RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/733005-15 (Promis) Datum uitspraak: 19 juli 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] gevestigd op het adres [adres 1] woonplaats kiezende bij Van Gessel Advocaten op het [adres advocaat] 1Inleiding 1.
(2014)verklaarde hij dat hij nooit in Luxemburg is geweest, daar geen bankrekening heeft of had en zelf ook nooit grote contante geldbedragen voorhanden heeft gehad. In zijn laatste verhoor (6 januari 2021) verklaarde hij als getuige dat hij en zijn vrouw zijn broer hebben geholpen door de bankrekening in Luxemburg te openen. Het totaalbedrag van € 375.000,- was veel geld, maar het was op verschillende momenten binnengekomen. Het geld was niet van [persoon 17] , hij hoefde het alleen maar te storten. Over de overboeking van € 180.284,50 verklaarde [persoon 17] dat [persoon 4] aan hem gevraagd had of de broer van [persoon 17] geld had in Luxemburg. [persoon 17] zou vervolgens met zijn broer hebben overlegd en zijn broer zou hebben besloten om het bedrag als lening aan [persoon 4] over te maken. Het geld zou aan [persoon 4] zijn geleend, zodat [persoon 4] ermee kon handelen en winst mee kon maken. Hieruit blijkt in elk geval dat [persoon 17] nogal uiteenlopend heeft verklaard over de bankrekening op naam van hem en zijn vrouw. [persoon 4] verklaarde op 2 november 2020 bij de rechter-commissaris over de overboeking van € 180.284,50 dat [persoon 17] wilde meedoen met de valutahandel. [persoon 4] zou tegen [persoon 17] hebben gezegd dat hij iemand kende. Het geld was volgens [persoon 4] van [persoon 17] . De uiteenlopende verklaringen van [persoon 17] wijken ook af van de verklaring van [persoon 4] , onder meer voor wat betreft degene van wie het geld op de rekening van [persoon 17] en [persoon 18] echt zou zijn en wie het initiatief nam om geld van die rekening naar de rekening van [persoon 4] over te laten maken. Verder is ook van belang dat het geld wordt overgeboekt van en naar een buitenlandse rekening in een land met een bankgeheim (Luxemburg). Daarbij is het opmerkelijk dat niet gebleken is dat er afspraken rond het ter beschikking stellen van het geld op papier zijn gezet. Tot slot betrekt de rechtbank hierbij dat het geld wordt ontvangen op een rekening ( [iban nummer] ) waarvan [persoon 4] heeft verklaard dat die rekening van [naam 2] was, maar dat de rechtbank die verklaring van [persoon 4] als hoogst onwaarschijnlijk terzijde heeft geschoven. De rechtbank vindt dat voor de contante stortingen van in totaal € 375.000,- op de rekening van [persoon 17] en [persoon 18] en voor de overboeking vanaf die rekening van € 180.284,50 sprake is van een vermoeden van witwassen. Daarvoor is in het bijzonder de omvang van de contante stortingen van belang en het gegeven dat de geldbedragen buiten het zicht van de overheid, namelijk op een buitenlandse rekening in een land met een bankgeheim (Luxemburg), werden gestort. [persoon 1] en [persoon 3] hebben geen verklaring afgelegd over de herkomst van deze geldbedragen. De verklaringen van [persoon 17] hierover zijn sterk uiteenlopend en afwijkend van de door [persoon 4] hierover afgelegde verklaring. Daarnaast zijn de verklaringen van [persoon 17] en [persoon 4] , gelet op de overige omstandigheden die met betrekking tot deze geldbedragen door de rechtbank zijn vastgesteld, hoogst onwaarschijnlijk. Dan resteert de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag dat vanaf de bankrekening van [persoon 17] en [persoon 18] is ontvangen, en waarvan een deel via het geldrondje met [naam 2] / [persoon 11] bij [verdachte] terecht is gekomen, uit misdrijf afkomstig is. 4.4.7.
