RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13-305916-19 (Promis) Datum uitspraak: 21 juli 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [naam PI] , locatie [naam locatie] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 22 januari 2021 en 7 juli 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Kramer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.C.J. Tuip naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , op de zittingen vertegenwoordigd door mr. C.A. Bouw. De zaak is op de zitting van 22 januari 2021 inhoudelijk behandeld. In raadkamer is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft op 5 februari 2021 tussenvonnis gewezen en daarin opdracht gegeven tot nader onderzoek. Dat onderzoek heeft geleid tot het rapport van forensisch arts D. Botter van 16 juni 2021. Dit rapport heeft hij op de zitting van 7 juli 2021 nader toegelicht. 2Aanleiding en beschuldiging Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte in de avond/nacht van 23 op 24 december 2019 geweld tegen haar heeft gebruikt. De politie heeft onderzoek verricht waarbij onder meer getuigen zijn gehoord, het letsel van aangeefster is onderzocht en verdachte is aangehouden en verhoord. Verdachte heeft verklaard dat niet hij maar aangeefster zelf het bij haar geconstateerde letsel heeft veroorzaakt. Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij in de avond/nacht van 23 op 24 december 2019 geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Dat is aan hem ten laste gelegd in vier beschuldigingen: Verkrachting van [slachtoffer] door haar met geweld te dwingen tot seks; (Poging) zware mishandeling door [slachtoffer] te slaan, aan de haren te trekken, bij de nek te grijpen, tegen het lichaam te schoppen en haar op de grond te gooien, waardoor zij een gebroken neus en diverse verwondingen aan haar gezicht/hoofd heeft bekomen; Poging doodslag of bedreiging door [slachtoffer] op het bed te gooien, bij de keel te pakken, haar keel dicht te knijpen, nadat zij haar bewustzijn had verloren op haar te zitten en een mes tegen haar keel te houden; Bedreiging door tegen [slachtoffer] te zeggen: “Ik ga je vermoorden”, “Ik ga jou en je kinderen vermoorden” en “Ik ga je gewoon hier neuken, kankerhoer” en stekende bewegingen met een mes in de richting van [slachtoffer] te maken. De tenlastelegging staat in de bijlage. 3Waardering van het bewijs 3.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle (primair) aan verdachte tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. De verklaringen van aangeefster zijn betrouwbaar. Ze zijn consistent en worden ondersteund door het letsel, de getuigen en de bevindingen in de woning van verdachte. De verklaring van verdachte dat aangeefster zichzelf het letsel heeft toegebracht, is hoogst onaannemelijk en onbetrouwbaar. De poging doodslag van feit 3 kan worden bewezen, omdat onder andere uit het deskundigenrapport blijkt dat het toegepaste geweld zodanig was dat daardoor de aanmerkelijke kans op de dood is ontstaan. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman vindt dat verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken. De verklaringen van aangeefster zijn op de meest essentiële onderdelen volstrekt ongeloofwaardig en daarmee onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Aangeefster heeft wisselende, tegenstrijdige en zelfs aantoonbaar leugenachtige verklaringen afgelegd. Het gaat daarbij om zeer wezenlijke verschillen die direct van invloed zijn op de meest essentiële onderdelen van de tenlastelegging. Verdachte heeft in zijn eerste contacten met de politie direct openheid van zaken gegeven. Hij heeft buitengewoon uitgebreid en gedetailleerd verklaard over wat zich die avond heeft afgespeeld en is hierin, anders dan aangeefster, zeer consistent geweest. Niet kan worden vastgesteld dat het letsel van aangeefster pertinent niet pas bij de verklaring van verdachte. Ook niet na de toelichting van de deskundige op zitting. In zijn algemeenheid kan dus voor geen van de feiten worden bewezen dat verdachte geweld heeft gebruikt. Daarnaast geldt per feit het volgende. Feit 1: Verdachte heeft verklaard dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, maar dat daarbij geen dwang is gebruikt. Aangeefster heeft zeer wisselend en tegenstrijdig verklaard over de seksuele handelingen. In alle verhoren heeft aangeefster niet één keer verklaard dat zij door verdachte zou zijn verkracht. Objectief bewijs ontbreekt. