RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-751549-21 RK nummer: 21/2987 Datum uitspraak: 7 oktober 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 mei 2021 door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , Adres per 30 september 2021: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 13 juli 2021 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 juli
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, advocaat te Amsterdam. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak 27 juli 2021 De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 27 juli 2021 geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid, de garantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW en de weigeringsgrond van artikel 13 OLW. Deze overwegingen worden als hier herhaald en ingelast beschouwd. Het onderzoek is vervolgens heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen met betrekking tot de detentieomstandigheden voor te leggen aan de Belgische autoriteiten. Op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste en het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in het artikel 11, eerste lid, OLW. Zitting 23 september 2021 De rechtbank heeft de behandeling van de vordering hervat op de openbare zitting van 23 september
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste en het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in het artikel 11, eerste lid, OLW. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Bij uitspraak van 22 juni 2021 heeft de rechtbank in de zaak van een andere opgeëiste persoon geconcludeerd dat in België een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers, waardoor de minimale persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waar hiervan sprake is, zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen. In de e-mail van 28 juli 2021 van de onderzoeksrechter Kristien Abrath van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel, is te lezen dat: “(…) de heer [opgeëiste persoon] eerst door de onderzoeksrechter zal worden verhoord. Indien hierna een aanhoudingsmandaat wordt afgeleverd, zal betrokkene verblijven in de gevangenis van [plaats detentie] . Dit betreft niet één van 7 detentie-instellingen uit de tussenuitspraak dd. 22/06/2021.” De rechtbank stelt vast dat – nu uit voornoemde e-mail volgt dat de opgeëiste persoon niet in één van de zeven detentie-instellingen wordt geplaatst ten aanzien waarvan een reëel gevaar is aangenomen dat gedetineerden daar onmenselijk of vernederend worden behandeld – de detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan. 4Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 5Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. 6Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België). Aldus gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. E.G.M.M. van Gessel en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. K. Spanjaart en M.A. Dijk, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rb Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3243.