- Lening [persoon 13] De rechtbank heeft hiervoor in rubriek 4.4.4.4 vastgesteld dat het geld dat door [persoon 4] en [persoon 3] aan [verdachte] ter beschikking is gesteld en van [persoon 13] zou zijn geleend, terug te voeren is op overboekingen van in totaal € 500.766,77 aan [persoon 13] , die te herleiden zijn tot contante stortingen op buitenlandse rekeningen, te weten rekeningen [iban nummer] en [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] en de rekening op naam van [persoon 17] en [persoon 18] . De rechtbank vindt dat ten aanzien van deze geldbedragen sprake is van een vermoeden van witwassen. Daarvoor is in het bijzonder de omvang van de contante stortingen van belang en het gegeven dat de geldbedragen buiten het zicht van de overheid, namelijk op een buitenlandse rekeningen in landen met een bankgeheim (Luxemburg en Zwitserland), werden gestort. [persoon 1] en [persoon 3] hebben geen verklaring gegeven over de herkomst van de contant gestorte geldbedragen. De rechtbank heeft hiervoor in rubriek 4.4.7.2 stilgestaan bij de verklaringen van [persoon 4] voor de bankrekeningen [iban nummer] en [rekeningnummer 2] en de rekening op naam van [persoon 17] en [persoon 18] . De rechtbank kwam daarbij tot de conclusie dat de verklaring van [persoon 4] het witwasvermoeden niet onderuit kon halen. Dit geldt ook voor zover de contante geldbedragen die op deze rekening zijn gestort via de bankrekening van [persoon 13] uiteindelijk op de bankrekening van [verdachte] terecht zijn gekomen. [persoon 4] heeft over rekening [rekeningnummer 3] eveneens als verklaring gegeven dat dit geld van [naam 2] was. Deze verklaring heeft de rechtbank hiervoor in rubriek 4.4.4.1 beoordeeld en als hoogst onwaarschijnlijk terzijde geschoven. Daarmee is geen sprake van een verklaring die het vermoeden van witwassen onderuithaalt, zodat het niet anders kan zijn dan dat de contante geldbedragen die op deze rekening zijn gestort, en waarvan een deel via het geldrondje met [persoon 13] bij [verdachte] terecht is gekomen, uit misdrijf afkomstig is. 4.4.7.
- Lening [persoon 12] De rechtbank kan op basis van het dossier geen geldrondje vaststellen waaruit volgt dat het geld dat vanaf de rekening van [persoon 12] is ontvangen, oorspronkelijk van – kort gezegd – ‘de familie [familinaam] ’ is geweest. Uit de verklaring van [persoon 14] volgt dat hij het geld in China bijeen verzameld heeft. Het dossier bevat geen informatie op basis waarvan meer gezegd kan worden over de herkomst van het geld, dan dat het vanaf de rekening van [persoon 12] is overgemaakt. De omstandigheden dat [persoon 14] het geld uitgeleend heeft, daarbij gebruik gemaakt heeft van de rekening van [persoon 12] en dat (valse) geschriften zijn gebruikt ter onderbouwing van de lening, zeggen niets over de herkomst van het geld. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen dat sprake is van een vermoeden van witwassen wat betreft het geldbedrag dat vanaf de rekening van [persoon 12] is overgemaakt. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat niet bewezen is dat het van [persoon 12] / [persoon 14] geleende geld is witgewassen. [verdachte] zal daarom van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken. 4.4.7.