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van feit 1. Feit 2: Voor de (poging) zware mishandeling geldt dat niet is komen vast te staan dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel heeft. Ook kan niet worden bewezen dat een aanmerkelijke kans daarop is ontstaan door het handelen van verdachte. Niet is komen vast te staan dat het in de tenlastelegging genoemde letsel, een neusfractuur en de wond op het hoofd, zwaar lichamelijk letsel oplevert. Er is onvoldoende bewijs dat de vermeende gedragingen van verdachte geschikt waren voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Feit 3: De geweldshandelingen kunnen niet worden bewezen. Er is onvoldoende bekend over de manier waarop de vermeende handelingen zijn uitgevoerd en er is geen enkel bewijs voor de stelling dat aangeefster door dat handelen zou komen te overlijden. Er is geen sprake geweest van potentieel levensbedreigend letsel. Daarom moet vrijspraak volgen van de poging tot doodslag. Daarnaast is er onvoldoende bewijs dat verdachte op enig moment (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. Als de rechtbank ook daar niet in meegaat dan geldt dat de dood niet is ingetreden als gevolg van het vrijwillig terugtreden van verdachte en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor de bedreigingen van zowel dit feit als van feit 4 is geen ondersteuning voor de verklaring van aangeefster en moet verdachte worden vrijgesproken. De raadsman heeft tot slot verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen of te schorsen. 3.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank vindt dat bewezen kan worden dat verdachte zich in de bewuste nacht schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling (feit 2), poging doodslag (feit 3) en bedreiging (feit 4) van aangeefster. Van het verkrachten van aangeefster (feit 1) wordt hij vrijgesproken. De rechtbank stelt hieronder eerst de feiten vast. Daarna bespreekt ze het alternatief scenario van verdachte, waarbij ook de bevindingen van de deskundige aan bod komen, en vervolgens de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. De rechtbank trekt daarna per beschuldiging haar conclusies over het bewijs. 3.3.1. Bewijs De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 23 op 24 december 2019 stapt aangeefster rond 00.45 uur in een bus op de Boelelaan in Amsterdam. De buschauffeur ziet dat zij een bebloed gezicht heeft, dat zij nauwelijks uit haar ogen kan kijken omdat ze dichtgeslagen lijken en dat zij in paniek is. De buschauffeur hoort haar zeggen dat hij snel de deuren moet sluiten en “Hij mag me niet te pakken krijgen”. Aangeefster is aangedaan en emotioneel en is aan het huilen. De buschauffeur kan normaal met aangeefster communiceren. Ze is niet verward. Op de spoedeisende hulp wordt onder meer een gebroken neus en een hersenschudding bij aangeefster geconstateerd. Bij aangeefster is op een later moment het volgende letsel vastgesteld: een scheurwond boven op het hoofd; schaafwonden op het hoofd, de rechter bil, de rechter en linker knie; bloeduitstortingen op diverse plekken in het gezicht (voorhoofd, rond de ogen, jukbeenderen, wangen, oogleden), de oorschelp, hals, op de rug (onder schouderblad en in de flank), op de armen, de rechterhand en op de benen; kraswonden op diverse plekken in het gezicht en de hals, en op de rug en vingers; slijmvliesbeschadiging op de bovenlip. Aangeefster