverklaring af. Hij ontwerpt fietsen en werkt sinds 2009 voor [onderneming 2] Hij verklaart dat naast hem eigenaar [medeverdachte 3] , [bedrijfsleider] , [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 3] en een magazijnmedewerker die net is begonnen bij [onderneming 2] werken. Het bedrijf heeft volgens hem verder geen medewerkers. [getuige 1] verklaart ook dat [bedrijfsleider] en hij Marokkaans zijn en dat de overige medewerkers – een heel kleine groep – van Turkse komaf zijn. Hij kent de namen [migrant 3] en [migrant 2] niet en hij weet niets van hun arbeidsovereenkomsten die bij [onderneming 2] zijn aangetroffen. Ook [bedrijfsleider] heeft in januari 2013 een getuigenverklaring afgelegd. Hij is sinds november 2011 bedrijfsleider bij [onderneming 2] [bedrijfsleider] verklaart dat naast hem [medewerker 1] , [medewerker 2] , eigenaar [directeur onderneming 2] , [medewerker 4] , [getuige 1] , [medewerker 3] en [medewerker 5] bij [onderneming 2] werken. Verder werken er de heren [medewerker 6] en [medewerker 7] en [medewerker 8] . [bedrijfsleider] kent [migrant 3] en [migrant 2] niet. Oplichting in de periode van [onderneming 2] De tenlastelegging van feit 3 houdt over [onderneming 2] in dat door het (doen) aangeven dat [migrant 3] en [migrant 2] werkzaam zijn bij [onderneming 2] en door valse arbeidsovereenkomsten tussen [onderneming 2] en [migrant 3] / [migrant 2] aan de IND te verstrekken, de IND is bewogen tot afgifte van (verlenging(
- en)van) MVV(’
- s)en/of (verlenging(
- en)van) verblijfsvergunning(en). Uit het dossier blijkt niet dat de mededeling aan de IND dat een kennismigrant voor een andere werkgever gaat werken meebrengt dat de IND overgaat tot het afgeven van een (verlenging van een) MVV of verblijfsvergunning. Eerder is het zo dat die mededeling meebrengt dat de eerder afgegeven verblijfsvergunning door die mededeling aan de IND in stand blijft (en niet wordt ingetrokken). Dit betekent dat geen sprake is van oplichting, doordat niet bewezen kan worden dat de IND is bewogen tot het afgeven van een goed, voor zover de tenlastelegging van feit 3 betrekking heeft op de periode bij [onderneming 2] De rechtbank zal [verdachte] daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 5.4.4. De kennismigranten 5.4.4.1. [migrant 1] ( [onderneming 1] ) De IND heeft bij beschikking van 28 juni 2010 het verblijfsdoel van de Chinese [migrant 1] gewijzigd en aan haar een verblijfsvergunning verleend voor het verblijfsdoel ‘verblijf als kennismigrant’. Deze vergunning was geldig van 3 mei 2010 tot 3 mei 2015. Volgens de beschikking treedt [migrant 1] als kennismigrant in dienst van [onderneming 1] en de arbeidsmarktaantekening luidt ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan.’ Het aanvraagformulier is op 1 maart 2010 door [migrant 1] ondertekend. Hierin is vermeld dat zij vanaf 1 april 2010 voor onbepaalde tijd als Financial Manager in dienst treedt bij [onderneming 1] Namens [onderneming 1] is de aanvraag ondertekend door [directeur onderneming 1] . Namens [migrant 1] is de aanvraag op 29 april 2010 ingediend bij de IND. Bij de aanvraag is als bijlage gevoegd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 1] , vertegenwoordigd door [directeur onderneming 1] , en [migrant 1] . Deze overeenkomst is op 1 februari 2010 opgemaakt en ondertekend en houdt onder meer in dat [migrant 1] met ingang van 1 april 2010 voor 38 uur per week en tegen een brutomaandsalaris van € 3.900,- als Financial Manager gaat werken. [migrant 1] verklaarde in 2008 naar Nederland te zijn gekomen. Zij heeft een contract getekend om te gaan werken bij [onderneming 1] Zij heeft daar geen financieel werk gedaan en was niet werkzaam als financieel manager. Zij is door [verdachte] voorgesteld aan [directeur onderneming 1] . Zij heeft 55.000 euro aan [verdachte] betaald voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De 55.000 euro is terug gegeven aan [migrant 1] en haar man nadat haar man daarover had gesproken met [verdachte] . [verdachte] gaf haar de salarisstroken van [onderneming 1] [migrant 1] verklaarde ook dat zij [directeur onderneming 1] een deel van het salaris terug betaalde. Op 25 januari 2013 worden [migrant 1] en haar echtgenoot [naam echtgenoot] door de IND per aangetekende post geïnformeerd over het voornemen van de IND om hun verblijfsvergunningen in te trekken. Kort daarna, op 7 februari 2013, voeren [naam echtgenoot] ( [afkorting] ) en [verdachte] ( [afkorting] ) een telefoongesprek dat is afgeluisterd: “ [afkorting] : Als het niet verkregen kan worden, dan moet je het maar eens teruggeven aan mij, geef het een dag terug aan mij dan is het goed. [afkorting] : Goed hoor. (…) [afkorting] : Denk jij eens na, zijn er andere oplossingen? [afkorting] : Andere mogelijkheden zijn er niet. (…) [afkorting] : Ik ben al met het gezin hier gekomen, je moet het toch weten, als er een oplossing is, moet je het even doen. [afkorting] : Ik heb geen oplossing. (…) [afkorting] : Dan moet je die ‘vijf en een half’ maar aan mij geven, dan is het goed. [afkorting] : Dat is goed.” De volgende dag, 8 februari 2013, zegt [verdachte] in een volgend telefoongesprek tegen [naam echtgenoot] : “Bij het inzetten van de procedure heb ik al tegen je gezegd dat als het niet lukt dan krijg je het geld terug. We hebben het over iets waar risico in zit, niet waar?” Conclusie [migrant 1] De rechtbank concludeert op basis van de bevindingen met betrekking tot [migrant 1] en [onderneming 1] dat het dienstverband van [migrant 1] bij [onderneming 1] fictief is en [verdachte] hierbij betrokken is geweest. [migrant 1] zou vanaf 1 april 2010 aan de slag gaan als financieel manager, terwijl zij zelf verklaarde geen financieel werk verricht te hebben. Uit de verklaring van [naam getuige] blijkt dat [onderneming 1] geen financieel manager nodig had, omdat [directeur onderneming 1] die taken zelf uitvoerde. Ook kent [naam getuige] [migrant 1] niet, terwijl zij enkele maanden gelijktijdig in dienst zouden zijn geweest bij [onderneming 1] Ook bieden de bevindingen van de bankrekeningen van [onderneming 1] geen steun dat ten tijde van het dienstverband van [migrant 1] nog sprake was van reguliere bedrijfsactiviteiten. Daarbij komt dat [onderneming 1] in december 2011 haar activiteiten formeel heeft gestaakt en [migrant 1] over januari 2012 nog loon uitbetaald heeft gekregen volgens de gegevens van het UWV. Uit de tapgesprekken met [verdachte] en de verklaring van [migrant 1] leidt de rechtbank af dat [verdachte] vanaf het begin van de procedure betrokken was bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor [migrant 1] en dat hij voor zijn rol € 55.000 kreeg. Samenvattend vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [directeur onderneming 1] de IND en de Nederlandse Staat heeft opgelicht door hen te bewegen tot afgifte van een verblijfsvergunning voor [migrant 1] op grond van het fictieve dienstverband van [migrant 1] met [onderneming 1] Daardoor is [verdachte] [migrant 1] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en [verdachte] heeft dat uit winstbejag gedaan. 5.4.4.2. [migrant 2] ( [onderneming 1] en [onderneming 2] ) De IND heeft bij beschikking van 18 oktober 2010 aan de Chinese [migrant 2] een verblijfsvergunning verleend voor het verblijfsdoel ‘verblijf als kennismigrant’. De vergunning was geldig van 7 oktober 2010 tot 7 oktober 2015. De arbeidsmarktaantekening bij de vergunning luidt: ‘Tewerkstellingsvergunning niet vereist; andere arbeid niet toegestaan’. De vergunning is verleend op basis van de dienstbetrekking in de functie van Design Manager bij de onderneming [onderneming 1] Op 12 juli 2010 wordt namens [onderneming 1] een aanvraag voor een MVV, en gezien de verleende vergunning door de IND begrepen als ook een aanvraag verblijfsvergunning, voor [migrant 2] ingediend. In deze aanvraag is vermeld dat [migrant 2] per 1 augustus 2010 in dienst treedt bij [onderneming 1] als Design Manager. De MVV-aanvraag is op 2 juli 2010 namens [onderneming 1] ondertekend door [directeur onderneming 1] . Bij de aanvraag is als bijlage gevoegd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 1] , vertegenwoordigd door [directeur onderneming 1] , en [migrant 2] . Deze overeenkomst is op 19 april 2010 opgemaakt en ondertekend en houdt onder meer in dat [migrant 2] met ingang van 1 augustus 2010 voor 38 uur per week en tegen een brutomaandsalaris van € 2.850,- als Design Manager gaat werken. Arbeidsinspecteurs van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien op 13 juli 2011 omstreeks 18.40 uur dat [migrant 2] aanwezig is in een massagesalon ‘ [naam massagesalon] ’. Tijdens de controle overhandigde de eigenaresse, [naam eigenaresse] , onder andere een detacheringsovereenkomst tussen [onderneming 1] en [naam massagesalon] met betrekking tot [migrant 2] . Arbeidsinspecteurs zien ook dat [migrant 2] bij dezelfde massagesalon aanwezig is op 4 november 2011 (omstreeks 11.00 uur) en 10 november 2011 (omstreeks 15.55 uur). [mr. naam 1] bericht de IND op 4 mei 2012 dat [migrant 2] met ingang van 15 mei 2012 een nieuwe werkgever heeft, te weten [onderneming 2] Bij deze brief is