vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.122322.20 Datum uitspraak: 20 september 2021 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006, wonende op het adres [adres 1] 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 augustus 2021 en 20 september 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.D. Braber en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Schwab, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerkster Raad voor de Kinderbescherming] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerkster Jeugdbescherming Regio Amsterdam] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de ouders van verdachte naar voren is gebracht. Onderhavige zaak is ter zitting van 30 augustus 2021 gelijktijdig en gevoegd behandeld met de zaak met parketnummer 13.066752.20. Op de zitting van 20 september 2021 is de zaak met laatstgenoemd parketnummer afgesplitst van de onderhavige zaak. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: computervredebreuk in vereniging en/of het verwerven, verspreiden of voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel en/of gebruikersaccounts in vereniging met het oogmerk tot het plegen van computervredebreuk in de periode van 1 januari 2020 tot en met 3 mei 2020 te Amsterdam en/of in België; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: het verwerven en/of voorhanden hebben en/of verspreiden van een technisch hulpmiddel en/of gebruikersaccounts in vereniging met het oogmerk tot het plegen van computervredebreuk in de periode van 1 januari 2020 tot en met 3 mei 2020 te Amsterdam; Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel van geldbedragen toebehorende aan [persoon 1] en/of [persoon 2] in de periode van 22 januari 2020 tot en met 25 januari 2020 te Amsterdam en/of België; Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: oplichting in vereniging van Adidas en/of Bol.com in de periode van 1 januari 2020 tot en met 3 mei 2020; Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: poging oplichting in vereniging van Zalando en/of Adidas en/of Bol.com en/of Otto en/of andere webshops in de periode van 1 januari 2020 tot en met 3 mei 2020 te Amsterdam en/of België; Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde: deelname als leidinggever aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2020 tot en met 3 mei 2020 te Amsterdam en/of België; De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1 Partiële nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 5 De rechtbank beoordeelt ambtshalve of het onder 5 ten laste voldoet aan de eisen die in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan de dagvaarding worden gesteld. De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging een zodanige opgave van het feit dient te zijn, dat in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen. Zij overweegt daartoe het volgende. Krachtens artikel 261 Sv moet de tenlastelegging duidelijk, begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Uit de bewoordingen van het onder 5 ten laste gelegde volgt dat verdachte wordt beschuldigd van pogingen tot oplichting zoals strafbaar gesteld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze pogingen tot oplichtingen zouden er – blijkens de tenlastelegging – uit hebben bestaan dat verdachte: “ (..) (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) Zalando en/of Adidas en/of Bol.com en/of Otto en/of (een) andere webshop(s), (telkens) te bewegen tot de afgifte van een of meer goederen, (..)” Er is, na een grootschalig opsporingsonderzoek, sprake van een omvangrijk en voor een deel onoverzichtelijk dossier, dat ruim 4000 pagina’s beslaat. Het onder 5 ten laste gelegde is niet gespecificeerd op datum of zaaksdossier en door de officier van justitie is in haar requisitoir ten aanzien van dit feit niet verwezen naar specifieke tapgesprekken of bevindingen. Hierdoor is niet duidelijk op welke individuele handelingen deze beschuldiging is gericht. Ook in het licht van het onderliggende dossier is de tenlastelegging ten aanzien van feit 5 onvoldoende concreet. Daardoor is voor de rechtbank niet duidelijk welke concrete pogingen tot oplichting hier aan verdachte worden verweten. Daarmee voldoet de tenlastelegging ten aanzien van de pogingen tot oplichting van Zalando, Bol.com, Otto en/of andere webshops niet aan de eisen die in artikel 261 Sv aan de dagvaarding worden gesteld. Dit is anders ten aanzien van de poging tot oplichting van Adidas. De officier van justitie heeft ten aanzien van deze poging tot oplichting in haar requisitoir verwezen naar een specifiek zaaksdossier en dus handelingen die verdachte zou hebben verricht. De rechtbank zal daarom de dagvaarding partieel nietig verklaren ten aanzien van de onder 5 ten laste gelegde poging tot oplichting in vereniging van Zalando, Bol.com, Otto en/of andere webshops. 