← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:5839

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13.129775.20 Datum uitspraak: 22 juli 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, wonende op het adres [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.E. Woudman en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. T.T.H.M Bruers en mr. E.C.H. van Loosbroek namens de benadeelde partij [persoon 1] naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging (beschuldiging) Verdachte wordt kort samengevat verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor aan iemand zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Dit ongeval was aan zijn schuld te wijten. In tweede instantie (subsidiair) wordt hem verweten dat hij met zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.1. Inleiding Op 10 januari 2020 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op [straatnaam 1] in Amsterdam. Hierbij waren drie personenauto's betrokken. De bestuurder van een Opel, [persoon 2] , wilde vanuit een parkeervak (vanuit de rijrichting van de Jaguar waarin verdachte reed gezien rechts) [straatnaam 1] opdraaien en de inrit aan de overzijde van de rijbaan inrijden. [persoon 2] schatte in dat de Jaguar ver genoeg weg was om zijn auto te kunnen keren. De auto’s botsten tegen elkaar en door dit ongeval reed verdachte naar de linkerkant van de weg en reed hij hierbij een geparkeerde Volkswagen aan. De bestuurder van de Volkswagen, [persoon 1] , zat op de bestuurdersplaats en raakte door het ongeval bekneld. Als gevolg daarvan heeft [persoon 1] een bekkenfractuur en een beknelde bilzenuw opgelopen. Vervolgens heeft hij pijnklachten aan de linker voet gekregen, passend bij het Complex Regionaal Pijn Syndroom (CRPS). De vraag die voorligt is of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het veroorzaken van dit verkeersongeval en zo ja, in welke mate hem dit te verwijten is. 3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen door als beginnend bestuurder die ter plaatse goed bekend is, fors te hard te rijden. Hierdoor is hij tegen de Opel van [persoon 2] aangereden en vervolgens tegen de geparkeerde Volkswagen van [persoon 1] gebotst, waarbij [persoon 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Met name de hoge snelheid van verdachte is de oorzaak van dit dubbele ongeval. Dat verdachte veel te hard heeft gereden blijkt niet alleen uit wat [persoon 2] en [persoon 1] hebben verklaard, maar ook uit het onderzoek naar de snelheid van zowel de politie als het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Beide onderzoeken, die onafhankelijk van elkaar zijn uitgevoerd hebben als conclusie dat verdachte fors harder (variërend van minimaal 124 kilometer per uur (km/

  1. u)tot maximaal 149 km/
  2. u)heeft gereden op een plaats waar een maximumsnelheid van 50 km/u toegestaan was. 3.3. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit en hiervoor het volgende betoogd. 3.3.1. Snelheid van het voertuig Verdachte ontkent dat hij ter plaatse (veel) te hard heeft gereden. Hij verklaart dat hij tussen de 50 en 55 km/u heeft gereden en dat de auto op cruise control stond. Het onderzoek naar de snelheid van de auto van verdachte is door de politie en door het NFI uitgevoerd aan de hand van beeldmateriaal. Hierbij week de beeldklok af dan wel was de beeldsnelheid niet constant. De politie concludeert dat de daadwerkelijk gemiddelde snelheid vanaf de beelden tot aan het conflictpunt forensisch technisch niet kan worden vastgesteld en dat het exacte conflictpunt van de Opel en de Jaguar niet kan worden vastgesteld. Ook worden bij het bepalen van de snelheid aan de hand van camerabeelden veel voorbehouden gemaakt. Ook het NFI heeft geconcludeerd dat de beeldtijd niet klopt, waarbij verschillende beelden dezelfde beeldtijd hebben. Zij hebben