een ‘Aanvraag Afmelding kennismigrant’ gevoegd waarin [directeur onderneming 1] namens [onderneming 1] verklaart dat [migrant 2] bij [onderneming 2] in dienst treedt per 15 mei 2012. Ook is als bijlage bijgevoegd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 2] , vertegenwoordigd door [directeur onderneming 2] , en [migrant 2] . Deze overeenkomst is op 15 april 2012 opgemaakt en ondertekend en houdt onder meer in dat [migrant 2] met ingang van 15 mei 2012 voor 40 uur per week tegen een brutomaandsalaris van € 2.850,- als designer gaat werken. Het dossier bevat ook tapgesprekken met betrekking tot [migrant 2] . Op 16 januari 2013 vanaf 22:51 uur belt [directeur onderneming 2] ( [afkorting] ) met [verdachte] ( [afkorting] ). “ [afkorting] : meisje gaat morgen naar China ze moet geld hebben [afkorting] : dat heb ik gehoord hoeveel moet ze hebben 1000 euro of 2000 [afkorting] : ze moet 2000 hebben ze wacht op mij (…) [afkorting] : ik kan nu geven ik kan nu geven ik ga nu naar huis en dan nu binnen kwartier tien minuten brengen daar [afkorting] : ja oke in de dapperstraat he” Vervolgens belt [verdachte] om 23:16 uur met [migrant 2] en zegt tegen haar: “de Turk wil jou 2000 schenken (…) ja [naam 3] ”. Op 13 juni 2013 is de woning van [verdachte] aan [adres 4] doorzocht. Tijdens die doorzoeking is een salarisspecificatie van [onderneming 1] op naam van [migrant 2] aangetroffen waarop staat vermeld dat het nettoloon van [migrant 2] in februari 2012 € 2.411,83 bedroeg. Ook zijn bij die doorzoekingen salarisspecificaties van [onderneming 2] op naam van [migrant 2] aangetroffen. Volgens die specificaties zou [migrant 2] als nettoloon hebben ontvangen € 1.165,68 (mei 2012) en € 2.034,89 (juni, juli, oktober en november 2012). Tijdens diezelfde doorzoeking is een op 15 april 2012 ondertekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 2] en [migrant 2] aangetroffen. Volgens die overeenkomst zou [migrant 2] op 15 mei 2012 in dienst treden als designer. De overeenkomst is ondertekend door [migrant 2] en namens [onderneming 2] door [directeur onderneming 2] . Op 13 juni 2013 is ook een BMW X3, in gebruik bij [verdachte] , doorzocht. Daarin is een geopende envelop van de IND aan [migrant 2] aangetroffen met daarin onder andere de beschikking van de IND van 11 maart 2013 dat de verblijfsvergunning van [migrant 2] wordt ingetrokken. De arbeidsovereenkomst tussen [migrant 2] en [onderneming 2] die in de woning van [verdachte] is aangetroffen (salaris € 2.850,-) wijkt af van de arbeidsovereenkomst tussen deze partijen die bij [onderneming 2] is aangetroffen (salaris € 2.900,-). Conclusie [migrant 2] De rechtbank concludeert op basis van de bevindingen met betrekking tot [migrant 2] , [onderneming 1] en [onderneming 2] dat de dienstverbanden van [migrant 2] met [onderneming 1] en [onderneming 2] fictief zijn en dat [verdachte] daarbij betrokken is geweest. [migrant 2] zou vanaf 1 augustus 2010 in dienst treden bij [onderneming 1] als designer. Het loon van [migrant 2] dat aan het UWV is doorgegeven (€ 1.950,-) is aanzienlijk lager dan het contractuele loon dat [migrant 2] zou zijn overeengekomen (€ 2.850,-). Uit de verklaring van [naam getuige] blijkt dat er voor [onderneming 1] geen reden was om een Chinese kennismigrant als designer aan te nemen. Ook bieden de bevindingen van de bankrekeningen van [onderneming 1] geen steun dat ten tijde van het dienstverband van [migrant 2] nog sprake was van reguliere bedrijfsactiviteiten. Daarbij komt dat [onderneming 1] in december 2011 haar activiteiten formeel heeft gestaakt en [migrant 2] over de maanden januari en februari 2012 nog loon uitbetaald heeft gekregen. Uit de gegevens van het UWV blijkt bovendien dat de betaling over februari 2012 niet aan het UWV is doorgegeven. [migrant 2] is ook niet werkend aangetroffen bij [onderneming 1] , maar wel bij [naam massagesalon] , waar zij op basis van een detacheringsovereenkomst zou hebben gewerkt. Vervolgens zou [migrant 2] vanaf 15 mei 2012 als designer aan de slag gaan bij [onderneming 2] Voor [onderneming 2] was het niet nodig om een Chinese kennismigrant als designer aan te nemen, omdat [getuige 1] deze werkzaamheden al verrichte. Uit de verklaring van [getuige 1] en [bedrijfsleider] bij de politie volgt ook dat er geen Chinezen bij [onderneming 2] werkten. Gezien de beperkte omvang van het personeelsbestand is het niet geloofwaardig dat er wel Chinezen voor [onderneming 2] zouden hebben gewerkt, maar dat zij hier beiden niet van geweten zouden hebben. De rechtbank gaat uit van de verklaringen van [getuige 1] en [bedrijfsleider] die bij de politie zijn afgelegd, en niet de latere verklaringen bij de rechter-commissaris, omdat de verklaringen bij de politie eerder zijn afgelegd en er daardoor nog geen overleg met of beïnvloeding door anderen op die verklaringen heeft kunnen plaatsvinden. De betrokkenheid van [verdachte] bij de strafbare feiten rond [migrant 2] blijkt naast zijn algemene betrokkenheid bij [onderneming 1] uit de bij hem aangetroffen valse documenten met betrekking tot [migrant 2] en de weergegeven telefoongesprekken. Daarbij hecht de rechtbank in het bijzonder ook waarde aan de omstandigheid dat de valse arbeidsovereenkomst met [onderneming 2] , die in de woning van [verdachte] is aangetroffen, inhoudelijk overeenkomt met de arbeidsovereenkomst die bij de IND is ingediend (terwijl die afwijkt van de bij [onderneming 2] aangetroffen overeenkomst). Samenvattend vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [directeur onderneming 1] de IND en de Nederlandse Staat heeft opgelicht door hen te bewegen tot afgifte van een MVV en een verblijfsvergunning voor [migrant 2] op grond van het fictieve dienstverband van [migrant 2] met [onderneming 1] Daardoor zijn [verdachte] en [directeur onderneming 1] [migrant 2] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland. [verdachte] is [migrant 2] ook uit winstbejag (zie hierna in rubriek 5.4.4.6) behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland door haar te voorzien van valse dienstverbanden met [onderneming 1] en [onderneming 2] Daarnaast heeft [verdachte] een valse salarisspecificatie van [onderneming 1] ten name van [migrant 2] voorhanden gehad. Samen met [directeur onderneming 2] heeft hij ook een valse arbeidsovereenkomst tussen [onderneming 2] en [migrant 2] en valse salarisspecificaties van [onderneming 2] ten name van [migrant 2] voorhanden gehad. 5.4.4.3. [migrant 3] ( [onderneming 1] en [onderneming 2] ) De IND heeft bij beschikking van 16 november 2010 aan de Chinees [migrant 3] een verblijfsvergunning verleend voor het verblijfsdoel ‘verblijf als kennismigrant’. De vergunning was geldig van 7 oktober 2010 tot 7 oktober 2015. De arbeidsmarktaantekening bij de vergunning luidt: ‘Tewerkstellingsvergunning niet vereist; andere arbeid niet toegestaan’. De vergunning is verleend op basis van de dienstbetrekking in de functie van Technical Manager bij de onderneming [onderneming 1] Op 3 juni 2010 wordt namens [onderneming 1] een aanvraag voor een MVV en verblijfsvergunning voor [migrant 3] ingediend. In deze aanvraag is vermeld dat [migrant 3] per 1 juli 2010 in dienst treedt bij [onderneming 1] als Technical Manager. De MVVaanvraag is op 27 mei 2010 namens [onderneming 1] ondertekend door [directeur onderneming 1] . Bij de aanvraag is als bijlage gevoegd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 1] , vertegenwoordigd door [directeur onderneming 1] , en [migrant 3] . Deze overeenkomst is op 19 april 2010 opgemaakt en ondertekend en houdt onder meer in dat [migrant 3] met ingang van 1 juli 2010 voor 38 uur per week en tegen een brutomaandsalaris van € 2.850,- als Technical Manager gaat werken. [mr. naam 1] bericht de IND op 4 mei 2012 dat [migrant 3] met ingang van 15 mei 2012 een nieuwe werkgever heeft, te weten [onderneming 2] Bij deze brief is een ‘Aanvraag Afmelding kennismigrant’ gevoegd waarin [directeur onderneming 1] namens [onderneming 1] verklaart dat [migrant 3] bij [onderneming 2] in dienst treedt per 15 mei 2012. Ook is als bijlage bijgevoegd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 2] , vertegenwoordigd door [directeur onderneming 2] , en [migrant 3] . Deze overeenkomst is op 15 april 2012 opgemaakt en ondertekend en houdt onder meer in dat [migrant 3] met ingang van 15 mei 2012 voor 40 uur per week tegen een brutomaandsalaris van € 2.850,- als technischer manager gaat werken. Op 13 juni 2013 is de woning van [verdachte] aan [adres 4] doorzocht. Tijdens die doorzoeking is een salarisspecificatie van [onderneming 1] op naam van [migrant 3] aangetroffen waarop staat vermeld dat het nettoloon van [migrant 3] in februari 2012 € 2.411,83 bedroeg. Ook zijn bij die doorzoekingen salarisspecificaties van [onderneming 2] op naam van [migrant 3] aangetroffen. Volgens die specificaties zou [migrant 3] als nettoloon hebben ontvangen € 1.165,68 (mei 2012) en € 2.034,89 (juni, juli, oktober en november 2012). Tijdens diezelfde doorzoeking is een op 15 april 2012 ondertekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 2] en [migrant 3] aangetroffen. Volgens die overeenkomst zou [migrant 3] op 15 mei 2012 in dienst treden als technischer manager. De overeenkomst is ondertekend door [migrant 3] en namens [onderneming 2] door [directeur onderneming 2] . De arbeidsovereenkomst tussen [migrant 3] en [onderneming 2] die in de woning van [verdachte] is aangetroffen (salaris € 2.850,-) wijkt af van de arbeidsovereenkomst tussen deze partijen die bij [onderneming 2] is aangetroffen (salaris € 2.900,-). Conclusie [migrant 3] De rechtbank concludeert op basis van de bevindingen met betrekking tot [migrant 3] , [onderneming 1] en [onderneming 2] dat de dienstverbanden van [migrant 3] met [onderneming 1] en [onderneming 2] fictief zijn en dat [verdachte] daarbij betrokken is geweest. [migrant 3] zou vanaf 1 juli 2010 in dienst treden bij [onderneming 1] als technisch manager. Het loon van [migrant 3] dat aan het UWV is doorgegeven (€ 1.950,-) is aanzienlijk lager dan het contractuele loon dat [migrant 3] zou zijn overeengekomen (€ 2.850,-). [naam getuige] kent [migrant 3] niet, terwijl zij gelijktijdig in dienst zouden zijn geweest bij [onderneming 1] Ook bieden de bevindingen van de bankrekeningen van [onderneming 1] geen steun dat ten tijde van het dienstverband van [migrant 3] nog sprake was van reguliere bedrijfsactiviteiten. Daarbij komt dat [onderneming 1] in december 2011 haar activiteiten formeel heeft gestaakt en [migrant 3] over de maanden januari en februari 2012 nog loon uitbetaald heeft gekregen. Uit de gegevens van het UWV blijkt bovendien dat de betaling over februari 2012 niet aan het UWV is doorgegeven. Vervolgens zou [migrant 3] vanaf 15 mei 2012 als technisch manager aan de slag gaan bij [onderneming 2] Uit de verklaring van [getuige 1] en [bedrijfsleider] volgt dat er geen Chinezen bij [onderneming 2] werkten. Gezien de beperkte omvang van het personeelsbestand is het niet geloofwaardig dat er wel Chinezen voor [onderneming 2] zouden hebben gewerkt, maar dat zij hier beiden niet van geweten zouden hebben. De betrokkenheid van [verdachte] bij de strafbare feiten rond [migrant 3] blijkt naast zijn algemene betrokkenheid bij [onderneming 1] uit de bij hem aangetroffen valse documenten met betrekking tot [migrant 3] . Daarbij hecht de rechtbank in het bijzonder ook waarde aan de omstandigheid dat de valse arbeidsovereenkomst met [onderneming 2] die in de woning van [verdachte] is aangetroffen inhoudelijk overeen komt met de arbeidsovereenkomst die bij de IND is ingediend (terwijl die afwijkt van de bij [onderneming 2] aangetroffen overeenkomst). Samenvattend vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [directeur onderneming 1] de IND en de Nederlandse Staat heeft opgelicht door hen te bewegen tot afgifte van een MVV en een verblijfsvergunning voor [migrant 3] op grond van het fictieve dienstverband van [migrant 3] met [onderneming 1] Daardoor zijn [verdachte] en [directeur onderneming 1] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland. [verdachte] is [migrant 3] ook uit winstbejag (zie onder 5.4.4.6) behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland door hem te voorzien van valse dienstverbanden met [onderneming 1] en [onderneming 2] Daarnaast heeft [verdachte] een valse salarisspecificatie van [onderneming 1] ten name van [migrant 3] voorhanden gehad en samen met [directeur onderneming 2] een valse arbeidsovereenkomst tussen [onderneming 2] en [migrant 3] en valse salarisspecificaties van [onderneming 2] ten name van [migrant 3] voorhanden gehad. 5.4.4.4. [migrant 4] ( [onderneming 1] en [onderneming 2] ) De IND heeft bij beschikking van 2 september 2010 aan de Chinese [migrant 4] een verblijfsvergunning verleend voor het verblijfsdoel ‘verblijf als kennismigrant’. De vergunning was geldig van 6 augustus 2010 tot 6 augustus 2015. De arbeidsmarktaantekening bij de vergunning luidt: ‘Tewerkstellingsvergunning niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. De vergunning is verleend op basis van de dienstbetrekking in de functie van Sales Manager bij de onderneming [onderneming 1] De IND ontvangt op 9 augustus 2010 een aanvraag voor een verblijfsvergunning met een MVV. In deze aanvraag is vermeld dat [migrant 4] per 1 april 2010 in dienst treedt bij [onderneming 1] als Sales Manager. De aanvraag is op 28 juli 2010 namens [onderneming 1] ondertekend door [directeur onderneming 1] . Bij de aanvraag is als bijlage gevoegd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 1] , vertegenwoordigd door [directeur onderneming 1] , en [migrant 4] . Deze overeenkomst is op 15 januari 2010 opgemaakt en door [directeur onderneming 1] en [migrant 4] ondertekend en houdt onder meer in dat [migrant 4] met ingang van 1 april 2010 voor 38 uur per week en tegen een brutomaandsalaris van € 2.850,- als Sales Manager gaat werken. [migrant 4] is op 26 juli 2011 werkend aangetroffen bij [restaurant] . Tijdens die controle is een detacheringsovereenkomst getoond tussen [restaurant] en [onderneming 1] voor acht uur per week. Op 13 juni 2013 is de woning van [verdachte] aan [adres 4] doorzocht. Tijdens die doorzoeking is een op 15 april 2012 ondertekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [onderneming 2] en [migrant 4] aangetroffen. Volgens die overeenkomst zou [migrant 4] op 15 mei 2012 in dienst treden als sales manager. De overeenkomst is ondertekend door [migrant 4] en namens [onderneming 2] door [directeur onderneming 2] . Bij diezelfde doorzoeking is ook een salarisspecificatie van [onderneming 1] op naam van [migrant 4] aangetroffen waarop staat vermeld dat het nettoloon van [migrant 4] in februari 2012 € 2.411,83 bedroeg. Conclusie [migrant 4] De rechtbank concludeert op basis van de bevindingen met betrekking tot [migrant 4] , [onderneming 1] en [onderneming 2] dat de dienstverbanden van [migrant 4] bij [onderneming 1] en [onderneming 2] fictief zijn en dat [verdachte] hierbij betrokken is geweest. [migrant 4] zou vanaf 1 april 2010 aan de slag gaan als sales manager bij [onderneming 1] Het loon van [migrant 4] dat aan het UWV is doorgegeven (€ 1.950,-) is aanzienlijk lager dan het contractuele loon dat [migrant 4] zou zijn overeengekomen (€ 2.850,-). Zoals de getuige [naam getuige] verklaarde is het niet handig om een Chinese sales manager in Nederland aan te stellen. Ook kent [naam getuige] [migrant 4] niet, terwijl zij enkele maanden gelijktijdig in dienst zouden zijn geweest bij [onderneming 1] Ook bieden de bevindingen van de bankrekeningen van [onderneming 1] geen steun dat ten tijde van het dienstverband van [migrant 4] nog sprake was van reguliere bedrijfsactiviteiten. Daarbij komt dat [onderneming 1] in december 2011 haar activiteiten formeel heeft gestaakt en [migrant 4] over de maanden januari en februari 2012 nog loon uitbetaald heeft gekregen. Uit de gegevens van het UWV blijkt bovendien dat de betaling over februari 2012 niet aan het UWV is doorgegeven. [migrant 4] is ook niet werkend aangetroffen bij [onderneming 1] , maar wel bij een [restaurant] , waar zij door [onderneming 1] gedetacheerd was. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [migrant 4] voor [onderneming 2] heeft gewerkt, anders dan de bij [verdachte] aangetroffen arbeidsovereenkomst. Uit het dossier volgt juist dat [migrant 4] daar niet heeft gewerkt. Zo is het dienstverband niet bekend bij het UWV en verklaren de medewerkers [bedrijfsleider] en [getuige 1] dat er geen Chinese personen bij [onderneming 2] hebben gewerkt. De betrokkenheid van [verdachte] bij de strafbare feiten rond [migrant 4] blijkt naast zijn algemene betrokkenheid bij [onderneming 1] uit de bij hem aangetroffen valse documenten met betrekking tot [migrant 4] . Samenvattend vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [directeur onderneming 1] de IND en de Nederlandse Staat heeft opgelicht door hen te bewegen tot afgifte van een MVV en een verblijfsvergunning voor [migrant 4] op grond van het fictieve dienstverband van [migrant 4] met [onderneming 1] Daardoor zijn [verdachte] en [directeur onderneming 1] [migrant 4] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland. [verdachte] is [migrant 4] ook uit winstbejag (zie hierna in rubriek 5.4.4.6) behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland. Daarnaast heeft [verdachte] een valse salarisspecificatie van [onderneming 1] ten name van [migrant 4] voorhanden gehad en samen met [directeur onderneming 2] een valse arbeidsovereenkomst tussen [onderneming 2] en [migrant 4] voorhanden gehad. 5.4.4.5. [migrant 5] ( [onderneming 1] ) Uit het dossier blijkt dat [migrant 5] een arbeidsovereenkomst zou zijn aangegaan met [onderneming 1] en dat zij een verblijfsvergunning heeft gekregen om als kennismigrant bij [onderneming 1] te werken. Het dossier bevat daarbij ook aanwijzingen dat – net als bij de andere kennismigranten – sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat [verdachte] betrokkenheid heeft gehad bij het verschaffen van verblijf in Nederland door [migrant 5] en/of bij het laten afgeven van een verblijfsvergunningen voor [migrant 5] door de IND. Het gegeven dat de rechtbank bij andere kennismigranten die betrokkenheid wel kan vaststellen is onvoldoende om dat ook bij [migrant 5] vast te stellen. Het gevolg daarvan is dat de rechtbank de feiten 1 en 3 ten aanzien van [migrant 5] niet bewezen vindt en [verdachte] van die onderdelen zal vrijspreken. 