← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:4573

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/3059 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen de besloten vennootschap De Volkskrant B.V., eiseres, ( [gemachtigde eiseres] ) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, namens deze, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, verweerder, ( [gemachtigde verweerder] ) Procesverloop Eiseres heeft met de brief 2 juni 2021, door de rechtbank ontvangen op 3 juni 2021, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift. Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
  3. Eiseres heeft met een brief van 18 december 2020 een Wob-verzoek ingediend. Hierin verzoekt zij om openbaarmaking van informatie over -kort gezegd- asielzoekers die van Nederland naar Griekenland worden terug gestuurd. Verweerder heeft bevestigd dit verzoek op 22 december 2020 te hebben ontvangen. De rechtbank overweegt dat verweerder binnen vier weken op het Wob-verzoek moet beslissen, tenzij verweerder binnen die termijn aangeeft dat meer tijd nodig is om te beslissen op het verzoek. In dat geval kan de termijn met vier weken worden verlengd. Met de brief van 20 januari 2021 heeft verweerder de behandeltermijn met vier weken verlengd. Dat betekent dat verweerder in beginsel uiterlijk op 17 februari 2021 op het verzoek had moeten beslissen. Verweerder heeft dat niet gedaan. Met de brief van 2 april 2021 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiseres bij brief van 2 juni 2021, ontvangen op 3 juni 2021, in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
  4. De rechtbank stelt, met partijen, vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan.
  5. Het beroep is dus gegrond.
  6. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. In het verweerschrift van 17 juni 2021 heeft verweerder verklaard dat het besluit zich in de afrondende fase bevindt en dat het besluit binnen vier weken aan eiser zal worden verstuurd. Daarnaast stelt verweerder dat de reden van de vertraagde afhandeling is gelegen in het grote aantal omvangrijke Wob-verzoeken die verweerder tegelijk met het verzoek van eiseres heeft gekregen. Daarnaast is de hoeveelheid overige werkzaamheden toegenomen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet maken dat er sprake is van een bijzonder geval. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden moet verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend maken.
  7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; draagt verweerder op binnen 14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑, en draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Artikel 6, eerste lid, van de Wob. Artikel 6, tweede lid, van de Wob. Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.