daarom de gemiddelde beeldfrequentie bepaald, maar niet duidelijk is of dit de daadwerkelijke beeldfrequentie is. Het NFI stelt dat als de berekende beeldfrequentie niet zou kloppen, dit betekent dat de beeldtijd niet klopt. Het NFI merkt op dat ‘indien de beeldfrequentie volledig betrouwbaar is, dan zijn de berekende minimale en maximale snelheid harde grenzen’. Er wordt gebruik gemaakt van geschatte beeldfrequenties. Het NFI kan niet met zekerheid aangeven dat de beeldfrequentie kloppend is. 3.3.2. Onafhankelijkheid van de NFI onderzoeker [NFI-onderzoeker] betrokken bij zowel onderzoek politie als onderzoek NFI. De raadsvrouw brengt naar voren dat [NFI-onderzoeker] als enige het NFI-rapport heeft ondertekend en daardoor hoofdverantwoordelijk voor het rapport is. Hij heeft ook geholpen bij het onderzoek van de politie. Het is daardoor aannemelijk dat hij tot dezelfde conclusie is gekomen als dat van het politieonderzoek. Er wordt weliswaar aangegeven dat er andere deskundigen betrokken zijn bij het NFI-onderzoek, maar die hebben het rapport niet mede ondertekend en worden niet bij naam genoemd. 3.3.3. Geen schuld Verdachte heeft geen schuld aan het ongeval. [persoon 2] heeft geen knipperlicht aan gezet voordat hij uit het parkeervak draaide en is uit het niets de weg op gereden terwijl hij zag dat er een auto aan kwam. [persoon 2] heeft een draai de weg op gemaakt waardoor hij de hele weg blokkeerde. Verdachte was toen nog slechts twee auto’s van [persoon 2] verwijderd. Hij heeft geprobeerd [persoon 2] te ontwijken, maar dit was niet meer mogelijk. Toen hij zag dat dat niet lukte heeft hij geremd. Door de manoeuvre van [persoon 2] werd het verdachte onmogelijk gemaakt een botsing te voorkomen. Het is [persoon 2] geweest die gevaarzettend heeft gehandeld. Verdachte had niet anders kunnen handelen. 3.4. Het oordeel van de rechtbank 3.4.1. Betrouwbaarheid onderzoeken snelheid De raadsvrouw heeft, zo begrijpt de rechtbank, betoogd dat de door de politie en het NFI gemaakte snelheidsberekeningen niet betrouwbaar zijn, onder meer omdat de beeldklok afweek of de beeldsnelheid niet consequent was. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Onderzoek politie: Het onderzoek naar het ongeval is verricht aan de hand van veiliggestelde videobeelden van 10 januari 2020. De camera filmde het trottoir en een deel van [straatnaam 1] tussen perceel [perceel 1] en [perceel 2] . Het ongeval vond plaats ter hoogte van [perceel 3] , buiten beeld van de camera. Op de beelden is de Jaguar van verdachte te zien tussen de tijdstippen 14.59.02 uur en 14.59.03 uur. In het proces-verbaal ongevalsanalyse van 10 april 2020 (pag. 94 e.v. van het dossier) is beschreven hoe aan de hand van twee beelden (frames) de snelheid is gemeten. De gebruikte onderzoeksmethode is gebaseerd op de methodiek die door het NFI is ontwikkeld en die is beschreven in de vakbijlage ‘Snelheidsberekening op basis van videobeelden’ (pag. 143 e.v. van het dossier). De methode houdt onder meer in dat van videobeelden twee beelden (in dit onderzoek het vijfde frame en het negentiende frame van de beelden waarop het voertuig van verdachte is te zien) geselecteerd worden waarop de voertuigpositie duidelijk kan worden bepaald. In aanvullend onderzoek, gedaan overeenkomstig de beschrijving ‘indicatieve snelheidsbepaling met grenswaarden’ zoals weergegeven in de vakbijlage, is de Jaguar teruggeplaatst op [straatnaam 1] en zijn met de originele camera beelden gemaakt waarbij de Jaguar duidelijk vóór de originele beelden en ná de originele beelden is geplaatst. Hierdoor ontstond een minimale en maximale afstand die de Jaguar op de beelden, direct voorafgaand aan het verkeersongeval, had afgelegd. Deze afstanden zijn gemeten en de minimale afstand bleek 20,1 meter en de maximale afstand bleek 21,4 meter te zijn. De tijd die gebruikt