5.4.4.6. Winstbejag en gewoonte De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] [migrant 1] , [migrant 2] , [migrant 3] en [migrant 4] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf. De gang van zaken bij [migrant 1] laat duidelijk zien dat de door [verdachte] geboden ‘hulp’ (mede) gericht was om er zelf financieel beter van te worden. De casus van [migrant 1] biedt daarbij steun voor het oordeel dat ook bij de andere kennismigranten sprake was van winstbejag. De rechtbank vindt ook bewezen dat [verdachte] een gewoonte heeft gemaakt van mensensmokkel en het uit winstbejag behulpzaam zijn van anderen bij het zich verschaffen van verblijf. Daarvoor is van belang dat bewezen is dat [verdachte] de feiten jarenlang en met betrekking tot meerdere personen heeft begaan. Ook betrekt de rechtbank daarbij dat [verdachte] , nadat [onderneming 1] stopte, er met fictieve dienstverbanden bij [onderneming 2] voor heeft gezorgd heeft dat de kennismigranten langer in Nederland konden blijven. 5.4.5. De overige feiten Feit 2: arbeidsovereenkomst tussen [familieholding I] en [migrant 4] Op 13 juni 2013 is de woning van [verdachte] aan [adres 1] doorzocht en daarbij is ook een arbeidsovereenkomst van 15 maart 2013 aangetroffen tussen [migrant 4] en [familieholding I] (pag. 100.2205-2206, ALG.046). Het dossier bevat onvoldoende informatie om vast te stellen dat sprake is van een valse arbeidsovereenkomst, zodat [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken. Feit 2: Chinese rijbewijzen op naam van [persoon 1] en [persoon 2] Op 13 juni 2013 is de auto van [verdachte] doorzocht en daarbij zijn Chinese rijbewijzen aangetroffen op naam van [persoon 1] en [persoon 2] . Deze rijbewijzen zijn door een expert van de RDW onderzocht om te kijken of sprake is van valse rijbewijzen (pag. 100.2736-2740, ALG.159). De expert concludeert dat sprake is van valse rijbewijzen, gelet op de door hem geconstateerde afwijkingen ten opzichte van de originele controledocumenten. Die afwijkingen betreffen: De ondergrondbedrukking van beide aangetroffen rijbewijzen weken op dezelfde onderdelen af van de controledocumenten; De zwarte opdruk op de voor- en achterkant waren aangebracht middels een matige kwaliteit offset, terwijl dat bij de controledocumenten niet het geval was; De rode bedrukking was aangebracht met twee verschillende rode inkten, terwijl dat bij de controledocumenten met één rode inkt is gebeurd; De beveiliging in het laminaat is opgebouwd uit ‘ronde’ punten, terwijl die bij de controledocumenten is opgebouwd uit ‘ovale’ punten; De rijbewijzen vertonen aan de voor- en achterkant een afwijkende reactie ten opzichte van de controledocumenten als ze worden aangestraald met een ultraviolette lichtbron met een golflente van 365 nanometer. De rechtbank kan op basis van deze bevindingen vaststellen dat sprake is van valse rijbewijzen. De rechtbank kan ook vaststellen dat [verdachte] deze valse rijbewijzen voorhanden heeft gehad. De door de expert vastgestelde valsheden zijn echter zo specifiek dat iemand die geen expert is – zoals waarschijnlijk [verdachte] – niet kan zien dat sprake is van valse rijbewijzen. Omdat ook andere bewijsmiddelen ontbreken waaruit de rechtbank kan vaststellen dat [verdachte] van deze valsheden wist of redelijkerwijs geweten moet hebben, kan niet worden bewezen dat [verdachte] opzettelijk valse rijbewijzen voorhanden heeft gehad. [verdachte] zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. 5.4.6. Ondervragingsrecht [directeur onderneming 1] en [directeur onderneming 2] Door de verdediging is verzocht om de getuigen [directeur onderneming 1] en [directeur onderneming 2] te horen. De rechtbank heeft in een eerder stadium aangenomen dat de verdediging belang heeft bij het horen van deze getuigen en deze getuigenverzoeken toen toegewezen. De rechtbank stelt ook vast dat de verdediging uiteindelijk niet in de gelegenheid is geweest om [directeur onderneming 1] en [directeur onderneming 2] te ondervragen, zonder dat later geoordeeld is dat het verdedigingsbelang niet meer aanwezig was. Dit leidt tot de vaststelling dat de verdediging haar ondervragingsrecht voor wat betreft deze getuigen niet heeft kunnen uitoefenen. De vraag is of daaraan rechtsgevolgen verbonden moeten worden. De verdediging verzoekt [verdachte] vrij te spreken, omdat zij deze getuigen niet heeft kunnen ondervragen en aan hen zo geen vragen kon stellen ter onderbouwing van de onschuld van [verdachte] . De rechtbank vindt in dit geval dat aan de schending van het ondervragingsrecht geen rechtsgevolgen verbonden hoeven te worden. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [directeur onderneming 1] en [directeur onderneming 2] , voor zover zij hebben verklaard, geen belastende verklaringen zijn en de rechtbank heeft deze verklaringen ook niet voor het bewijs gebruikt. 6Zaaksdossier 1B Chinese Workers (feiten 1 en 3) 6.1. Inleiding op het zaaksdossier Het zaaksdossier Chinese Workers richt zich op mogelijke strafbare feiten rond de komst van vier Chinezen die op basis van horecaconvenanten een verblijfsvergunning hebben gekregen om als Chinese kok in Nederland te werken. Het gaat om [kok 1] , [kok 2] , [kok 3] en [kok 4] . Om het tekort aan Aziatische koks in Nederland tijdelijk op te vullen zijn horecaconvenanten opgesteld om onder andere Chinese koks naar Nederland te laten komen. In 2000 trad het ‘Convenant Personeelsvoorziening Chinees-Indische horeca’ in werking, in 2006 trad een gewijzigd ‘Convenant Personeelsvoorziening Aziatische horeca’ in werking en in 2014 trad het ‘Convenant Aziatische Horeca’ in werking. In deze convenanten werden afspraken vastgesteld onder welke voorwaarden Aziatische koks naar Nederland konden komen en aan welke voorwaarden de Nederlandse horecabedrijven moesten voldoen. Chinese koks die naar Nederland wilden komen om onder deze convenanten te werken werden via detacheringsbureau [uitzendbureau] gedetacheerd bij een Aziatisch restaurant. Als feit 1 is – voor wat betreft het zaaksdossier Chinese Workers – ten laste gelegd dat [verdachte] de vier Chinese Workers samen met anderen behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland en/of uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland. Voor alle vier de Chinese Workers geldt dat zij zouden hebben gewerkt in (hotel)restaurants van de [familie 1] . [kok 2] zou vervolgens ook als kennismigrant gewerkt hebben bij de [familieholding I] Als feit 3 is – voor wat betreft het zaaksdossier Chinese Workers – ten laste gelegd dat [verdachte] samen met anderen de IND en de Nederlandse Staat heeft opgelicht waardoor die zijn bewogen tot de afgifte van verblijfsvergunningen aan [kok 3] en [kok 4] . 6.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt alle feiten van dit zaaksdossier bewezen. De Chinese Workers hebben ten onrechte verblijfsvergunningen gekregen doordat zij werden gepresenteerd als ervaren Chinese koks, terwijl dat niet het geval was. Daarbij is gebruik gemaakt van valse documenten en van kokscertificaten die op onjuiste gronden zijn verstrekt, omdat de Chinese Workers niet aan de gestelde criteria voldeden. De vergunningsaanvragen zijn gedaan met de bedoeling om de Chinese Workers toegang tot en verblijf in Nederland te verschaffen. Uit het strafdossier volgt dat de Chinese Workers niet feitelijk werkzaam zijn geweest als kok en ook niet voldeden aan de eis dat zij minimaal twee jaar werkervaring hadden na het behalen van hun diploma. De officier van justitie vindt daarbij de eerste verklaringen van de Chinese Workers betrouwbaar, omdat zij daarin uitgebreid en zonder twijfel verklaren. De omstandigheid dat de IND in bezwaarprocedures de intrekking van de verblijfsvergunningen van [kok 2] , [kok 3] en [kok 4] ongedaan heeft gemaakt, maakt voor de officier van justitie niet dat niet bewezen is dat sprake is van mensensmokkel en oplichting. 6.3. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat niet is bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De IND heeft in december 2018 wat betreft [kok 2] , [kok 3] en [kok 4] geoordeeld dat in bezwaar is gebleken dat zij hebben voldaan aan de voorwaarden van de aan hen verleende verblijfsvergunningen. Dit maakt dat ten aanzien van deze Chinese Workers geen sprake is van wederrechtelijke toegang tot Nederland of wederrechtelijk verblijf in Nederland, zodat [verdachte] om die reden met worden vrijgesproken van dit feit. Wat betreft [kok 1] is van belang dat hij Nederland al had verlaten voordat de IND het voornemen had geuit om de verblijfsvergunning in te trekken. De IND heeft uiteindelijk nooit een beslissing genomen over de wederrechtelijkheid van het verkrijgen van toegang tot Nederland, zodat om die reden [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken. Daarnaast moet vrijspraak volgen, gelet op de samenhang met [kok 2] , [kok 3] en [kok 4] en in die zaken is gebleken dat geen sprake was van wederrechtelijke toegang. Ook blijkt uit het dossier dat [kok 1] weldegelijk als kok heeft gewerkt in restaurants waar Chinese gerechten worden bereid. 6.4. Oordeel van de rechtbank 6.4.1. Chinese Workers De rechtbank stelt voorop dat zij als strafrechter niet gebonden is aan de beslissingen op bezwaar, waarbij de verblijfsvergunningen van [kok 2] , [kok 3] en [kok 4] toch niet zijn ingetrokken. De rechtbank moet op basis van het strafdossier zelfstandig beoordelen of sprake is geweest van wederrechtelijk(