heeft op 3 januari 2020 verklaard dat verdachte haar de bewuste avond met een vuist op haar gezicht heeft geslagen waardoor zij naar achteren is gevallen. Hij ging daarmee door tot aangeefster bewusteloos raakte. Iedere keer dat aangeefster bijkwam, bleef verdachte haar de ene klap na de andere geven. Op een gegeven moment heeft verdachte haar weer op bed gezet en is hij haar gaan wurgen met twee handen om haar hals. Toen zij wakker werd zat verdachte op haar. Hij had een mes in zijn hand en duwde dit tegen haar keel. Hij ging haar weer stompen en ging maar door met zijn vuist. Later zette hij het mes ook op haar buik. Hij zei dat zij vandaag dood moest gaan en dat zij het verdiende. Eenmaal buiten was verdachte aangeefster aan het schoppen en stompen. Op 22 september 2020 heeft aangeefster een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Verdachte heeft haar bij haar keel gegrepen. In de slaapkamer heeft hij haar een vuistslag in haar gezicht gegeven. Hij bleef maar slaan. Zij lag knock-out op de grond. Hij trok aan haar haren en hij bleef haar slaan met vuisten. Aangeefster was aan het overgeven. Toen zij op straat waren pakte verdachte haar beet en gooide haar meerdere malen op de grond. Hij schopte en sloeg haar. Toen aangeefster even alleen was belde zij haar vriendin [naam vriendin] of sprak een spraakbericht in en vroeg haar om hulp. [naam vriendin] vroeg haar om haar locatie door te geven. Uiteindelijk rende aangeefster richting de Boelelaan, zag een bus en vroeg de chauffeur om hulp. Zij bonsde op de ramen van de bus. Nadat de chauffeur de deur had geopend, vroeg zij hem de deur dicht te doen. Tegen de politie in het ziekenhuis de nacht van het incident verklaart aangeefster dat verdachte het mes tegen haar keel zette en er een paar keer mee naar haar buik stak. Hij zei tegen haar: “Ik ga je gewoon hier neuken, kankerhoer!” Verdachte zei dat hij haar en haar kinderen zou doodmaken als zij aangifte zou doen. In de woning van verdachte is in de kast een mes (bajonet) aangetroffen. De vriendin van aangeefster, [naam vriendin] , heeft verklaard dat ze van aangeefster een spraakbericht kreeg waarin aangeefster zei: “ [naam vriendin] hij wil mij dood maken, kom mij alsjeblieft ophalen. Hij wil mij doodmaken, help me.” Vervolgens kreeg zij de locatiegegevens van aangeefster. Later kreeg [naam vriendin] nog een spraakbericht dat aangeefster onderweg was naar het VU-ziekenhuis en dat een buschauffeur haar had geholpen. [naam vriendin] is naar aangeefster toe gegaan in het ziekenhuis. Daar heeft aangeefster haar verteld dat verdachte haar heeft geslagen, dat hij haar wilde vermoorden, dat hij een mes op haar keel en in haar buik heeft gezet en dat hij haar in haar bovenarmen heeft gebeten. 3.3.2. Alternatief scenario verdachte Verdachte heeft van begin af aan alle beschuldigingen ontkend en verklaard dat niet hij, maar aangeefster zichzelf het bij haar geconstateerde letsel heeft aangedaan. Omdat deze toedracht niet was onderzocht heeft de rechtbank een deskundige gevraagd om het letsel van aangeefster te bezien in relatie tot zowel de door aangeefster als de door verdachte geschetste toedracht. De deskundige, forensisch arts D. Botter, heeft in zijn rapport van 16 juni 2021 twee hypotheses onderzocht en geconcludeerd dat de bevindingen (het letsel bij aangeefster en verdachte) veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat het letsel bij aangeefster is ontstaan door de door aangeefster geschetste toedracht dan onder de hypothese dat het letsel is ontstaan door de door verdachte geschetste toedracht. De deskundige heeft op de zitting van 7 juli 2021 zijn rapport nader toegelicht. Aangeefster heeft een flink aantal letsels die zich niet laten verklaren door de toedracht die verdachte heeft beschreven. Deze letsels laten zich wel verklaren door het door verdachte toegebrachte geweld zoals aangeefster in haar verklaringen heeft beschreven. In de