- Conclusies De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] in totaal € 1.034.650,69 heeft witgewassen. Dit bedrag bestaat uit het bedrag dat [persoon 16] op 21 april 2005 naar [verdachte] heeft overgemaakt (€ 200.000,-), het bedrag dat [persoon 4] op 22 april 2005 naar [verdachte] heeft overgemaakt (€ 415.060,73) en het bedrag dat [persoon 3] op 22 april 2005 heeft overgemaakt, voor zover dat terug te leiden is naar de lening van [persoon 13] (€ 419.589,96). De gedragingen van [persoon 16] , [persoon 4] en [persoon 3] zijn [naam hotel BV 1] en daarmee haar aandeelhouder [verdachte] gedienstig geweest. De strafbare gedragingen kunnen ook gezien hun betrokkenheid bij [naam hotel BV 1] Tussenholding B.V aan [verdachte] worden toegerekend. De wetenschap bij [verdachte] dat het geld afkomstig is uit misdrijf volgt uit de betrokkenheid van haar (indirect) aandeelhouders ( [persoon 4] , [persoon 1] en [persoon 3] ) bij de geldrondjes en de valse geldleenovereenkomsten. [verdachte] heeft dit geldbedrag door de bijschrijvingen verworven en vervolgens voorhanden gehad. [verdachte] heeft deze gelden ook (grotendeels) overgedragen en gebruikt bij de aanschaf van [naam hotel BV 1] . Door de toegepaste geldrondjes en de valse geldleenovereenkomsten heeft [verdachte] ook de herkomst van het geld verhuld. Daarbij vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] de strafbare feiten heeft begaan vanaf 22 april 2005, omdat de bv vóór die datum niet was opgericht. 4.4.
- Gebruik getuigenverklaring [persoon 10] De rechtbank stelt vast dat [persoon 10] als getuige is toegewezen, maar de verdediging uiteindelijk niet in de gelegenheid is geweest om vragen aan hem te stellen. De rechtbank heeft na de zitting van 28 januari 2021 het verzoek om [persoon 10] alsnog te horen afgewezen, omdat het niet aannemelijk was dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn gehoord zou kunnen worden, waarbij de rechtbank ook rekening heeft gehouden met de gezondheidstoestand van deze getuige, zoals die uit de Franse doktersverklaring naar voren kwam. Uit dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen blijkt dat zij de verklaring van [persoon 10] heeft gebruikt in de bewijsconstructie. Dit betekent dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet in de gelegenheid is geweest om een belastende getuige te ondervragen. Voor het beantwoorden van de vraag of de procedure in zijn geheel nog eerlijk is, nu de rechtbank de belastende verklaring wel voor het bewijs heeft gebruikt, is allereerst van belang waarom de getuige niet is gehoord. In dit geval is dat de omstandigheid dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn gehoord kon worden en dat is als goede reden erkend om een getuige niet te horen. Daarnaast vindt de rechtbank dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op de verklaring van [persoon 10] is gebaseerd. De verklaring van [persoon 10] wordt namelijk in sterke mate ondersteund doordat uit andere bewijsmiddelen naar voren komt dat rond de geldverstrekking vanaf de bankrekening van [persoon 10] sprake is geweest van een geldrondje (zie rubriek 4.4.4.2). Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het gebruik van de verklaring van [persoon 10] voor het bewijs niet maakt dat de procedure in zijn geheel niet meer eerlijk is geweest. 5Bewezenverklaring De rechtbank vindt bewezen dat ( [verdachte] ) Feit 1 (eerste en tweede en/of-variant) (ZD03A [naam hotel BV 1] - gebruik maken van valse geschriften) in de periode van 22 april 2005 tot en met 30 juli 2012 in Nederland, opzettelijk voorhanden heeft gehad valse geschriften, te weten: Categorie A. een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 11] (schuldeiser) ten bedrage van 254.000,- euro d.d. 1 april 2005 en een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 10] (schuldeiser) ten bedrage van 200.000,- euro d.d. 1 april 2005 en een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 12] (schuldeiser) ten bedrage van 418.000,- euro d.d. 1 april 2005 en een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 13] (schuldeiser) ten bedrage van 580.500,- euro d.d. 1 april 2005; zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, welke valsheid hierin bestond