- e)toegang tot of verblijf in Nederland. Horecaconvenanten Uit de getuigenverklaringen van [directrice uitzendbureau] , directrice van [uitzendbureau] (GET.061 en GET.085), maakt de rechtbank op dat in China gecontroleerd werd of een potentiële Chinese Worker voldeed aan de criteria om op basis van de horecaconvenanten in Nederland te komen werken. De rechtbank kan op basis van de convenanten uit 2000 en 2006 niet vaststellen dat voor Chinese Workers ervaringseisen golden. In het convenant uit 2014 wordt afhankelijk van de functie wel gesproken over de ervaring van de kok na het behalen van het diploma. Het dossier bevat mededelingen van [naam beleidsadviseur] , beleidsadviseur bij Koninklijke Horeca Nederland (ALG.531). [naam beleidsadviseur] geeft aan dat het opleidingsniveau van de koks ook in de convenanten uit 2000 en 2006 gelijk moest zijn aan de opleidingsniveaus van Nederlandse koks zoals omschreven in het convenant uit 2014. De rechtbank kan hieruit niet afleiden dat de ervaringseisen uit 2014 ook al vanaf 2000 of 2006 golden, al was het maar omdat het convenant uit 2014 apart ervaringseisen vermeldt naast opleidingseisen. [naam beleidsadviseur] deelde ook mee dat in de oude convenanten gesproken werd over ‘basis- en specialiteitenkoks’ en dat dit voor interpretatie vatbaar was en dat daar gebruik van is gemaakt. De rechtbank leidt hieruit af dat in elk geval tot 2014 sprake was van een regeling met multi-interpretabele normen en dat belangrijke controles wat betreft de kwaliteit van de Chinese koks in China plaatsvonden. Dit is ook van belang omdat voor alle vier de Chinese Workers geldt dat zij voor 2014 naar Nederland zijn gekomen en dus onder de convenanten uit 2000 en/of 2006 vielen. Verklaringen Chinese Workers [kok 3] verklaarde in zijn eerste verhoor ( [afkorting] _G68.VDE.001) dat hij in China benaderd werd door [vader] die aangaf dat hij in zijn restaurant in Nederland meer kon verdienen en dat toen de procedure is opgestart. Ondertussen behaalde hij in China een certificaat bij een koksschool. Vervolgens is hij in 2005 naar Nederland gekomen en gaan werken in een restaurant van de [familie 1] in Utrecht. Na 34 maanden is hij teruggegaan naar China en in 2009 is hij teruggekomen en gaan werken in een restaurant van de [zoon 2] . Ten tijde van het verhoor (oktober 2014) werkte hij nog niet zo lang als klusjesman, daarvoor werkte hij als kok. [kok 1] verklaarde in zijn eerste verhoor ( [afkorting] _J68.VDE.001) dat hij in China in de praktijk geleerd heeft om kok te worden. Rond 2005/2006 heeft hij in China een certificaat, niveau 4, behaald. [zoon 2] had hem gevraagd naar Nederland te komen en in 2006 is hij naar Nederland gegaan en in een restaurant in Utrecht gaan werken (beetje wokken, schoonmaken, wassen; het gaat om salades en dat soort gerechten; borden wassen het meest). In het jaar 2011 is hij opnieuw naar Nederland gekomen en toen bij het [hotel 4] gaan werken (borden en groente wassen), waarbij hij het hulpje van de chefkok was. [kok 2] verklaarde in zijn eerste verhoor ( [afkorting] _X62.VDE.001) dat hij in 2008 naar Nederland is gekomen en dat [zoon 2] zijn vergunning had geregeld. Ten tijde van het verhoor (oktober 2014) werkte hij als reparateur, maar hij was begonnen in de keuken als Chinese kok. Nadat zijn verblijfstitel veranderd kon worden, is hij van baan veranderd. [kok 2] is in het eerste verhoor niet uitdrukkelijk gevraagd naar een kokscertificaat, maar verklaart een half jaar later, in zijn derde verhoor ( [afkorting] _X62.VDE.003), een koksdiploma gehaald te hebben, zodat hij in het buitenland kon werken. [kok 4] verklaarde in zijn eerste verhoor ( [afkorting] _01.VDE.001) dat hij in 2008 naar Nederland is gekomen en dat hij hier als kok kon gaan werken. Hij had in China een kokstraining gevolgd en een kokscertificaat behaald. Hij heeft in Nederland alleen als kok gewerkt en werkt bij het [hotel 3] . Uit deze verklaringen komt naar voren dat alle Chinese Workers in hun eerste verhoor hebben verklaard naar Nederland te zijn gekomen om als kok, of in elk geval in de keuken te werken. [kok 3] , [kok 1] en [kok 4] verklaren ook al in hun eerste verhoor over een kokscertificaat dat zij in China hebben behaald en [kok 2] verklaarde hier uiteindelijk ook over. Tussenconclusie De Chinese Workers zijn naar Nederland gekomen op basis van regelingen met muliti-interpretabele normen en uit de verklaringen van de Chinese Workers komt naar voren dat zij in China een kokscertificaat hebben behaald en in Nederland in de keuken hebben gewerkt. Dat het in elk geval op papier in orde was blijkt ook uit het feit dat de controlerende instanties op basis van de papieren hebben geoordeeld dat aan alle vereisten/formaliteiten is voldaan en de IND is overgegaan tot het verstrekken van verblijfsvergunningen. Om tegen deze achtergrond tot een veroordeling te komen voor mensensmokkel en/of oplichting is vereist dat vastgesteld kan worden dat de verdachten schijnconstructies hebben opgezet en dat zij dus wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat de verblijfsvergunningen feitelijk in strijd met de regels werden afgegeven. Is er bewijs voor een schijnconstructie? Het dossier bevat verschillende omstandigheden die in dit kader van belang zijn. In de eerste plaats is het opvallend dat de verklaringen van de Chinese Workers in elk geval op onderdelen niet consistent zijn. Dit neemt niet weg dat vanaf het begin door de Chinese Workers gesproken wordt over het verrichten van kookwerkzaamheden. Ook is het opmerkelijk dat arbeidsovereenkomsten zijn opgesteld waarin is vermeld dat [kok 3] als chefkok gaat werken en [kok 4] als souschef. Dat zij dergelijke taken in de keuken zouden hebben uitgevoerd, wordt in het dossier niet bevestigd. Daarmee is echter nog niet vastgesteld dat zij niet aan de vereisten voldeden voor een verblijfsvergunning op grond van de horecaconvenanten. Ook de verklaringen van [manager hotel] en [directeur bedrijf 6] zijn van belang. [manager hotel] (GET.042) was tussen 1 april 2008 tot 1 oktober 2012 manager bij het [hotel 4] . [kok 1] was volgens zijn arbeidsovereenkomst vanaf 16 juni 2011 als frituurkok werkzaam bij dit hotel. [manager hotel] verklaart niet over [kok 1] , maar wel dat er via Chinese Workers een frituurkok bij [hotel 4] werkte. [verdachte] had destijds bepaald dat die nodig was voor het restaurant. Ze denkt dat de frituurkok ‘ [alias 1] ’ heet, maar weet niet of dat een voor- of achternaam is. [directeur bedrijf 6] (GET.059/GET.143) was tussen maart 2007 en maart 2012 directeur van het [hotel 3] . [kok 3] en [kok 4] hebben volgens hun arbeidsovereenkomsten een deel van die periode ook in het [hotel 3] gewerkt. [directeur bedrijf 6] verklaarde in zijn eerste verhoor dat hij [kok 3] niet kende, maar na het tonen van een foto van [kok 3] verklaarde [directeur bedrijf 6] dat diegene klusjes deed, dat hij die nooit in de keuken heeft gezien en dat hij niet voor het [hotel 3] werkte. Over [kok 4] verklaarde hij dat die naam hem niets zei, maar na het tonen van een foto van [kok 4] verklaarde [directeur bedrijf 6] dat dit het neefje van [naam] was. Over het neefje van [naam] verklaarde [directeur bedrijf 6] eerder in het verhoor dat die in de keuken werkte. [directeur bedrijf 6] verklaarde in zijn eerste verhoor echter ook dat hij over het aannemen en de salariëring van het personeel ging, ook wat betreft de bediening in het restaurant, maar dat de [familie 1] wat dat betreft de keuken deed. Hij verklaart ook dat voor het vervuld krijgen van vacatures voor Chinese koks het bedrijf Chinese Workers werd benaderd. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de kokscertificaten van de Chinese Workers vals of vervalst zijn. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachten of iemand met wie zij samenwerkten betrokken zijn geweest bij het op onjuiste gronden laten verstrekken van de kokscertificaten (voor zover daarvan sprake is geweest). Dat betekent ook dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachten van een eventuele onjuiste verstrekking kennis hebben gehad. Daarbij is ook van belang dat deze controles op basis van de horecaconvenanten niet door de uiteindelijke werkgever worden gedaan, maar door de Chinese partnerbedrijven van Chinese Workers B.V. Conclusie Chinese Workers De rechtbank kan niet vaststellen dat [kok 1] , [kok 2] , [kok 3] of [kok 4] niet voldeden aan de voorwaarden om op basis van de horecaconvenanten een verblijfsvergunning te krijgen (en hun toegang tot en verblijf in Nederland wederrechtelijk was). De rechtbank kan in elk geval niet vaststellen dat [verdachte] wist of ernstige reden had te vermoeden dat dit het geval was. Dit betekent dat de rechtbank [verdachte] zal vrijspreken van de feiten 1 en 3, voor zover dat ziet op de Chinese Workers. 