← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:5381

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751.630-21 (EAB III) RK nummer: 21/3690 Datum uitspraak: 21 september 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juni 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 september 2013 door de Procureur de la Republique pres le tribunal de grande instance de Béziers (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 19 augustus 2021 De behandeling van de vordering was gepland op de openbare zitting van 19 augustus 2021. De officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern, is ter zitting verschenen. De opgeëiste persoon is niet (via telehoren) verschenen. Navraag bij de penitentiaire inrichting heeft uitgewezen dat hij mogelijk was besmet met Covid-19 en daarom in quarantaine was geplaatst. Zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht is wel verschenen ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om de zitting bij te wonen via telehoren. Zitting 21 september 2021 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 september 2021. Het verhoor (via telehoren) heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Franse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Franse en Algerijnse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis bij verstek van de Correctionele Rechtbank van Beziers van 8 juni 2012 met parketnummer 09000004044 en vonnis nummer 1014/2012. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (
  2. i)het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (
  3. ii)de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft onder onderdeel D 3.4 van het EAB het volgende verklaard: De betrokkene zal verzet tegen het vonnis kunnen doen binnen de 10 dagen te rekenen vanaf de betekening daarvan. In dat geval zal het oorspronkelijke vonnis vernietigd worden en zal hij opnieuw berecht worden voor de feiten. Nu zal daarnaast aan een rechter voorgesteld worden (plaatsing en Verlengingrechter) die op basis van het aanhoudingsbevel zal beslissen of de betrokkene wel of niet beklaagd zal blijven tot de volgende zitting. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen 5Artikel 6 OLW De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander en dat daarom een terugkeergarantie moet worden verstrekt. De rechtbank is. met de officier van justitie, van oordeel dat het beroep van de raadsman op gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander niet slaagt. Hij heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. De vrouw met wie de opgeëiste persoon voornemens is te gaan trouwen in Nederland heeft weliswaar schriftelijk verklaard dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar onafgebroken in Nederland zou verblijven, maar dit is niet met nadere stukken onderbouwd. Gelet op het voorgaande staat het ontbreken van een terugkeergarantie niet in de weg aan het toestaan van de overlevering. 6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Detentiegarantie verstrekt; de opgeëiste persoon wordt niet gedetineerd in Nîmes De rechtbank heeft in eerdere uitspraken in andere zaken (onder andere ECLI:NL:RBAMS:2017:3763) geoordeeld dat er op dit moment ten aanzien van de detentie-instelling in Nîmes een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). In de e-mail van 22 juli 2021 heeft de Substitute du Procureur, Tribunal Judiciaire de Béziers, laten weten dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-instelling in Nîmes wordt gedetineerd. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk niet het gevaar loopt aan een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest te worden onderworpen. Verweer raadsman verworpen De raadsman heeft naar voren gebracht dat twee medeverdachten van de opgeëiste persoon in Frankrijk in detentie onder verdachte omstandigheden zelfmoord zouden hebben gepleegd. Daarbij heeft hij opgemerkt dat een hoge politiefunctionaris, die betrokken zou zijn bij de strafzaak tegen de opgeëiste persoon, corrupt zou zijn. Volgens de raadsman moet de overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd, omdat hij gevaar zou lopen in detentie in Frankrijk dan wel zou de rechtbank de zaak moeten aanhouden om daar nader onderzoek naar te doen. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer van de raadsman niet slaagt. De stellingen van de raadsman zijn namelijk op geen enkele wijze nader onderbouwd. Artikel 11 OLW staat dus niet in de weg aan het toestaan van de verzochte overlevering. 7Lopende asielaanvraag in Nederland De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren dan wel de zaak aan te houden in verband met de lopende asielaanvraag van de opgeëiste persoon in Nederland. De rechtbank is. met de officier van justitie, van oordeel dat de lopende asielaanvraag geen geslaagde grond oplevert voor weigering van de overlevering of aanhouding van de zaak. De rechtbank verwijst naar artikel 9, eerste lid, Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), 26 juni 2013, PbEU L 180/60, en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2010, zaak C-306/09, ECLI:EU:C:2010:626 (I.B.), punt 43). 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la Republique pres le tribunal de grande instance de Béziers (Frankrijk). Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en C.W.M. Giesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 september 2021. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.