dat opzettelijk in strijd met de waarheid in die geschriften is vermeld t.a.v. Categorie A: dat [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] een leenovereenkomst met (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] is aangegaan, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was en dat er een geldbedrag van [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] aan genoemde schuldenaar werd geleend, terwijl dat [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] in ieder geval niet de werkelijk rechthebbenden zijn op dat geld en dat [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] in China woonachtig waren en dat de rente zes procent rente per jaar bedraagt en dat voornoemde leningen achtergesteld waren ten opzichte van een lening van de Rabobank terwijl zij, verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst; en [naam hotel BV 1] in de periode van 22 april 2005 tot en met 30 juli 2012 in Nederland opzettelijk gebruikt heeft gemaakt van valse geschriften, te weten: Categorie A. een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 11] (schuldeiser) ten bedrage van 254.000,- euro d.d. 1 april 2005 en een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 10] (schuldeiser) ten bedrage van 200.000,- euro d.d. 1 april 2005 en een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 12] (schuldeiser) ten bedrage van 418.000,- euro d.d. 1 april 2005 en een leenovereenkomst tussen (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] (schuldenaar) en [persoon 13] (schuldeiser) ten bedrage van 580.500,- euro d.d. 1 april 2005; zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, welke valsheid hierin bestond dat opzettelijk in strijd met de waarheid in die geschriften is vermeld t.a.v. Categorie A: dat [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] een leenovereenkomst met (de vertegenwoordigende personen van) [verdachte] is aangegaan, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was en dat er een geldbedrag van [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] aan genoemde schuldenaar werd geleend, terwijl dat [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] in ieder geval niet de werkelijk rechthebbenden zijn op dat geld en dat [persoon 11] en [persoon 10] en [persoon 12] en [persoon 13] in China woonachtig waren en dat de rente zes procent rente per jaar bedraagt en dat voornoemde leningen achtergesteld waren ten opzichte van een lening van de Rabobank bestaande dat gebruikmaken hierin dat [naam hotel BV 1] die leenovereenkomsten toen en aldaar heeft verstrekt en doen toekomen aan (de afdeling BIBOB) van de gemeente Amsterdam als ware deze echt en onvervalst ten behoeve van het aanvragen en verkrijgen van een exploitatievergunning en een Drank- en Horecavergunning ten behoeve van [naam hotel BV 1] te Amsterdam, terwijl [naam hotel BV 1] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst, tot het plegen van welke misdrijven verdachte toen en aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest door die leenovereenkomsten aan [naam hotel BV 1] ter beschikking te stellen; Feit 3 (ZD03A [naam hotel BV 1] - witwassen) in de periode van 22 april 2005 tot en met 16 juli 2007 in Nederland geldbedragen van in totaal ongeveer 1.034.650,69 euro te weten een geldbedrag ongeveer 200.000 euro (ontvangen op 21 april 2005 op rekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [naam hotel BV 1] Tussenholding) en een geldbedrag ongeveer 415.060,73 euro (ontvangen op 22 april 2005 op rekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [naam hotel BV 1] Tussenholding) en een geldbedrag ongeveer 419.589,96 euro verworven en voorhanden gehad en overgedragen en gebruik gemaakt en van voornoemde geldbedragen de herkomst verhuld en deze geldbedragen (deels) gebruikt ter financiering van een perceel grond met opstal zijnde een bedrijfspand ( [naam hotel BV 1] ) gelegen aan de [adressen] terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6Bewijs De rechtbank baseert haar overtuiging dat [verdachte] de bewezen feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in (de voetnoten bij) de rubrieken 4.4.3 tot en met 4.4.5 en rubriek 4.4.7 van dit vonnis. 7Straf 7.
- Redelijke termijn 7.1.
- Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt voorop dat de gedachte achter de “redelijke termijn”-rechtspraak is dat strafzaken niet onwenselijk lang moeten duren. Voor het beantwoorden van de vraag of een strafzaak onwenselijk lang heeft geduurd, is van belang wat er precies is gebeurd. De officier van justitie vindt voor 13Offside een totale termijn van zes jaar redelijk, uitgesplitst in een onderzoeksfase van vijf jaar en een planningsfase om tot een inhoudelijke behandeling te komen van één jaar. Van belang is dat het onderzoek 13Offside een uitzonderlijk omvangrijke en (alleen al vanwege de rechtshulprelatie met China) complexe zaak is. Na de start van het onderzoek in 2010 heeft op 30 september 2014 een actiedag plaatsgevonden. Door de rechter-commissaris en (de raadkamer van) de rechtbank zijn in 2015-2017 in de verschillende zaken een groot aantal onderzoekswensen toegewezen, waaronder het horen van een groot aantal in China verblijvende getuigen. Ook is van belang dat in 2017 het indienen van een nader rechtshulpverzoek aan China enige tijd uitgesteld is geweest doordat op verzoek van verschillende advocaten verkennende gesprekken zijn gevoerd over buitengerechtelijke afdoening van de zaken. Uiteindelijk was het feitelijke opsporingsonderzoek in november 2017 afgerond. Vervolgens zijn in december 2017, april 2018 en maart 2019 drie rogatoire reizen naar China geweest om daar getuigen te horen. Vervolgens is op 21 mei 2019 een regiezitting gehouden en – vanwege omstandigheden die niet aan de politie, het Openbaar Ministerie of de rechtbank toe te rekenen zijn – op 23 oktober 2019 opnieuw. Na de regiezitting van 23 oktober 2019 heeft een nieuwe rechter-commissaris het resterende onderzoek uitgevoerd tot 19 januari 2021 – grotendeels tijdens de coronapandemie. Een planningsfase is nodig omdat door het grote aantal direct betrokkenen en het aantal benodigde zittingsdagen het bijzonder lastig is om een inhoudelijke behandeling te plannen. Bovendien heeft iedereen voldoende tijd nodig om de inhoudelijke behandeling voor te bereiden. De officier van justitie neemt als startmoment voor de redelijke termijn de datum van de regiebijeenkomst van 12 juli 2016 waarop het voornemen om [verdachte] te vervolgen, is geuit. Vanaf het begin van de redelijke termijn tot aan de uitspraak van de rechtbank op 19 juli 2021 is een periode van minder dan 6 jaar verstreken, zodat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. 7.1.
- Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat het in deze zaak redelijk zou zijn geweest als de rechtbank binnen drie jaar na de aanhouding van [persoon 1] (30 september 2014) vonnis zou hebben gewezen. Met de uitspraak van de rechtbank op 19 juli 2012 is sprake van een overschrijding van die termijn met 45 maanden. De verdediging verzoekt de rechtbank om bij het compenseren van deze overschrijding ‘naar bevind van zaken’ te handelen. De verdediging wijst voor de oorzaken van het forse tijdsverloop op de complexiteit van de tenlastelegging, de late verstrekking van het einddossier, het grote aantal onderzoekswensen en de rechtshulp met China. Dat de verdediging veel onderzoekswensen had is ook het gevolg van het uitgebreide verwijt en het nog grotere strafdossier. Deze vertragende omstandigheden zijn hoofdzakelijk het gevolg van (het ontbreken van) keuzes van het Openbaar Ministerie en/of de vertraging was voor het Openbaar Ministerie voorzienbaar geweest. 7.1.
- Oordeel van de rechtbank Het startmoment van de redelijke termijn is het moment waarop de verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij door het Openbaar Ministerie voor een bepaald strafbaar feit zal worden vervolgd. De redelijke termijn begint te lopen op het moment dat bij de regiebijeenkomst op 12 juli 2016 door het Openbaar Ministerie het voornemen is geuit om [verdachte] te gaan vervolgen. Het einde van de periode is 19 juli 2021, de dag waarop de rechtbank uitspraak doet. Een verdachte heeft het recht dat zijn berechting spoedig verloopt, maar de standaard-‘redelijke termijn’ van twee jaar heeft geen betrekking op dit soort grote onderzoeken. De redelijkheid van de duur van een zaak is onder meer afhankelijk van a) de ingewikkeldheid van de zaak, b) de invloed van de verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop en c) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank vindt in deze zaak van belang dat sprake is van een (heel) groot onderzoek, waarbij diverse rechtshulpverzoeken nodig waren om in China getuigen te kunnen horen. De samenhang tussen de verschillende zaken, in het bijzonder via de sleutel van de criminele organisatie, maakt dat een gelijktijdige berechting van de verschillende verdachten redelijk is en zelfs voor de hand ligt. Dat is ook een omstandigheid die enig tijdsverloop kan rechtvaardigen. Daar staat tegenover dat de rechtbank ook moet vaststellen dat de onderzoeksfase bij de rechter-commissaris erg lang geduurd heeft en dat dit de verdachten niet volledig verweten kan worden. De enkele omstandigheid dat de verdediging in een zaak als deze (veel) onderzoekswensen heeft maakt niet dat zij de zaak aan het traineren is. Alles afwegend vindt de rechtbank een termijn van 4,5 jaar een redelijke termijn waarbinnen het vonnis gewezen had kunnen worden. Dit betekent dat de redelijke termijn in de zaak van [verdachte] met ongeveer een halfjaar is overschreden. Bij het bespreken van de op te leggen straf komt de rechtbank terug op de vraag op welke manier de overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd moet worden. 7.