6.4.1.1. Dagvaarding deels nietig? De verdediging stelt dat de tenlastelegging van feit 3 op onderdelen onvoldoende duidelijk is wat betreft (ver)vals(t)e salarisspecificaties ten behoeve van [kok 3] en [kok 4] die aan de IND zouden zijn verstrekt. De rechtbank laat dit verweer verder onbesproken, omdat de verdediging geen belang heeft bij de bespreking van dit verweer. Daarvoor zijn van belang de omstandigheid dat de rechtbank [verdachte] zal vrijspreken en de redenen waarom de rechtbank tot die conclusie komt. 6.4.2. Kennismigrant [kok 2] (feit 1) In de tenlastelegging wordt [kok 2] genoemd in het rijtje ‘Chinese workers’. Uit de verfeitelijking volgt evenwel dat de verdenking ook is dat voor hem een verblijfsvergunning als kennismigrant is geregeld. Aanvragen en vergunningen Nadat [kok 2] een verblijfsvergunning als Chinese Worker heeft gehad, is de grondslag van zijn verblijfsvergunning gewijzigd, waardoor [kok 2] per 18 januari 2011 een verblijfstitel kreeg op basis van de kennismigrantenregeling. De aanvraag daarvoor werd gedaan op 13 januari 2011 en daarbij werd onder meer een arbeidsovereenkomst tussen [kok 2] en de [familieholding I] van 22 december 2010 overgelegd, waarin staat dat [kok 2] per 15 januari 2011 manager wordt tegen een brutomaandloon van € 4.000,-. Per 23 november 2012 is de verblijfsvergunning gewijzigd, waardoor de beperking van de verblijfsvergunning van [kok 2] werd ‘Arbeid in Loondienst. Arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist.’ De aanvraag voor deze wijziging werd door [kok 2] op 11 november 2012 ondertekend en daarbij werd de eerder genoemde arbeidsovereenkomst van 22 december 2010 opnieuw gevoegd. Op 24 juli 2013 heeft [kok 2] een aanvraag voor een verlenging van zijn verblijfsvergunning ondertekend. Bij die aanvraag is een arbeidsovereenkomst tussen [kok 2] en [hotel 3] overgelegd waaruit blijkt dat [kok 2] per 25 april 2013 in dienst is als medewerker technische dienst voor een brutomaandloon van € 1.900,-. Beoordeling Uit de hiervoor beschreven gang van zaken blijkt dat [kok 2] tussen 18 januari 2011 en 23 november 2012 een verblijfsvergunning heeft gehad als kennismigrant. Op 13 januari 2011 en 11 november 2012 is in de richting van de IND een arbeidsovereenkomst gebruikt waarin is opgenomen dat [kok 2] vanaf 15 januari 2011 als manager werkzaam is bij de [familieholding I] en € 4.000,- per maand verdient. Op 24 juli 2013 wordt richting de IND gebruik gemaakt van een arbeidsovereenkomst tussen [kok 2] en [hotel 3] waaruit blijkt dat [kok 2] per 25 april 2013 als medewerker technische dienst € 1.900,- per maand verdient. [verdachte] wordt verweten betrokken te zijn geweest bij het ten onrechte voorwenden dat [kok 2] een kennismigrant was. Op basis van het dossier kan niet vastgesteld worden dat [kok 2] in die periode niet in dienst was van [familieholding I] of dat hij niet het kennismigrantensalaris van € 4.000,- per maand verdiende. In elk geval kan dat niet afgeleid worden uit de omstandigheid dat [kok 2] kort nadat hij een verblijfsvergunning kreeg waarbij arbeid vrij was toegestaan een veel lager salaris ging verdienen. Dit betekent dat [verdachte] ook wordt vrijgesproken van feit 1, voor zover dit ziet op [kok 2] als kennismigrant. 7Feit 4 (verzamelwitwasfeit zaaksdossiers 2B, 2C, 2D en 3D) 7.1. Zaaksdossier 2D Buitenlandse rekeningen 7.1.1. Inleiding op het zaaksdossier In het zaaksdossier Buitenlandse rekeningen staan bankrekeningen van leden van de [familie 1] en enkele contacten van de [familie 1] ( [ex vriendin verdachte] , [familiecontact 1] / [familiecontact 2] ) centraal. Deze bankrekeningen zijn in gebruik geweest vanaf 1989 tot 2007. De tenlasteleggingen van verschillende verdachten houden de verdenking in dat saldi op bankrekeningen op 31 december 2001 (het eindsaldo op de rekening van het jaar waarin witwassen strafbaar is gesteld) zijn witgewassen en/of een witwasverdenking ten aanzien van specifieke contante stortingen op of overboekingen naar een buitenlandse bankrekening. De verdenking tegen [verdachte] betreft het witwassen van de banksaldi op 31 december 2001 op de Luxemburgse codebankrekeningen [codebankrekening 1] en [codebankrekening 2] . Daarnaast spelen een deel van de buitenlandse rekeningen ook een rol bij de verdenkingen rondom [hotel 1] . Die verdenking komt niet bij feit 4 aan de orde, maar hierna bij de bespreking van het zaaksdossier 3A [hotel 1] , in het bijzonder de witwasverdenking van feit 10 (rubriek 9.4.7). 7.1.2. Verjaring 7.1.2.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft bij repliek in reactie op het beroep op verjaring het standpunt ingenomen dat geen sprake is van verjaring. De officier van justitie wijst daarbij op het volgende. De ten laste gelegde witwasfeiten zijn voortdurende delicten. Bij voortdurende delicten begint de verjaringstermijn (bij witwassen 12 jaar) te lopen op de dag na die waarop de verboden toestand (het verbergen/verhullen van buitenlandse banksaldi) wordt beëindigd. Primair stelt de officier van justitie dat de verboden toestand wordt beëindigd op de dag dat de bewuste buitenlandse bankrekening waarop het geldbedrag voorhanden wordt gehouden, wordt opgeheven. Subsidiair stelt de officier van justitie dat wat betreft ten laste gelegde banksaldi per 31 december 2001 de verboden toestand blijft voortduren zolang er geen geld van de rekening wordt gehaald (door opname of overboeking). Wat betreft het stuiten van de verjaring stelt de officier van justitie dat daarvan sprake is vanaf 2012/2013, doordat door de rechter-commissaris op vordering van het Openbaar Ministerie machtigingen zijn verleend voor het opnemen van telecommunicatie en dergelijke machtigingen als vervolgingsdaad moeten worden beschouwd. Daarbij merkt de officier van justitie op dat een stuitingshandeling ook geldt ten aanzien van anderen dan de vervolgde en dat niet is vereist dat de verdachte bekend is met de vervolgingsdaad. Het een en ander brengt voor de officier van justitie mee dat de verjaring van witwassen is gestuit, voordat de verjaring was voltooid. 7.1.2.2. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat het feit is verjaard en in dat kader dat een vordering van het Openbaar Ministerie om van de rechter-commissaris een machtiging te krijgen voor het opnemen van telecommunicatie geen vervolgingsdaad is. De verdediging wijst erop dat voorafgaand aan een wetswijziging in 2006 in de parlementaire geschiedenis wordt verzocht om een zo compleet mogelijke lijst met voorbeelden van vervolgingsdaden en dat daarin de tapmachtiging (of een andere BOB-bevoegdheid) niet wordt genoemd. De eerste vervolgingsdaad die uit het dossier blijkt is de vordering tot inbewaringstelling van [verdachte] (3 oktober 2014). De verdediging verzoekt om die reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van [verdachte] voor wat betreft de periode van 14 december 2001 tot en met 2 oktober 2002. 7.1.2.3. Oordeel van de rechtbank Juridisch kader verjaring Bij een verdenking van gewoontewitwassen geldt dat elk geval van verjaring apart verjaart. De maximumstraf voor witwassen (art. 420bis Sr) was vanaf de inwerkingtreding op 14 december 2001 tot 1 januari 2015 vier jaar en is vanaf 1 januari 2015 zes jaar. De verjaringstermijn van witwassen is daarmee twaalf jaar (art. 70 lid 1 Sr). De verjaringstermijn van witwassen begint op de dag na de dag waarop het feit is gepleegd (art. 71 Sr). De verjaring wordt gestuit door een daad van vervolging richting de vervolgde of een ander. Nadat de verjaring is gestuit begint de verjaringstermijn opnieuw, maar de totale verjaringstermijn is maximaal twee keer de geldende verjaringstermijn (art. 72 Sr). Een daad van vervolging wordt omschreven als iedere formele daad uitgaande van het Openbaar Ministerie of rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken. De rechtbank vindt, net als het Openbaar Ministerie, dat een vordering van het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris om een machtiging te krijgen voor het opnemen van telecommunicatie een daad van vervolging is. De rechtbank ziet steun voor deze conclusie in twee recente arresten van twee verschillende gerechtshoven. Het Openbaar Ministerie brengt met het verrichten van een daad van vervolging tot uitdrukking dat de door het strafbare feit veroorzaakte verstoring van de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist. De focus ligt daarbij op het feit waarvoor wordt vervolgd en niet op degene die ervoor wordt vervolgd. De rechtbank verbindt hieraan de consequentie dat een daad van vervolging niet de verjaring van elk feit waarvan een verdachte wordt verdacht stuit, maar alleen dat feit of die feiten waarop de daad van vervolging betrekking heeft, waarvan de grenzen van dat feit/die feiten worden bepaald door ‘hetzelfde feit’-begrip van artikel 68 Sr. Daarbij geldt dat een verdachte niet bekend hoeft te zijn geworden met de daad van vervolging en een stuitingshandeling richting de ene verdachte stuit ook de verjaring voor een willekeurige andere verdachte van hetzelfde feit. De strafbaarstelling van witwassen bestaat uit zowel aflopende als voortdurende onderdelen. Witwassen door het verwerven, overdragen, omzetten en (in elk geval wat betreft geldbedragen) gebruiken van voorwerpen zijn aflopende delicten. Witwassen door het verbergen/verhullen in de zin van art. 420bis lid 1 onder