verklaring van verdachte ontbreken daarnaast een fors aantal letsels die wel bij aangeefster zijn geconstateerd. De volgende letsels worden niet door de toedracht van verdachte verklaard, maar wel door de toedracht van aangeefster: de bloeduitstortingen aan de hals (vooral aan de rechterzijde), de vele bloeduitstortingen aan de armen (met vormen, afmetingen en patronen die zouden kunnen passen bij geweld door zeer krachtig vastgrijpen en bijten), de bloeduitstortingen aan de rug en het patroon aan de rechter flank, de vele bloeduitstortingen aan de benen en voeten, de streepvormige huidbeschadigingen aan het gelaat en de hals, waaronder de parallel verlopende beschadigingen onder het rechter oog, en de punt- en streepvormige huidbeschadigingen bij de billen. Volgens de deskundige sluit het ontbreken van ander zichtbaar letsel dan een gebroken pink aan de handen van verdachte niet uit dat hij geweldshandelingen met zijn handen heeft verricht. Onze handen zijn zo gemaakt dat daarop niet snel bloeduitstortingen ontstaan. Handen worden immers vaak met kracht gebruikt. Het is dus heel goed mogelijk dat verdachte geweldshandelingen tegen aangeefster heeft verricht zonder dat hij daardoor zelf letsel aan zijn handen heeft gekregen. Het letsel aan de hals van aangeefster past volgens de deskundige niet bij de door verdachte beschreven toedracht dat hij aangeefster bij haar nek heeft vastgepakt, omdat alleen het bij de nek pakken in beginsel geen letsel oplevert. Om letsel aan iemands hals te kunnen veroorzaken, moet sprake zijn van fors geweld, zoals een wurghandeling. Bloeduitstortingen aan de hals worden veroorzaakt door een zeer forse duw naar achteren of door het samenknijpen van de hals, omdat op die manier de vaten stukgetrokken worden. Daarbij zijn de mate van de kracht en de individuele anatomische bouw van de betreffende persoon ook van belang. Als iemand slaat en schopt, zal dit bij diegene geen letsel aan de voeten veroorzaken, terwijl het slachtoffer daarvan ernstig letsel kan krijgen. Hetzelfde geldt voor het slaan met de hand. Het letsel aan de hals van aangeefster past meer bij het uitoefenen van fors geweld en niet bij het vastpakken van de nek. De omstandigheid dat het letsel aan de hals van aangeefster aan één kant zat maakt dit niet anders. Het hangt er helemaal van af hoe de hals wordt vastgegrepen en waar de meeste ingreep op de huid is. Dat kan links en rechts verschillen waardoor het letsel zeker niet symmetrisch hoeft voor te komen. Dat geldt nog meer als de hals met één hand wordt vastgepakt. De rechtbank vindt het alternatieve scenario van verdachte dat aangeefster zichzelf het letsel heeft toegebracht niet aannemelijk. De door hem geschetste situatie dat aangeefster zodanig onder invloed zou zijn geweest van alcohol en/of drugs en dat zij als het ware gek zou zijn geworden waarna zij zichzelf veelvuldig en met flinke kracht aanzienlijke verwondingen zou hebben toegebracht, ligt niet voor de hand en vindt geen ondersteuning in het dossier. Bovendien zou verdachte gedurende de avond en de vele geweldshandelingen – het bloed zat letterlijk aan de muur – niet hebben ingegrepen en geen hulp hebben ingeschakeld. Omdat ook het onderzoek van Botter geen aanknopingspunten geeft voor de lezing van verdachte, maar juist ondersteuning vormt voor de verklaring van aangeefster, gaat de rechtbank voorbij aan de door verdachte geschetste toedracht. 3.3.3. Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaringen van aangeefster. Anders dan de verdediging heeft gesteld vindt de rechtbank de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar. Weliswaar verklaart zij op sommige punten niet helemaal eenduidig, maar juist op de voor de beschuldiging essentiële onderdelen van het door verdachte gepleegde geweld verklaart zij in grote lijnen hetzelfde. Bovendien wordt haar verklaring ondersteund door de andere hiervoor genoemde bewijsmiddelen; de verklaringen van de buschauffeur en vriendin [naam vriendin] , het aantreffen van het mes en het letsel. 