← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:5636

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/3823 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. A. Bakker), en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder Procesverloop Eiser heeft op 19 juli 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank, geen stukken en ook geen verweerschrift ingediend. Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
  3. Verweerder heeft in dit dossier geen stukken ingediend. De rechtbank gaat daarom uit van de door eiser verstrekte informatie. Eiser heeft verweerder per email en per fax op 8 april 2021 verzocht om een beschikking waarin op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) de waarde voor het object Houtmankade 40-V voor belastingjaar 2015 wordt vastgesteld. Per email van 13 juni 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
  4. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag en de ingebrekestelling per email en per fax aan verweerder zijn verstuurd. Het is aan eiser om aan te tonen dat deze stukken ook daadwerkelijk naar het correcte adres zijn verstuurd. Op het verzoek van de rechtbank om een verzendbewijs te overleggen heeft eiser een print van de email van 8 april 2021 overgelegd waarbij blijkt dat de aanvraag is verstuurd naar het email adres ‘postkamer@dbga.amsterdam.nl.’ Daarnaast heeft eiser een print vanuit een gmail account overgelegd, waarop staat ‘fax succesvol verzonden naar 0202554910’ voor zowel de ingebrekestelling als voor de aanvraag. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om stukken en een verweerschrift in te sturen, noch op de aanvullende stukken die eiser heeft ingebracht. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verweerder ontvangst van de aanvraag noch de ingebrekestelling bestrijdt. Zonder ontkenning van ontvangst is de rechtbank van oordeel dat de door eiser ingebrachte stukken daadwerkelijke verzending naar verweerder voldoende aannemelijk maken. Aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen een fictief besluit is daarom voldaan.
  5. Uit artikel 28, eerste lid van de WOZ volgt dat verweerder binnen acht weken op het verzoek moet beslissen. Verweerder heeft dit niet gedaan.
  6. Het beroep is daarom gegrond.
  7. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.
  8. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit daarom zelf met toepassing van artikel 8:55c van de Awb. Verweerder is een dwangsom verschuldigd vanaf 28 juni 2021, zijnde twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 13 juni 2021, tot en met 9 augustus 2021 . De verbeurde dwangsom bedraagt derhalve het maximale bedrag van € 1.442,-.
  9. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb). Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Dat betekent dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.
  10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
  11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde per punt van € € 748,-en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.442 draagt verweerder op binnen 14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 374,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober
  12. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb Artikel 4:17 van de Awb Artikel 4:18, eerste lid, van de Awb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.