- a)en het voorhanden hebben van voorwerpen zijn voortdurende delicten. Uitgangspunten zaaksdossier Buitenlandse rekeningen De rechtbank neemt als vertrekpunt dat de verjaringstermijn bij de voortdurende onderdelen van de tenlastelegging (uiterlijk) begint op de dag na de dag waarop de betreffende bankrekening is opgeheven. De rechtbank is van oordeel dat een daad van vervolging betrekking heeft op een tenlastegelegde witwasgedraging, indien die daad van vervolging betrekking heeft op een buitenlandse rekening waarop zou zijn witgewassen (en dus is opgenomen in de tenlastelegging): dan is sprake van ‘hetzelfde feit’. Het dossier bevat vanaf 2012 een groot aantal bevelen voor het opnemen van telecommunicatie, waarvoor de rechter-commissaris op vordering van het Openbaar Ministerie een machtiging heeft verleend. Aan die vorderingen ligt onder meer het startproces-verbaal ALG.001 ten grondslag waarin wordt vermeld dat er een anonieme tip is binnengekomen over een bankrekening in Luxemburg. De informatie over de buitenlandse bankrekeningen die aan de tapvorderingen ten grondslag ligt is onvoldoende specifiek om die aan specifieke bankrekeningen in Luxemburg te koppelen. Dit betekent dat deze tapmachtigingen niet kunnen worden aangemerkt als een daad van vervolging ten aanzien van de tenlastegelegde witwasgedragingen die zien op geldbedragen van specifieke bankrekeningen. Naast tapmachtigingen bevat het dossier nog meer mogelijke daden van vervolging. Zo is op 22 september 2014 een machtiging gevorderd voor doorzoekingen van woningen van verschillende leden van de [familie 1] . Aan deze vordering ligt het proces-verbaal [familie 1] _C72.BSG.001 ten grondslag. In dit proces-verbaal wordt onder meer beschreven dat het vermoeden is dat de leningen ten behoeve van de aankoop van [hotel 1] (zaaksdossier 3A, zie hierna in rubriek 9) onderdeel zijn van een witwasconstructie. In dit proces-verbaal wordt ook beschreven dat informatie van het Luxemburgse filiaal van de Bank of China is ontvangen over bankrekeningen van de [familie 1] . Het gaat onder meer om bankrekening [rekeningnummer] op naam van [vader] en bankrekening [rekeningnummer] op naam van [dochter] . Andere mogelijke vervolgingsdaden zijn de vorderingen inbewaringstelling van [verdachte] , [zoon 2] en [dochter] op 3 oktober 2014. De vordering inbewaringstelling van [verdachte] heeft onder feit 11 betrekking op witwassen met betrekking tot [hotel 1] , in het bijzonder wat betreft een geldbedrag van ruim € 160.000,-, dat van [naam 4] zou zijn geleend. De vorderingen inbewaringstelling van [zoon 2] en [dochter] hebben in het geheel geen betrekking op witwasfeiten die gerelateerd zijn aan de zaaksdossiers Buitenlandse rekeningen en/of [hotel 1] . De dagvaarding die eind 2014 aan [verdachte] is uitgereikt was inhoudelijk hetzelfde als de vordering inbewaringstelling, zodat daaruit geen stuitingshandelingen voor andere strafbare feiten voortvloeien. Het eerstvolgende moment waarbij de rechtbank stuitingshandelingen voor andere strafbare feiten identificeert is het moment waarop in de verschillende zaken dagvaardingen worden uitgestuurd voor een regiezitting op 21 mei 2019. Deze dagvaardingen zijn eind april/begin mei 2019 uitgegaan. Vervolgens is op de regiezitting van 21 mei 2019 de tenlastelegging in de zaak van [verdachte] nader omschreven. Daarmee zijn eind april/mei 2019 alle feiten die aan een of meer verdachten in 13Offside ten laste zijn gelegd en voor zover niet reeds verjaard (opnieuw) gestuit. De rechtbank concludeert dat voorafgaand aan april/mei 2019 sprake is van stuitingshandelingen wat betreft het witwassen rond de aanschaf van [hotel 1] en de Luxemburgse bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] (in elk geval op 22 september 2014). Beoordeling: zijn de ten laste gelegde witwasgedragingen uit zaaksdossier 2D verjaard? Onder feit 4 is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij een geldbedrag van € 60.569,93 heeft witgewassen; dit was het saldo op rekening [codebankrekening 1] ( [rekeningnummer] ) op 31 december 2001. Daarnaast is ten laste gelegd dat hij een geldbedrag van € 278.319,92 heeft witgewassen; dit was het saldo op rekening [codebankrekening 2] ( [rekeningnummer] ). Rekening [codebankrekening 1] is op 31 maart 2003 opgeheven, zodat de verjaringstermijn van twaalf jaar op 1 april 2003 is gaan lopen. Zonder stuitingshandeling is dit feit verjaard vanaf 1 april 2015. De rechtbank is voor dit feit niet bekend met een stuitingshandeling voorafgaand aan april/mei 2019, zodat het witwassen op rekening [codebankrekening 1] per 1 april 2015 is verjaard. Rekening [codebankrekening 2] is op 7 januari 2004 opgegeven, zodat de verjaringstermijn van twaalf jaar op 8 januari 2004 is gaan lopen. Zonder stuitingshandeling is dit feit verjaard vanaf 8 januari 2016. De rechtbank is voor dit feit niet bekend met een stuitingshandeling voorafgaand aan april/mei 2019, zodat het witwassen op rekening [codebankrekening 2] per 8 januari 2016 is verjaard. Dit brengt mee dat de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van [verdachte] voor feit 4, voor zover dit feit betrekking heeft op zaaksdossier 2D (Buitenlandse rekeningen). 7.2. Zaaksdossier 2C Witwasrekeningen 7.2.1. Tenlastelegging Bij het zaaksdossier 2C Witwasrekeningen ziet de tenlastelegging op het witwassen van contante geldbedragen. Een groot deel van de tenlastegelegde geldbedragen ziet op contante stortingen die op bankrekeningen zijn gestort waarvan in het dossier wordt gezegd dat [verdachte] daar de controle over heeft (zogenoemde primaire bankrekeningen). Een kleiner deel van de ten laste gelegde geldbedragen is gestort op rekeningen van bedrijven die aan [verdachte] gelieerd zouden zijn of die hem incidenteel behulpzaam zouden zijn. Vanaf die rekeningen zou vervolgens geld overgeboekt zijn naar primaire bankrekeningen. De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen bevat doordat drie keer als bankrekeningnummer is vermeld ‘ [rekeningnummer] ’ waar had moeten staan ‘ [rekeningnummer] ’ . De rechtbank zal dit bankrekeningnummer verbeterd lezen. [verdachte] wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad, doordat duidelijk is dat dit een verschrijving betreft en er geen twijfel over kan hebben bestaan waartegen hij zich moest verdedigen. Dit wordt niet anders doordat de verdediging hiertegen bij pleidooi verweer heeft gevoerd en de officier van justitie daarna gelegenheid zou hebben gehad om de tenlastelegging op dit punt te wijzigen. 7.2.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt de tenlastelegging voldoende duidelijk en vindt bewezen dat [verdachte] de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen heeft witgewassen. [verdachte] was feitelijk niet de eigenaar van [bedrijf 7] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] en [onderneming 1] , maar had feitelijk wel zeggenschap over deze bedrijven en de beschikking over de bankrekeningen van deze bedrijven. De andere in de tenlastelegging genoemde bedrijven ( [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] en [bedrijf 14] ) zijn dienstbaar geweest aan het overboeken van (contante) geldbedragen naar de bedrijven waarover [verdachte] feitelijk zeggenschap had. De officier van justitie vindt dat sprake is van een groot aantal omstandigheden die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen en daartegenover heeft [verdachte] geen verklaring ingebracht. 7.2.3. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt in de eerste plaats dat de dagvaarding voor wat betreft dit zaaksdossier (deels) nietig moet worden verklaard, omdat het voor [verdachte] onvoldoende duidelijk is waartegen hij zich moet verweren. Voor zover de rechtbank de dagvaarding niet nietig vindt, vindt de verdediging dat [verdachte] moet worden vrijgesproken. De verdediging stelt dat [verdachte] geen beschikkingsmacht had over de zogenoemde primaire rekeningen en dat ook niet blijkt dat hij de ten laste gelegde geldbedragen samen met anderen voorhanden heeft gehad of de werkelijke aard, herkomst of rechthebbende van die geldbedragen heeft verhuld of verborgen. De verdediging stelt daarbij dat een deel van het dossier niet voor het bewijs gebruikt kan worden, omdat op eerdere momenten onderzoekswensen zijn afgewezen. Het gaat om de camerabeelden van geldstortingen en geldopnames (al dan niet bij Holland Casino), het horen van de getuigen [directeur onderneming 1] en [familielid] en onderzoek naar de ontvangers van geldbedragen vanaf relevante rekeningen. De verdediging trekt hieruit de conclusie dat bevindingen die zien op het storten of opnemen van geld niet kunnen dienen als bewijs, evenals bevindingen die zien op het overboeken van geld naar derden. Dat wat overblijft aan bewijsmiddelen in het dossier is onvoldoende voor het bewijs dat [verdachte] over de primaire bankrekeningen kon beschikken en de daarop gestorte geldbedragen heeft witgewassen. Voor zover de rechtbank de bevindingen die zien op het storten en/of opnemen van het geld wel voor het bewijs wil gebruiken stelt de verdediging het volgende. De betrokkenheid van [verdachte] bij locatiegebonden transacties wordt onder meer gebaseerd op beschikbare historische verkeersgegevens. De waarde daarvan moet genuanceerd worden, in de eerste plaats omdat die gegevens alleen beschikbaar zijn over 2011 en de tenlastelegging betrekking heeft op de periode 2009-2012. Daarnaast is van belang dat de locatiegebonden transacties alleen zijn onderzocht in relatie tot de historische verkeersgegevens van [verdachte] , en niet ook van andere potentiële gebruikers van de bankrekeningen. Verder erkent de politie dat in 46 gevallen sprake is van een mismatch. Ook is van belang dat bij een groot aantal matches sprake is van een zendmastlocatie die niet alleen in de buurt is van de stortingslocatie, maar die ook in de buurt is van een hotel van [verdachte] of het winkelcentrum waar hij zijn boodschappen doet. Dat [verdachte] die locaties regelmatig aanstraalt is dus te verklaren, aldus de verdediging. 