RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 20/6809 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , te Amsterdam, eiseres (hierna: [eiseres] ) (gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: Uwv) (gemachtigden: mr. S. Elfert en Y. Huisman). Procesverloop Met een besluit van 1 juli 2020 (het primaire besluit) heeft het Uwv [eiseres] meegedeeld dat zij vanaf 25 december 2019 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat de uitkering niet wordt uitbetaald omdat zij verwijtbaar werkloos is. Met een besluit van 10 november 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard. [eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 15 juli 2021 door middel van een beeldverbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Wat aan deze procedure voorafging 1.1. [eiseres] was sinds 10 januari 2006 in dienst van Meijer Multicleaning B.V. (MMC), laatstelijk in de functie van schoonmaker. Vanwege financiële problemen is verschillende keren, laatstelijk begin 2019, beslag gelegd op het loon van [eiseres] . Op 13 juni 2019 heeft [eiseres] zich ziekgemeld. 1.2. Met een brief van 9 juli 2019 heeft de bedrijfsarts MMC laten weten dat [eiseres] , zonder bericht van verhindering, niet naar het spreekuur is gekomen. 1.3. MMC heeft op 15 juli 2019 voorgesteld door middel van een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst te beëindigen, waarbij [eiseres] een netto vergoeding is aangeboden van € 5.000,-. [eiseres] heeft dit voorstel niet aanvaard. 1.4. [eiseres] heeft rond september een start gemaakt met re-integratiewerkzaamheden, maar is kort daarop weer uitgevallen. 1.5. De bedrijfsarts heeft op 15 november 2019 het advies gegeven om in november een time-out te nemen en per december het eigen werk voor 50% te hervatten. 1.6. MMC heeft op 15 november 2019 ook een tweede voorstel gedaan om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, ditmaal tegen een netto vergoeding van € 6.500,-. [eiseres] is op dit voorstel niet ingegaan. 1.7. [eiseres] is op 2 december 2019 niet naar het werk gekomen. Daarom heeft MMC de loondoorbetaling per 2 december 2019 stopgezet en een officiële waarschuwing aan [eiseres] gegeven. 1.8. MMC heeft [eiseres] met brieven van 2 december 2019, 3 januari 2020, 7 januari 2020, 15 januari 2020 en 21 januari 2020 gemaand het werk te hervatten. [eiseres] is echter niet meer op het werk verschenen. 1.9. Op 31 januari 2020 heeft MMC een deskundigenoordeel aan het Uwv gevraagd. De conclusie in het rapport van een arbeidsdeskundige van het Uwv van 27 februari 2020 is dat de re-integratie-inspanningen van [eiseres] onvoldoende zijn. 1.10. MMC heeft vervolgens op 16 maart 2020 een verzoek bij de kantonrechter ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens MMC is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de kant van [eiseres] vanwege de weigering mee te werken aan haar re-integratie. 1.11. Op 2 juni 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam een beschikking afgegeven waarin is bepaald dat [eiseres] niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en dat hiervoor geen redelijke grond is gebleken. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan [eiseres] een transitievergoeding toegekend. Huidige procedure 2.1. [eiseres] heeft op 12 juni 2020 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend bij het Uwv. 2.2. In het primaire besluit heeft het Uwv bepaald dat [eiseres] vanaf 25 december 2019 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat de uitkering niet wordt uitbetaald omdat zij verwijtbaar werkloos wordt geacht. 2.3. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat [eiseres] zich niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft gehouden en dat dit een dringende reden was voor de beëindiging van haar dienstverband. Volgens het Uwv is uit onderzoek gebleken dat [eiseres] verwijtbaar niet meewerkte aan haar re-integratie. Zij is niet verschenen op een afspraak bij de bedrijfsarts, zij heeft op 2 december 2019 niet het werk hervat ondanks het oordeel van de bedrijfsarts en zij heeft niet gereageerd op de brieven van MMC. MMC heeft een officiële waarschuwing gegeven en de loondoorbetaling stopgezet om [eiseres] weer op de werkvloer te krijgen. Dit alles mocht niet baten, aldus het Uwv. Volgens het Uwv had het [eiseres] duidelijk moeten zijn dat MMC [eiseres] het voorgaande kwalijk zou nemen en hierin reden voor een arbeidsrechtelijke consequentie zou zien. Het niet meewerken aan de re-integratie, ook niet na waarschuwingsbrieven en de loonstop, wordt aangemerkt als een arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag, hetgeen [eiseres] verweten kan worden. De door [eiseres] genoemde persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om aan de dringendheid van de ontslagreden te twijfelen, aldus het Uwv. Standpunt [eiseres] 3. [eiseres] voert – samengevat – aan dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid op grond waarvan haar een WW-uitkering zou moeten worden ontzegd. Volgens Fortunao is er geen sprake van een dringende reden die aan haar kan worden verweten. De werkgever heeft destijds geen aanleiding gezien voor een ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:677 van het BW waarvoor een dringende reden is vereist en ook de kantonrechter spreekt in haar uitspraak niet van ernstig verwijtbaar handelen door [eiseres] . Het Uwv heeft dit ten onrechte miskend. Volgens [eiseres] heeft zij altijd aan re-integratie meegewerkt en is zij keurig op 1 augustus 2019 met haar re-integratie gestart. Volgens [eiseres] heeft de werkgever ongeoorloofd veel druk op haar uitgeoefend om een vaststellingsovereenkomst te sluiten, waardoor zij op 2 december 2019 niet meer durfde te verschijnen uit angst haar baan te verliezen. [eiseres] heeft na de waarschuwingsbrieven contact gezocht met haar maatschappelijk werkster en de brieven van MMC aan haar overhandigd. Door de uitbraak van het coronavirus kon zij geen contact meer krijgen met de maatschappelijk werkster en wist zij niet welke stappen zij moest ondernemen. [eiseres] had al met al dus wel degelijk een deugdelijke grond om niet te verschijnen op 2 december 2019, zodat het oordeel van de arbeidsdeskundige niet als leidraad had mogen dienen voor de vraag of [eiseres] al dan niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat alle omstandigheden in acht genomen, haar geen verwijt kan worden gemaakt van enige dringende reden. Het oordeel van de rechtbank 4. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. 5. Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt – voor zover hier van belang – dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. Uit het elfde lid van artikel 27 volgt de berekening van het bedrag. 6. Ter beoordeling ligt voor de vraag of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat [eiseres] verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, nu aan haar ontslag een dringende reden als bedoeld in artikel 6:678 van het BW ten grondslag ligt en [eiseres] ter zake een verwijt kan worden gemaakt. 7. Voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid dient, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren naast de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.