← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:5144

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752177-19 RK nummer: 21/2169 Datum uitspraak: 7 juli 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 juli 2019 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [plaatsnaam] (Polen) op [geboortedag] 1993, ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres: [adres opgeëiste persoon] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 juni 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.A. Purperhart, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft de behandeling met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 7 juli 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.A. Purperhart, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een: judgement issued at the district court in Krakow, third criminal division on 22 June 2012, reference III K 184/11; judgement issued at Krakow-Nowa Huta regional court in Krakow, second criminal division on 22 Nov. 2013, reference II K 449/12/N. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot deze vonnissen hebben geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden (vonnis A) en 2 jaren (vonnis B), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Volgens de in rubriek
  2. c)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: 1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eerste voorwaarde Met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie ter zitting van 7 juli 2021, is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde stukken volgt dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. Op basis van het dossier en de door de raadsvrouw overgelegde verblijfs- en inkomensgegevens – waaruit onder andere volgt dat de opgeëiste persoon over de jaren 2016 tot en met 2020 steeds een inkomen van ruim 50 procent van de bijstandsnorm heeft genoten als werknemer – moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. De officier van justitie ter zitting van 7 juli 2021 heeft – anders dan de officier van justitie ter zitting van 15 juni 2021 – gesteld dat ten aanzien van een korte periode in 2019 geen gegevens zijn overgelegd over de feitelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon, zodat geen sprake is van een onafgebroken feitelijk verblijf in Nederland. Daargelaten of hiermee aannemelijk is gemaakt dat de opgeëiste persoon in die korte periode feitelijk niet in Nederland heeft verbleven, merkt de rechtbank op dat een korte feitelijke onderbreking van het verblijf niet zonder meer de rechtmatigheid van dat verblijf aantast of onderbreekt. Ook gelet op alle overgelegde verblijfs- en inkomensgegevens, leidt het standpunt van de officier van justitie niet tot het oordeel dat de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland is aangetast of onderbroken. Tweede voorwaarde Tot slot moet de rechtbank toetsen of ook is voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat zal moeten gebeuren aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Bij brief van 15 juni 2021 is door de IND onder andere meegedeeld dat de strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de heer [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: (poging tot) diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW, is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen, maar deze gevangenhouding direct schorsen onder dezelfde voorwaarden die golden bij de eerdere schorsing. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is, dient de overlevering te worden geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 Overleveringswet. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland. HEFT OP de overleveringsdetentie. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen en schorst deze gevangenhouding onder dezelfde voorwaarden die golden bij de eerdere schorsing. Dit bevel is apart opgemaakt. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en C.W.M. Giesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2021. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.