7.2.4. Oordeel van de rechtbank 7.2.4.1. Dagvaarding deels nietig? De rechtbank vindt de tenlastelegging van feit 4, voor wat betreft het zaaksdossier Witwasrekeningen, voldoende duidelijk. De rechtbank stelt voorop dat de wijze van ten laste leggen niet ongebruikelijk is in witwaszaken en ook door gerechtshoven en de Hoge Raad is geaccepteerd. Dat neemt niet weg dat het ook in de onderhavige zaak voldoende duidelijk moet zijn voor [verdachte] en de verdediging waartegen zij zich moeten verweren. De rechtbank vindt dat dit zo is. In de tenlastelegging worden concrete bedragen genoemd en er wordt verwezen naar het zaaksdossier waarop de verdenking betrekking heeft. In dit zaaksdossier worden de feitelijke gedragingen beschreven die gekoppeld kunnen worden aan de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Dit bij elkaar maakt dat het voldoende duidelijk moet zijn waartegen de verdediging zich moet verdedigen. 7.2.4.2. Primaire rekeningen De rechtbank komt tot de conclusie dat [verdachte] degene is geweest die de zogenaamde primaire bankrekeningen in beheer heeft gehad en dat de daarop gestorte contante geldbedragen door hem zijn witgewassen. Onderzoeksbevindingen De transacties Op de primaire rekeningen van de verschillende bedrijven worden tussen 2009 en 2012 grote hoeveelheden contant geld gestort. Uitgesplitst per bankrekening levert dit het volgende beeld op: Bedrijf Rekening Eerste storting Laatste storting Totaal gestort [bedrijf 7] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 27 mei 2011 27 februari 2012 € 320.190,- [bedrijf 7] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 25 mei 2011 27 februari 2012 € 475.770,- [bedrijf 8] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 16 april 2011 19 maart 2012 € 370.080,- [bedrijf 8] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 15 april 2011 27 juli 2012 € 1.127.090,- [bedrijf 9] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 22 juni 2010 26 november 2010 € 150.240,- [bedrijf 9] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 4 maart 2010 10 februari 2011 € 236.600,- [onderneming 1] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 3 oktober 2011 16 maart 2012 € 371.310,- [directeur onderneming 1] [rekeningnummer] ( [afkorting] ) 1 december 2009 16 april 2011 € 244.440,- Totaal: 1 december 2009 27 juli 2012 € 3.295.720,- De bedrijven [bedrijf 7] en [bedrijf 8] vertonen grote overeenkomsten. Beide bedrijven zijn op 6 januari 2009 opgericht en de in China verblijvende [aandeelhouder/bestuurder] is van beide vennootschappen vanaf 5 juli 2010 enig aandeelhouder en bestuurder. Vanaf de oprichting tot 5 juli 2010 was [aandeelhouder/bestuurder 2] enig aandeelhouder en bestuurder van zowel [bedrijf 7] als [bedrijf 8] De kennismigranten [migrant 4] (26 oktober 2010 – 9 maart 2011) en [migrant 3] (9 maart 2011 – 1 april 2011) zijn bestuurder geweest van zowel [bedrijf 8] als [bedrijf 7] is (op papier) een groothandel in fietsen en bromfietsen die zich bezig houdt met de im- en export van rijwielen en onderdelen, [bedrijf 8] is (op papier) een groothandel in overige huishoudelijke artikelen en houdt zich bezig met de im- en export van huishoudelijke artikelen. [bedrijf 7] is bij het UWV bekend, maar niet dat er personeel in dienst zou zijn geweest. [ex vriendin verdachte] was tussen 1 augustus 2011 en 31 december 2011 in dienst van [bedrijf 8] , maar verder heeft [bedrijf 8] in de periode van 1 juli 2009 tot 31 december 2013 geen personeel in dienst gehad volgens de gegevens van het UWV. [bedrijf 9] staat vanaf 13 januari 2010 bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bv in oprichting en vanaf 15 juli 2010 als formeel opgerichte bv. Per 1 januari 2010 is [bestuurder 1] bestuurder van de bv en per 14 juli 2010 is dat de in China wonende [bestuurder 2] . Het bedrijf houdt zich bezig met ‘het handelen in huishoudelijke artikelen, levensmiddelen, speelgoed, wooninrichtingartikelen en fietsonderdelen’ en levert aan particulieren en niet aan andere ondernemingen. Bij het UWV zijn geen medewerkers bekend van [bedrijf 9] [bestuurder 1] is per 15 februari 2010 uit Nederland geëmigreerd. [onderneming 1] is hiervoor in het kader van het zaaksdossier kennismigranten al besproken (zie rubriek 5.4.2). Hier wordt herhaald dat [migrant 3] vanaf 3 oktober 2011 tot 1 mei 2012 bestuurder was van [onderneming 1] en dat de activiteiten van [onderneming 1] formeel per 22 december 2011 zijn gestaakt. [migrant 3] wordt ook gevraagd naar zijn bestuursfuncties (bij [onderneming 1] en bij [bedrijf 7] en [bedrijf 8] ). Hij verklaarde dat hij door zijn baas, [directeur onderneming 1] , meegenomen is naar de Kamer van Koophandel en dat hij daar documentatie getekend heeft omdat de baas zei dat die documentatie nodig was. Dat hij een bestuursfunctie bekleedde bij [onderneming 1] wist hij niet. Hij heeft ook bij twee soortgelijke bedrijven bestuursfuncties overgenomen omdat [directeur onderneming 1] hem dat vroeg te doen. Een van de bedrijven heette [bedrijf 8] en de andere naam weet hij niet Hij kreeg er geen geld voor, deed het omdat [directeur onderneming 1] die informatie en documentatie nodig had en weet verder niets van [bedrijf 8] Als [migrant 3] vragen gesteld worden over [bedrijf 7] beroept hij zich op zijn zwijgrecht. In het dossier zijn de verschillende primaire rekeningen geanalyseerd. Daarbij zijn de volgende bevindingen opgedaan. Op rekening [afkorting] zijn in totaal 34 bijschrijvingen geweest voor een totaalbedrag van € 346.738,52. Naast de al genoemde contante stortingen (€ 320.190,-) gaat het om twee overboekingen van in totaal € 26.200,-, afkomstig van [afkorting] , en betalingsverkeer met de INGbank (€ 348,52). Op rekening [afkorting] zijn in totaal 65 bijschrijvingen geweest voor een totaalbedrag van € 898.926,01. Naast de al genoemde contante stortingen (€ 475.770,-) gaat het om bijschrijvingen vanaf [afkorting] , [afkorting] en [afkorting] voor in totaal € 422.700,- en daarnaast nog om overige beschrijvingen van in totaal € 456,01. Op rekening [afkorting] zijn in totaal 57 bijschrijvingen geweest voor een totaalbedrag van € 666.064,16. Naast de al genoemde contante stortingen (€ 370.080,-) gaat het om bijschrijvingen vanaf [afkorting] en [afkorting] voor in totaal € 189.150,- en bijschrijvingen vanaf [bedrijf 15] (in totaal € 106.327,13) en banktransacties van in totaal € 507,03. Op rekening [afkorting] zijn in totaal 223 bijschrijvingen geweest voor een totaalbedrag van € 3.894.788,01. Naast de al genoemde contante stortingen (€ 1.127.090,-) zijn er ook bijschrijvingen vanaf [afkorting] , [afkorting] , [afkorting] en [afkorting] (in totaal € 654.180,-). Ook is sprake van bijschrijvingen van [bedrijf 11] (€ 83.300, meer daarover in rubriek 7.2.4.3), [onderneming 2] (€ 557.645,03) en [bedrijf 15] (€ 83.486,80). Ook is sprake van een geldstroom vanuit Frankrijk voor een totaalbedrag van € 1.190,523,30 en overige beschrijvingen voor in totaal € 183.562,90. Op rekening [afkorting] zijn in totaal 41 bijschrijvingen geweest voor een totaalbedrag van € 199.640,-. Naast de al genoemde contante stortingen (€ 150.240,-) is € 28.000,- afkomstig van [onderneming 1] ( [afkorting] ), € 7.500,- afkomstig van [bedrijf 15] en verder nog € 13.900,- aan andere bijschrijvingen. Op rekening [afkorting] is in totaal € 1.679.452,14 bijgeschreven. Naast de contante stortingen (€ 236.600,-) is € 627.905,52 afkomstig van [bedrijf 10] , restaurant [bedrijf 13] en [bedrijf 12] (meer daarover in rubriek 7.2.4.3). Verder is € 296.000,- afkomstig van [onderneming 1] ( [afkorting] ). € 190.000,- is afkomstig van [onderneming 2] , € 20.230,- is afkomstig van [bedrijf 15] en nog € 308.716,62 heeft een andere herkomst. Op rekening [afkorting] zijn in totaal 55 bijschrijvingen geweest voor een totaalbedrag van € 415.094,55. Naast de al genoemde contante sto