- Strafmaat 7.2.
- De eis van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,-. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat [naam hotel BV 1] en [verdachte] strafrechtelijk feitelijk als één entiteit moet worden gezien. Ook is rekening gehouden met de in de zaak van [verdachte] gevorderde verbeurdverklaring van [naam hotel BV 1] . 7.2.
- Standpunt van de verdediging De verdediging heeft erop gewezen dat de hotels veel (reputatie)schade hebben ondervonden als gevolg van de negatieve publiciteit rondom de strafzaak, ook doordat banken geen nieuwe diensten meer willen verlenen en bestaande relaties willen opzeggen. Ook leiden de hotels schade doordat vergunningen zijn ingetrokken waardoor de concurrentiepositie van de hotels is verslechterd. 7.2.
- Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan [naam hotel BV 1] een onvoorwaardelijke geldboete op van € 95.000,-. Voor het opleggen van deze straf vindt de rechtbank de volgende omstandigheden van belang. [verdachte] heeft bij de aankoop van [naam hotel BV 1] een geldbedrag van ruim € 1.000.000,- witgewassen. Daarnaast heeft [verdachte] valse geschriften voorhanden gehad en is zij medeplichtig aan het door [naam hotel BV 1] gebruiken van deze valse geschriften om te verhullen dat de aankoop van [naam hotel BV 1] deels gefinancierd is met geld dat uit misdrijf afkomstig is. Uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat [naam hotel BV 1] (toch) de verzochte vergunningen heeft gekregen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf betrekt de rechtbank ook dat sprake is van samenhang tussen [naam hotel BV 1] en [verdachte] en tussen de ten laste van beide bv’s bewezen verklaarde feiten. De rechtbank houdt dan ook rekening met de omstandigheid dat ook in de zaak van [naam hotel BV 1] een straf wordt opgelegd. De rechtbank constateert dat juist [naam hotel BV 1] en [verdachte] de entiteiten zijn die beter zijn geworden van de gepleegde valsheid in geschrift en de daarmee verhulde witwasconstructies. Een voordeel dat mogelijk (deels) ongedaan wordt gemaakt doordat er nog ontnemingsprocedures zullen volgen. De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat sprake is van feiten van zeer lang geleden, waarvan het belangrijkste deel wat betreft de bijdrage van [verdachte] zelfs ten tijde van de aanhouding van haar eigenaren in 2014 al oud was (het witwassen en het gebruik maken van valse geschriften). Tot slot houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat zij hiervoor heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van 4,5 jaar met een halfjaar is overschreden. De rechtbank zal daarom de op te leggen straf met vijf procent te verlagen. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van € 100.000,- hebben opgelegd, maar in plaats daarvan volstaat de rechtbank met een onvoorwaardelijke geldboete van € 95.000,-. 8Verbeurd verklaren 8.
- Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vordert in de zaken van [persoon 1] , [persoon 4] , [persoon 3] en [verdachte] de verbeurdverklaring van [naam hotel BV 1] . In de eerste plaats omdat de financiering van de aankoop van het hotel te kwalificeren is als witwassen (art. 33a lid 1 onder a Sr). Daarnaast kan [naam hotel BV 1] verbeurd verklaard worden omdat met betrekking tot [naam hotel BV 1] sprake is van valsheid in geschrift en oplichting (art. 33a lid 1 onder b Sr). Daarbij merkt de officier van justitie op dat de gevorderde verbeurdverklaring als bijkomende straf ook bedoeld is om de verdachten in hun financiële belangen te treffen. Tot slot merkt de officier van justitie op dat als de verbeurdverklaring van [naam hotel BV 1] wordt uitgesproken, daarmee in de ontnemingsprocedure rekening gehouden zal worden. 8.
- Standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt de vordering tot verbeurdverklaring van [naam hotel BV 1] af te wijzen. Voor verbeurdverklaring is nodig dat [verdachte] ermee bekend was dat [naam hotel BV 1] (geheel) door middel van een strafbaar feit is verkregen. De verdediging stelt dat aan beide voorwaarden niet is voldaan. Daarnaast stelt de verdediging dat de verbeurdverklaring van [naam hotel BV 1] niet proportioneel is. [naam hotel BV 1] vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde en [naam hotel BV 1] is niet geheel of grotendeels afkomstig uit de veronderstelde witwasfeiten (de financiering van de buitenlandse geldstrekkers bedroeg circa 26% van de totale koopsom van [naam hotel BV 1] ). Tot slot merkt de verdediging op dat ook een ontnemingsprocedure aanhangig is gemaakt en dat mogelijk een dubbele bestraffing dreigt. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten de geschatte waarde van [naam hotel BV 1] te duiden. Omdat het dan niet mogelijk is om de geschatte waarde van het verbeurd te verklaren goed te betalen, moet de vordering ook om die reden worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging de verbeurdverklaring te beperken tot € 450.000,- (het bedrag dat [naam hotel BV 1] heeft bijgedragen aan de aflossing van de leningen), althans € 1.452.500,-, het bedrag dat aan buitenlandse leningen is gebruikt voor de aankoop van [naam hotel BV 1] . 8.
- Oordeel van de rechtbank De rechtbank wijst de vordering om [naam hotel BV 1] verbeurd te verklaren af. De rechtbank vindt de verbeurdverklaring een buitenproportionele bijkomende straf, omdat het deel van het aankoopbedrag dat uit een bewezenverklaard misdrijf afkomstig was relatief klein was. Ook speelt mee dat al een ontnemingsprocedure is opgestart en dat binnen die procedure betere mogelijkheden zijn om het voordeel uit de aankoop van [naam hotel BV 1] te bepalen en dat voordeel zo nodig te verdelen tussen de verschillende verdachten. 9Toegepaste artikelen De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 23(oud), 48, 49, 51, 57, 225, 420bis (oud) van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij. Verklaart bewezen dat [verdachte] feit 1 (eerste en tweede en/of-variant) en feit 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Feit 1 (eerste en tweede en/of-variant) - opzettelijk een vals geschrift voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor het gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en medeplichtigheid aan opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; Feit 3 - witwassen, begaan door een rechtspersoon. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 95.000,- (vijfennegentigduizend euro). Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mrs. M.J.E. Geradts en A.C.J. Klaver, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juli
- [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] Voor zover de aanvraag ook zag op het doorzoeken van de woning van [persoon 4] . Voor het doorzoeken van het kantoor van de [familienaam Groep] en het [naam hotel 2] was geen machtiging van de rechter-commissaris nodig. EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16, Keskin-Nederland. ECLI:NL:HR:2021:576, r.o. 2.9.
- ECLI:NL:HR:2021:576, r.o. 2.12.
- ALG.146, pag. 700.1545 (onder ‘levering’). ALG.146, pag. 700.1548 (schema). ALG.146, pag. 700.1547 (bovenaan). ALG.146, pag. 700.1547 (midden). ALG.146 (bijlage 2), pag. 700.
- ALG.146 (bijlage 3), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 16), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 15), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 8), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 14), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 8), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 10), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 12), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 10), pag. 700.
- ALG.293, pag. 700.2170 (midden) en pag. 700.2175 (midden). ALG.169 (bijlage 1), pag. 700.