3.2 Overige voorvragen De dagvaarding is ten aanzien van feit 1, 2, 3, 4, 5 (ten aanzien van de poging tot oplichting in vereniging van Adidas) en 6 geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs Naar aanleiding van een onderzoek van de politie naar een reeks straatroven en binnen dat onderzoek aangesloten taps kwamen begin 2021 andere verdenkingen naar voren en werd een nieuw onderzoek opgestart onder de naam Haramachi. Uit dit onderzoek bleek dat er meerdere verdachten waren die zich bezig hielden met phishing en pakketfraude en onderling nauw met elkaar samenwerkten. Werkwijze De slachtoffers van phishing werden gevonden op de websites marktplaats.nl en 2ehands.be. Zij werden door middel van een gehackt of frauduleus account benaderd, door personen die zich voordeden als (ver)kopers van de op die websites aangeboden goederen. Deze personen gaven daarbij te kennen dat zij zelf eerder slachtoffer waren geworden van oplichting en dat zij daarom de betrouwbaarheid van de tegenpartij wilden verifiëren door middel van het versturen van een betaallink voor een klein geldbedrag. Dit betrof een phishinglink waarmee de slachtoffers naar een imitatiewebsite van een bank werden geleid. Op het moment dat de slachtoffers daarop voor de overboeking hun gegevens invulden, werden die direct inzichtelijk voor de verdachten. De verdachten konden met die gegevens vervolgens inloggen in de digitale bankomgeving van het slachtoffer en zodoende beschikken over het geld op de bankrekening. Zij schreven bijvoorbeeld geld van de slachtoffers over naar de bankrekeningen van zogenoemde ‘money mules’, waarna het geld van die rekeningen werd gepind. Ook kochten zij voor zichzelf goederen met gebruik van de bankrekening van het slachtoffer. De gehackte accounts werden veelal via de applicatie Telegram verkregen in de vorm van zogenoemde binlists en/of combolists. Dit zijn bestanden met gehackte persoonlijke gegevens van derden, zoals accountnamen en/of e-mailadressen met bijbehorende wachtwoorden van webshops, adressen en telefoonnummers. Met behulp van de gegevens van de binlists en/of combolists werd ook de pakketfraude gepleegd. De verdachten kochten online goederen aan met de gehackte accounts van onder meer Marktplaats en webshops. Deze lieten zij afleveren op (via Funda gevonden) adressen waar op niemand woonde, waarna zij de goederen lieten ophalen door anderen, vaak jonge jongens. Gegevensdragers en IP-adres Tijdens de aanhouding van verdachte en de medeverdachten zijn meerdere gegevensdragers in beslag genomen. De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van de vraag of de gegevensdragers aan verdachte gekoppeld kunnen worden. Samsung telefoon (goednummer 5914681) Tijdens de doorzoeking op 4 mei 2020 is in de slaapkamer van verdachte een Samsung telefoon in beslag genomen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in bezit is van een Samsung Galaxy A7. Verdachte heeft niet ontkend dat de inbeslaggenomen telefoon aan hem toebehoort. Gelet hierop en omdat de telefoon in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen, concludeert de rechtbank dat verdachte de gebruiker is geweest van de telefoon. Samsung A70 (goednummer 5897334) In de slaapkamer van verdachte is tijdens een doorzoeking op 16 maart 2020 een Samsung A70 telefoon in beslag genomen. In deze telefoon zijn meerdere foto’s en schoolgegevens aangetroffen die te relateren zijn aan verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ten tijde van de aanhouding gebruik maakte van de Samsung A70 telefoon die in beslag is genomen. De rechtbank concludeert derhalve dat verdachte gebruiker was van de betreffende telefoon. iPad (goednummer 5897321) In de slaapkamer van verdachte is tijdens de doorzoeking een iPad aangetroffen. Verdachte heeft bij de politie en tijdens de zitting verklaard dat hij een iPad heeft. De rechtbank concludeert daarom dat verdachte de gebruiker is geweest van de bij hem inbeslaggenomen iPad. Alcatel telefoon (goednummer 5875343) Tijdens de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 1] is een Alcatel telefoon in beslag genomen. Deze telefoon zou volgens de politie toebehoren aan de organisatie. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tevens verklaard dat de Alcatel telefoon door meerdere leden van de organisatie werd gebruikt. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in ieder geval medeverdachte [medeverdachte 1] , nu de telefoon bij hem is aangetroffen, en medeverdachte [medeverdachte 3] , gelet op de tapgesprekken, gebruik hebben gemaakt van de telefoon. Behalve de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] dat meerdere leden van de organisatie gebruik zouden maken van de telefoon, zijn er geen aanwijzingen dat verdachte de Alcatel telefoon daadwerkelijk voorhanden heeft gehad of heeft gebruikt. De rechtbank zal verdachte daarom niet aanmerken als gebruiker van de telefoon. IP-adres Het IP-adres van de ouderlijke woning van verdachte, te weten [adres 1] , betreft [IP-adres] . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte gebruik heeft gemaakt van dit IP-adres. Ten aanzien van de feiten overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover verdachte bij de verschillende ten laste gelegde feiten partieel zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank dat hieronder per feit bespreken. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde: De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte zich bezig heeft gehouden met computervredebreuk en pakketfraude. Uit onderzoek naar de gegevensdragers blijkt onder andere dat verdachte over meerdere binlists en/of combolists beschikte, deze verspreidde en er zijn chatgesprekken aangetroffen die betrekking hebben op phishing en pakketfraude. Er zijn verschillende personen die aangifte hebben gedaan omdat zij door middel van phishing op betalingslinkjes hebben geklikt, waarna er geld van hun rekeningen is afgeschreven. Onderzoek heeft ertoe geleid dat verdachte hieraan gekoppeld kan worden omdat er vanaf zijn IP-adres is ingelogd op 2ehands.be-accounts waarna contact is gezocht met de slachtoffers die op een betaallink klikten, dan wel is vanaf zijn IP-adres de bankrekening van het slachtoffer benaderd. Dit is aangevers [persoon 1] en [persoon 2] overkomen. Tevens heeft verdachte bestellingen gedaan via gehackte accounts. Een deel van deze bestellingen is gedaan via het IP-adres van verdachte en bovendien zijn screenshots van een deel van de bestellingen aangetroffen op zijn iPad, te weten in zaaksdossiers 4, 5, 6 en 14. De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte ter zake van enkele van de zaaksdossiers dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft een deels bekennende verklaring afgelegd, kort gezegd dat hij heeft gevist en ook frauduleuze bestellingen heeft gedaan. De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken voor hetgeen tenlastegelegd in zaaksdossier 5, 12 en 14. Ten aanzien van zaaksdossier 14 heeft de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht dat verdachte weliswaar heeft verklaard frauduleuze bestellingen te hebben laten leveren op [adres 2] , maar deze verklaring is onvoldoende concreet om te kunnen vaststellen dat verdachte ook deze bestelling heeft geplaatst. Tevens is het bestelde windjack niet bij verdachte aangetroffen en levert een screenshot op zijn iPad onvoldoende bewijs op voor een wezenlijke bijdrage in deze zaak. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier en ook uit de verklaring van verdachte volgt dat hij zich gedurende enkele maanden samen met zijn medeverdachten heeft bezig gehouden met phishing en pakketfraude. Verdachte heeft bij de politie en ook ter zitting bekend dat hij heeft ingelogd op het internetbankieren account van aangever [persoon 1] en geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van [persoon 3] (zaaksdossier 1). Tevens heeft verdachte bekend dat hij verschillende bestellingen heeft geplaatst bij Adidas met gehackte accounts, heeft gekozen voor de betalingsoptie ‘Afterpay’, de pakketjes heeft laten afleveren bij valse afleveradressen en voor de bestelling uiteindelijk nooit heeft betaald. Dit betreffen de zaaksdossiers 4 en 6. Ten aanzien van zaaksdossier 14, een bestelling via het Adidas-account van [persoon 4] , heeft verdachte een ontkennende verklaring afgelegd. Door aangeefster [persoon 4] is aangifte gedaan van frauduleuze bestellingen op haar Adidas account. Er zijn twee bestellingen op haar naam geplaatst, namelijk op [adres 2] en enige tijd later op [bedrijf 1] te Amsterdam. Van de eerste bestelling is een screenshot op de iPad van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft hier geen verklaring voor gegeven. Ook is op de telefoon van verdachte een filmpje aangetroffen waarop verdachte is te horen en dat hij roept: ‘M’n young swipers, m’n young swipers! Kijk ze halen pakketten op!’. Te zien is dat twee jongens bij een portiekdeur staan op [adres 2] te Amsterdam. Hoewel de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld of het bezorgmoment van de bestelling die op naam van [persoon 4] is geplaatst, op dit filmpje is te zien, maakt dit filmpje wel duidelijk dat verdachte bestellingen liet bezorgen op [adres 2] . Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij inderdaad frauduleuze bestellingen heeft laten leveren op [adres 2] . Deze feiten en omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring ten aanzien van het FC Bayern München windjack op het account van [persoon 4] van Adidas. Ten aanzien van de tweede bestelling op naam van [persoon 4] zal de rechtbank verdachte vrijspreken. Dat verdachte de ene bestelling op het betreffende account heeft geplaatst, betekent niet dat ook bewezen kan worden dat hij als medepleger is aan te merken ten aanzien van de andere bestelling. Uit het dossier blijkt dit immers niet. Daarnaast is uit het dossier ook gebleken dat de binlisten tussen de medeverdachten rouleren. De rechtbank overweegt ten aanzien van zaaksdossier 5, de bestelling van twee keukenweegschalen via het Bol.com-account van [persoon 1] , dat verdachte op basis van een tapgesprek aan deze bestelling is gelinkt. In het tapgesprek heeft verdachte het over een weegschaal die zijn moeder niet mag vinden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat dit een weegschaal voor drugs betrof en geen frauduleus bestelde weegschaal. De rechtbank acht dit enkele tapgesprek onvoldoende bewijs dat verdachte heeft ingelogd op het Bol.com-account van [persoon 1] en de betreffende bestelling heeft geplaatst. De rechtbank zal verdachte derhalve partieel vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging. Op de telefoon van verdachte is een screenshot aangetroffen van gegevens behorende bij aangeefster [persoon 2] , namelijk haar e-mailadres, telefoonnummer en adres. Uit haar aangifte blijkt dat zij via 2ehands.be is opgelicht door middel van een phishinglink. Uit onderzoek is gebleken dat met de SessionID van medeverdachte [medeverdachte 3] is ingelogd op het 2ehands.be-account van [persoon 5] , het account waarmee de phishinglink naar aangeefster [persoon 2] is verstuurd, en dat het telefoonnummer behorende bij de Alcatel telefoon is opgegeven voor een betalingsbevestiging via Payconiq. De rechtbank heeft eerder overwogen dat verdachte niet kan worden aangemerkt als gebruiker van de Alcatel telefoon. Uit het dossier blijkt dat niet door verdachte maar door medeverdachte [medeverdachte 3] is ingelogd op het 2ehands.be-account van [persoon 5] . De rechtbank ziet geen bewijs voor enige bijdrage van verdachte en zal verdachte daarom partieel vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging. Ten aanzien van het onder 1 cumulatief en 2 ten laste gelegde: De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen tenlastegelegd in zaaksdossier 5, 12 en 14, op dezelfde gronden zoals hiervoor bij feit 1 is aangegeven, en heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier, waaronder het onderzoek naar de gegevensdragers van verdachte, en uit de bekennende verklaring van verdachte blijkt dat verdachte meerdere binlists en/of combolists voorhanden heeft gehad. Derhalve kunnen de onder 1 cumulatief en onder 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van hetgeen tenlastegelegd in zaakdossier 5 en 12, zoals hierboven onder feit 1 al door de rechtbank is overwogen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor hetgeen onder zaaksdossier 12 ten laste is gelegd. De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder zaaksdossier 1 ten laste gelegde. De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van geldbedragen toebehorende aan [persoon 1] door middel van een valse sleutel. Ten aanzien van de diefstal van een geldbedrag toebehorende aan aangeefster [persoon 2] heeft de rechtbank onder feit 1 primair al overwogen dat de betrokkenheid van verdachte bij dit feit niet kan worden aangetoond. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor hetgeen onder zaaksdossier 5 en 14 ten laste is gelegd, zoals eerder onder feit 1 primair ook al is aangevoerd. De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder zaaksdossier 4 en 6 ten laste gelegde. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de oplichting van Bol.com en de tweede bestelling op naam van [persoon 4] heeft de rechtbank onder feit 1 primair al overwogen dat de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten niet kan worden aangetoond. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging. Op basis van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan de oplichting van Adidas, zoals eerder onder feit 1 primair al is overwogen en zoals in zaakdossiers 4, 6 en 14 ten laste is gelegd. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Via het Adidas-account van Verweerde zijn meerdere goederen besteld. Verdachte heeft bekend dat hij twee bestellingen op zijn naam heeft geplaatst en dit blijkt ook uit het dossier. Aangever heeft een derde bestelling kunnen voorkomen. Echter, gelet op de voltooide oplichtingen kan volgens de officier van justitie ook de poging oplichting van Adidas worden bewezen. De raadsvrouw van verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt als volgt. Via het Adidas-account van Verweerde zijn drie bestellingen geplaatst. Verdachte heeft bekend dat hij twee van deze bestellingen heeft geplaatst. Een derde bestelling heeft aangever kunnen annuleren. Uit de aangifte is niet gebleken wanneer de derde bestelling is geplaatst en op welk adres deze afgeleverd zou moeten worden. Tevens is uit de gegevens van Klarna niet gebleken dat tijdens de derde bestelling op het account van Verweerde is ingelogd via het IP-adres van verdachte, in tegenstelling tot bij de eerste twee bestellingen. Gelet op het feit dat de binlisten en adressen van leegstaande woningen rouleerden tussen de verdachten en dat geen concrete betrokkenheid van verdachte kan worden aangetoond bij de derde bestelling, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde poging oplichting van Adidas. Ten aanzien van de overige webshops heeft de rechtbank de dagvaarding onder 3.2 partieel nietig verklaard, zodat hier geen verdere beslissing over dient te worden genomen. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde: De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte kan worden aangemerkt als leider en uitvoerder binnen de criminele organisatie. Zo is er een video op de telefoon van verdachte gevonden waarin hij riep: ‘m’n young swipers, m’n young swipers’, kijk ze halen pakketten op!’ De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte niet kan worden gezien als leidinggever van de criminele organisatie. Tevens heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte pas sinds 18 januari 2020 in beeld komt en dat de tenlastegelegde periode derhalve ingekort dient te worden. De rechtbank overweegt als volgt. In het onderzoek zijn meerdere verdachten naar voren gekomen als personen die onderling met elkaar samenwerkten ten behoeve van het plegen van cybercrime gerelateerde misdrijven. Door het Openbaar Ministerie zijn onder andere de verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] aangemerkt als leden van de criminele organisatie. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of sprake is van een dergelijke organisatie en of verdachte daarvan deel uitmaakte. Beoordelingskader criminele organisatie In artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling heeft betrekking op de persoonlijke betrokkenheid van een verdachte bij een criminele organisatie. Om van een organisatie als hier bedoeld te spreken moet het gaan om een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Voor de deelneming aan die organisatie is van belang dat verdachte bij de organisatie hoort en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat het doel van de organisatie het plegen van misdrijven is en moet opzet hebben op het deelnemen aan die organisatie. Als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie of een aan die organisatie ondersteunende handeling heeft verricht, dan volgt daaruit zijn wetenschap met betrekking tot dat doel. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte zich met mededaders telkens heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor omschreven feiten, waaronder computervredebreuk en marktplaatsoplichting. Op de onder verdachte en zijn mededaders in beslaggenomen gegevensdragers zijn grote hoeveelheden betaallinks, accountgegevens en conversaties met anderen aangetroffen, in één van de gegevensdragers stonden 2,5 miljoen verschillende combinaties van gebruikersaccounts en wachtwoorden. Daarnaast zijn panels aangetroffen die het mogelijk maakten phishingwebsites te maken. Er is een groot aantal telefoongesprekken geregistreerd tussen verdachten en zijn mededaders waarin wordt gesproken over bedragen, banken, inloggen op accounts, binlists en meer. Uit het dossier blijkt dat in genoemde tapgesprekken tussen de verschillende verdachten in versluierd taalgebruik werd gesproken. Zo werd er niet alleen in vakjargon met algemene phishing gerelateerde termen gesproken, maar hadden de verdachten ook eigen ‘vaktermen’ ontwikkeld, zoals KBCtje (KBC bank), green (bitcoin wallet), orange (ING bank), acci’s (accounts), lappie (laptop) en centraal (station Amsterdam Centraal). Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] bleek dat zij op de hoogte waren van het vakjargon. Zo verklaarde verdachte geen ‘bonker’ te zijn, maar een ‘visser’. Hij reageerde op advertenties via 2ehands.be en zocht naar mensen die op de neppe betaallink wilden drukken. Hij zou zelf geen ‘panel’ hebben die linkjes maakt, maar daar zou iemand anders achter zitten. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat ‘vissen’ reageren is en dat een ‘panel’ een neppe bankomgeving is. Een ‘bonker’ zou iemand zijn die het geld doorsluist van de rekeningen. Ook heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verklaard dat bij het phishen vooraf werd afgesproken dat er 25% van de buit naar de visser ging, 25% naar de bonker en dat hij niet wist wie die andere 50% kreeg. Het dossier bevat tapgesprekken waaruit blijkt dat verdachten elkaar hielpen als ze bij het phishen tegen bepaalde problemen aanliepen. Op diverse in beslag genomen telefoons zijn adviezen en werkwijzen voor phishing en het gebruik van binlists aangetroffen. Tevens maakten verdachte en zijn medeverdachten deel uit van de chatgroep ‘Team’, waarin onder meer werkzaamheden en bankoverschrijvingen werden gedeeld. De organisatie De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband. Dit samenwerkingsverband blijkt onder andere uit de tapgesprekken over cybercriminaliteit die al maanden voor de aanhoudingen van de verdachten terug gaan. Uit de inhoud van de gesprekken blijkt ook de frequentie en de intensiteit van de gepleegde criminaliteit. Daarnaast is er sprake van een zekere structuur en rolverdeling binnen de organisatie. Uit de tapgesprekken en de verklaringen van verdachte en de medeverdachten blijkt dat sommige leden van de organisatie zich bezig hielden met het vissen, anderen het geld van de bankrekening haalden, zogenaamde bonkers en weer anderen het geld pinden. Daarnaast hielden ook enkele leden van de organisatie zich naast het phishen bezig met pakketfraude, waaronder verdachte. Een voorbeeld van de samenwerking tussen de verdachten zijn de tapgesprekken met betrekking tot aangever [persoon 1] , te weten de tapgesprekken van 25 en 26 januari 2020. Tevens is sprake geweest van het zorgvuldig uitkiezen van slachtoffers. De verdachten kozen hun slachtoffers in België, omdat zij deze manier van oplichting nog niet door zouden hebben en in Nederland wel. Ook zijn er meerdere tapgesprekken over het gebruik maken van afgeschermde verbindingen, zoals VPS en VPN en over de verdeling van de buit. De rol van verdachte De rechtbank concludeert op grond van de tapgesprekken dat verdachte een belangrijk onderdeel uitmaakte van de organisatie. Verdachte beschikte over een grote hoeveelheid digitale kennis en hielp de andere verdachten als zij bijvoorbeeld tegen problemen aanliepen tijdens het phishen. Ook wierf verdachte nieuwe ‘vissers’, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard. Verdachte had een faciliterende rol door bijvoorbeeld het verspreiden van binlists en combolists naar andere leden van de organisatie. Verdachte was ook een uitvoerder. Uit de tapgesprekken blijkt dat hij volop aan het phishen was. Tevens heeft verdachte een uitvoerende rol gehad binnen de pakketfraude. Hij heeft ingelogd op onrechtmatig verkregen webshop-accounts en hierop frauduleus goederen besteld. Verdachte zocht naar leegstaande woningen waar de pakketjes konden worden bezorgd. Deze adressen en ook diverse binlists en combolists stuurde verdachte door naar de andere leden van de organisatie. Hiermee vervulde hij ook een faciliterende rol binnen de pakketfraude. Hiermee staat vast dat verdachte heeft bijgedragen aan het verwezenlijken van het gezamenlijke doel van de organisatie om phishing en pakketfraude te plegen. Naar oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte een faciliterende en uitvoerende rol heeft gehad binnen de criminele organisatie. De rechtbank kan op grond van het dossier en de daarin aanwezige tapgesprekken echter niet vast stellen dat verdachte daadwerkelijke leiding gaf binnen de organisatie, ook omdat de organisatie en de leden daarvan slechts een beperkte periode in het zicht van politie is geweest. Met betrekking tot de tenlastegelegde periode overweegt de rechtbank dat uit de Samsung telefoon die aan verdachte is gekoppeld blijkt dat verdachte zich in 2019 al bezighield met phishing en pakketfraude. Zo is er een chat op zijn telefoon aangetroffen van 7 december 2019 waarin medeverdachte [medeverdachte 3] een binlist van Otto naar verdachte stuurt. Tevens is er een gesprek aangetroffen van 20 december 2019 waarin verdachte aan [persoon 8] vraagt of hij een pakketje voor hem op kan halen. De rechtbank stelt daarom vast dat verdachte zich gedurende de gehele tenlastegelegde periode, te weten van 1 januari 2020 tot en met 3 mei 2020, heeft bezig gehouden met phishing en pakketfraude en in die periode dus ook heeft deelgenomen aan de organisatie. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat wettig en overtuigen bewezen dat verdachte Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: in de periode van 1 januari 2020 tot en met 3 mei 2020 te Amsterdam en/of in België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk, in een gedeelte van een geautomatiseerd werk, te weten internetbankieren-accounts, waaronder - het [bedrijf 2] internetbankieren account toebehorende aan [persoon 1] en/of de mobiel bankieren app van [bedrijf 2] en/of de webserver(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.