3.3.4. Het oordeel van de rechtbank per beschuldiging Vrijspraak van verkrachting (feit 1) Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te kunnen komen, moet vast komen te staan dat de seks heeft plaatsgevonden onder enige vorm van dwang. Zowel verdachte als aangeefster hebben verklaard dat zij seks met elkaar hebben gehad, waarbij ook sprake is geweest van penetratie. De rechtbank kan niet vaststellen of de seks onder dwang van het vastgestelde geweld heeft plaatsgevonden, omdat onvoldoende duidelijk wordt of de specifieke in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen / feitelijkheden vóór, na of tijdens de penetratie hebben plaatsgevonden. Het causaal verband tussen de geweldshandelingen en de seks kan dus niet worden vastgesteld. Bewezen: Zware mishandeling (feit 2) De rechtbank stelt op grond van de hiervoor onder 3.3.1 en 3.3.2 genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte de tenlastegelegde geweldshandelingen heeft gepleegd en daarmee aangeefster het hiervoor beschreven letsel heeft toegebracht. Van het schoppen en het bij de nek grijpen wordt verdachte vrijgesproken, omdat de rechtbank wel kan vaststellen dat hij deze geweldshandelingen heeft verricht, maar niet dat hij daarmee het letsel in de tenlastelegging (aan gezicht / hoofd) heeft veroorzaakt. De vraag is vervolgens of het letsel moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank vindt het letsel van aangeefster gezien de hoeveelheid, de verschillende soorten, waaronder de gebroken neus en de hersenschudding, en de spreiding over haar gezicht en hoofd, in zijn totaliteit te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Bewezen: Poging doodslag (feit 3) Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar bij haar hals heeft gepakt en heeft geprobeerd haar te wurgen, waardoor zij buiten bewustzijn is geraakt. Aangeefster heeft letsel aan haar hals dat overeenkomt met een wurghandeling, zoals de forensisch arts Botter op de zitting heeft verklaard. Volgens de deskundige moet haar hals met flinke kracht samengeknepen zijn, aangezien het soort bloeduitstortingen dat aangeefster had alleen met heftige krachtuitoefening veroorzaakt kunnen worden. Die handelingen, met dusdanige kracht dat dit letsel optreedt en lang genoeg dat aangeefster buiten bewustzijn raakt, brengen naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood met zich. Die kans heeft verdachte aanvaard door de wurghandelingen onder deze omstandigheden en met deze kracht te verrichten. Bewezen: Bedreiging (feit 4) Uit de verklaringen van aangeefster blijkt dat verdachte haar meermalen heeft bedreigd, zowel woordelijk als met een mes en dat zij doodsbang was. Zij vreesde voor haar leven en voor het leven van haar kinderen en was bang de zij nacht niet zou overleven. Het door aangeefster omschreven mes is aangetroffen in de woning van verdachte en vormt daarmee ondersteuning voor haar verklaring. Gezien de omstandigheden kon bij aangeefster door de bedreigingen ook in redelijkheid de vrees ontstaan dat verdachte de bedreigingen waar zou maken. 4Bewezenverklaring De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 3.3.1 en 3.3.2 bewezen dat verdachte 2. in de periode van 23 december 2019 tot en met 24 december 2019 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en diverse verwondingen aan haar gezicht en hoofd, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met kracht en met gebalde vuisten te slaan en te stompen in het gezicht en tegen het hoofd, hard aan de haren te trekken, op de grond te gooien en/of met kracht op/tegen het lichaam te duwen waardoor zij op de grond viel; 3. in de periode van 23 december 2019 tot en met 24 december 2019 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] hard bij haar keel heeft vastgepakt en zijn hand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.