← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:5305

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751775-21 RK nummer: 21/3940 Datum uitspraak: 21 september 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 maart 2019 door The Regional Court in Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [naam opgeéiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 september

  1. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft op 19 augustus 2021 afstand gedaan van het recht om ter zitting aanwezig te zijn. Namens de opgeëiste persoon heeft zijn gemachtigd raadsman het woord gevoerd, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, te weten de final and non-appealable judgement of the Regional Court in Szczecin van 13 september 2018 (referentienummer: III K 220/18). Het vonnis is onherroepelijk geworden op 21 september
  2. Op 4 januari 2019 is er vervolgens een nationaal arrestatiebevel betreffende de opgeëiste persoon uitgevaardigd. In het EAB en in de aanvullende informatie, te weten de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 augustus 2021, staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de zitting die tot de uitspraak heeft geleid. Ook was de opgeëiste persoon in persoon bij de uitspraak aanwezig, waarbij hij is gewezen op de mogelijkheden tot het instellen van hoger beroep. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. Uit het dossier volgt dat op het feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
  3. Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de tussenuitspraak van deze rechtbank van 10 augustus 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:4334) op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden nu de prejudiciële vragen die zijn gesteld door The Supreme Court in Ierland in de uitspraak van 23 juli 2021 in de gevoegde zaken [naam 1] and [naam 2] v. Minister for Justice and Equality ook in de onderhavige zaak relevant zijn. In die uitspraak ging het weliswaar om een EAB dat was uitgevaardigd met het oog op de vervolging van een opgeëiste persoon, maar omdat dit EAB is uitgevaardigd vóór 25 juli 2018, te weten de dag waarop het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) uitspraak heeft gedaan in de zaak LM, is de Ierse prejudiciële verwijzing ook relevant voor dit EAB. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. De toets die het Hof van Justitie heeft geformuleerd in onder meer het arrest LM geldt onverkort. Nu de verdediging geen stukken heeft overgelegd die aantonen dat de opgeëiste persoon een oneerlijk proces zou hebben genoten in het licht van artikel 47 van het Handvest, bestaat er geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen aan de Poolse autoriteiten te stellen. Dit zou anders zijn geweest indien het vonnis was gewezen na februari
  4. Oordeel van de rechtbank The Supreme Court in Ierland heeft bij uitspraak van 23 juli 2021 in de gevoegde zaken [naam 1] and [naam 2] v. Minister for Justice and Equality prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), naar aanleiding van ontwikkelingen met betrekking tot de Poolse rechtsstaat, die zich hebben voorgedaan na de uitspraak van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, C‑216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (LM), in het bijzonder ontwikkelingen die zich vanaf 24 februari 2020 (de rechtbank begrijpt: 14 februari 2020) hebben voorgedaan. Deze vragen, bij het Hof van Justitie ingediend op 3 augustus 2021 (Zaak C-480/21) hebben – kort gezegd – betrekking op ogenschijnlijke gebreken in de geldigheid van de benoemingsprocedure van rechters in Polen en de gevolgen daarvan voor de toelaatbaarheid van overleveringen aan Polen in algemene zin. Bij tussenuitspraak van 14 september 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:5052) heeft de rechtbank in een andere zaak die ziet op een Pools EAB dat is uitgevaardigd met betrekking tot de executie van een vrijheidsstraf de behandeling van de zaak heropend teneinde – in navolging van de Ierse verwijzing – een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie omtrent de toets die door een uitvoerende autoriteit dient te worden aangewend bij een (dreigende) schending van het recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Gelet op de aanleiding voor de prejudiciële vragen, in samenhang met hetgeen in voornoemde tussenuitspraak onder 2.2 (en in het bijzonder onder punt 7) is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de antwoorden op de prejudiciële vragen slechts relevant (kunnen) zijn voor zaken waarin sprake is van een verzoek tot overlevering ten behoeve van de strafvervolging dan wel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een op of ná 14 februari 2020 opgelegde vrijheidsstraf. In de onderhavige zaak is hiervan geen sprake. De rechtbank zal dan ook niet het onderzoek in deze zaak aanhouden. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [naam opgeéiste persoon] aan The Regional Court in Szczecin (Polen). Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en J.P.W. Helmonds, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 september
  5. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. https://courts.ie/acc/alfresco/69dfc107-7a5e-4212-a4a8-e27250205b87/2021_IESC_46.pdf/pdf#view=fitH. Hof van Justitie van 25 juli 2018, C‑216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (LM). Te weten: de datum dat de ‘law on the judiciary of 20 December 2019’ in werking is getreden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.