← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:5555

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751703-21 RK nummer: 21/3737 Datum uitspraak: 9 september 2021 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2021 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 augustus

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
  2. Bevoegdheid van de Belgische officier van justitie tot het uitvaardigen van een EAB met het oog op strafvervolging Het EAB is uitgevaardigd door een Belgische officier van justitie. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank vastgesteld dat Belgische officieren van justitie voldoen aan de uit de punten 51 en 74 van het arrest OG en PI voortvloeiende vereisten om te worden aangemerkt als ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’, aangezien zij deelnemen aan de strafrechtsbedeling in die lidstaat en zij in de uitoefening van de met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken onafhankelijk optreden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 20 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1519). In deze uitspraak heeft de rechtbank eveneens overwogen dat, aangezien in die zaak sprake was van een EAB ter uitvoering van een reeds opgelegde straf, ook was voldaan aan de effectieve rechterlijke bescherming zoals bedoeld in punt 75 van het arrest OG en PI. Dit EAB is echter uitgevaardigd met het oog op strafvervolging. De rechtbank beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat ook ten aanzien van een dergelijk EAB is voldaan aan de effectieve rechterlijke bescherming zoals bedoeld in punt 75 van het arrest OG en PI. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank daartoe niet voldoende dat het nationale aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een (onderzoeks)rechter en dat daarna de raadkamer van de Belgische rechtbank een beschikking heeft gewezen omtrent (de wijze van tenuitvoerlegging van) de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon. De rechtbank is – na beraad in raadkamer – tot de conclusie gekomen dat de behandeling van het EAB dient te worden aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: Kan de door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen (afdeling Turnhout) genomen beslissing om een vervolgings-EAB uit te vaardigen en met name de evenredigheid van die beslissing in België het voorwerp uitmaken van “een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming” zoals bedoeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie? 4Beslissing HEROPENT EN SCHORST HET ONDERZOEK voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit; BEVEELT DE OPROEPING van de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 september
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Arrest van 27 mei 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-508/18 en C-82/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:456).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.