- ALG.169 (bijlage 2), pag. 700.1870 ( [persoon 10] ), ALG.169 (bijlage 3), pag. 700.1875 ( [persoon 12] ) en ALG.169 (bijlage 4), pag. 700.1880 ( [persoon 13] ). ALG.147 (bijlage 9), pag. 700.1636 (onderaan). ALG.147 (bijlage 10), pag. 700.1642 (bovenaan). Zaaksdossier 2D, ALG.376, pag. 600.2748 (onderaan) en pag. 600.2749 (alinea 3). ALG.377, pag. 700.3074 (tabel). ALG.403 (bijlage 1), pag. 700.
- ALG.403, pag. 700.3180 (tweede tabel) en pag. 700.3181 (tabel). ALG.403, pag. 700.3182 (tabel). ALG.403 (bijlage 14), pag. 700.3247 (midden). ALG.355, pag. 700.2585 (bovenaan). ALG.355, pag. 700.2585 (onderaan) en pag. 700.2586 (bovenaan). Zaaksdossier 2D, ALG.381, pag. 600.2887 (midden) en ALG.381-1, pag. 600.3114 (midden). Zaaksdossier 2D, ALG.381, pag. 600.2892-2893 (tabel). ALG.362, pag. 700.2609 (derde tabel). ALG.362, pag. 700.2610 (tabel) en Zaaksdossier 2D, ALG.362-1, pag. 600.7073 (bovenaan). ALG.362, pag. 700.2602 (bovenaan). ALG.362, pag. 700.2603 (tabel) en Zaaksdossier 2D, ALG.362-1, pag. 600.7070 (bovenaan). ALG.362, pag. 700.2604 (eerste tabel). Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 4] (RC), 16 november 2020 (losbladig), blad 12 (midden). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [persoon 4] (RC), 2 november 2020 (losbladig), blad 8 (alinea 1). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [persoon 4] (RC), 10 november 2020 (losbladig), blad 10 (alinea 2). ALG.127 (bijlage 3), pag. 700.1384 (midden). [familinaam] _C72.VDE.005, pag. 700.3730 (antwoord 2 en 4). ALG.127 (bijlage 2), pag. 700.1382 (midden). ALG.127 (bijlage 1), pag. 700.1376 (midden). [familinaam] _C72.VDE.005, pag. 700.3730 (antwoord 2). ALG.298, pag. 700.2199 (midden), ALG.298 (bijlage 2), pag. 700.2226 en ALG.298 (bijlage 3), pag. 700.2246 en 700.
- ALG.338 (bijlage 1), pag. 700.2557[16] (antwoorden 7 en 14). ALG.338 (bijlage 1), pag. 700.2557[18] (antwoorden 2, 7 en 8). ALG.338 (bijlage 1), pag. 700.2557[18] (antwoorden 13-18) en pag. 700.2557[19] (antwoord 1 en 2). ALG.338 (bijlage 1), pag. 700.2557[19] (antwoord 3). ALG.338 (bijlage 1), pag. 700.2557[20] (antwoorden 1 en 4). ALG.338 (bijlage 1), pag. 700.2557[20] (antwoord 8) en pag. 700.2557[21] (antwoord 2). GET.116, pag. 700.3713 (midden). ALG.522, pag. 700.4664 (antwoorden 2-4). GET.126, pag. 700.5041 (antwoord 33). ALG.124, pag. 700.5004 (antwoord 2). GET.142, pag. 700.5050 (bovenaan). GET.142, pag. 700.5049 (midden). GET.124, pag. 700.5005 (antwoord 5). ALG.338 (bijlage 2), pag. 700.2557[31] (antwoorden 8 en 14). ALG.338 (bijlage 2), pag. 700.2557[33] (antwoorden 17 en 18). ALG.338 (bijlage 2), pag. 700.2557[35] (antwoorden 10 en 13) ALG.338 (bijlage 2), pag. 700.2557[35] (antwoord 19). PAN_Y65.VDE.003, pag. 700.4219 (antwoorden 6-8) ECLI:NL:HR:2021:576, r.o. 2.9.
- ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.13.1.