moest worden in de snelheidsberekening, kon worden bepaald door het aantal frames tussen beide posities (frame 5 en frame 10) te vermenigvuldigen met de tijd die elk frame in beslag nam. Omdat niet elke beeldseconde van de beeldklok bestond uit 25 frames is aan de hand van het volledige beeldbestand van 35 minuten en 52501 frames de gemiddelde framerate bepaald. Dit kwam uit op 25,0005 frames per seconde. Aan de hand van een gemaakt beeldenreeks is komen vast te staan dat er geen sprake was van onregelmatigheden in het beeldverloop en geen indicatie voor afwijkingen die moesten worden gecorrigeerd. Omdat ook het computerprogramma een beeldfrequentie van 25 beelden per seconden aangaf, is verbalisant ervan uitgegaan dat de beeldtijd niet kloppend was, maar dat de beeldfrequentie stabiel was. Volgens vaste formule is het tijdsinterval berekend tussen de het vijfde en negentiende frame. Dit bedroeg 0,56 seconden. Op grond van de bepaalde tijd en afstand tussen de twee frames is de gemiddelde indicatieve snelheid van de Jaguar berekend. Deze lag tussen de 129 km/u en 138 km/u. Van deze minimale en maximale snelheid is de verwachting dat de werkelijke snelheid van de Jaguar binnen deze grenzen ligt. Gelet op het feit dat het onderzoek van de politie is gebaseerd op een methodiek voor snelheids-berekeningen die is ontwikkeld door het NFI en die is gepubliceerd in internationale wetenschappelijke tijdschriften, gaat de rechtbank uit van de betrouwbaarheid van dit onderzoek. Daar komt bij dat bekend is dat de methode geen exacte snelheidsbepaling is, maar een indicatieve snelheidsbepaling. Met deze beperking wordt ook rekening gehouden. Onderzoek NFI Het NFI heeft in opdracht van de rechter-commissaris opnieuw onderzoek gedaan naar de snelheid van de Jaguar. De opdracht hield in dat het NFI de snelheid van de personenauto van verdachte moest schatten aan de hand van beeldmateriaal, zonder gebruik te maken van het onderzoek dat door de politie is uitgevoerd. Bij dit onderzoek was het niet meer mogelijk gebruik te maken van het camerasysteem waarmee de beelden van het incident zijn opgenomen, omdat de camera was weggehaald. Het aangeleverde beeldbestand waarin de Jaguar te zien is, bevat een half uur aan beeldmateriaal. Tijdens dit half uur komen er diverse auto’s voorbijrijden. Deze beelden zijn gebruikt om de resultaten van de Jaguar te kunnen controleren. Het onderzoek bestond nu uit de volgende onderzoekshandelingen: 1. Onderzoek naar de beeldfrequentie van de aangeleverde beelden aan de hand van de beeldtijd in de beelden.2. Schatting van de snelheid aan de hand van de wielbasis van de Jaguar.3. Onderzoek op locatie, bestaande uit het opmeten van de afstand tussen twee gekozen vaste punten op de weg en het aanbrengen van lijnen loodrecht op de rijrichting ter hoogte van de twee gekozen punten.4. Bepaling van de minimale en maximale snelheid aan de hand van de vaste gekozen punten. Hierbij zijn beelden gekozen waarbij de Jaguar deze duidelijk nog niet en duidelijk wel gepasseerd is. Op basis van de beeldfrequentie is de verstreken tijd tussen de uitgekozen beelden bepaald. Samen met de opgemeten afstand tussen de vaste punten is hiermee de schatting voor de minimale en de maximale snelheid van de Jaguar gemaakt.5. Snelheidsschatting van tien andere auto's, waarbij dezelfde methode is gebruikt. De rechtbank stelt vast dat gebruik is gemaakt van meerdere onderzoekshandelingen om de (geschatte) snelheid van de Jaguar te bepalen. Daarbij is primair onderzoek gedaan naar de beeldfrequentie van de beelden. Uit het onderzoek is weliswaar gebleken dat er meerdere verschillende opvolgende beelden zijn met dezelfde beeldtijd, maar dat dit niet betekent dat de beeldfrequentie per sé instabiel is. Het kan zijn dat de klok die de beeldtijd verzorgt niet gesynchroniseerd is met de camera. Daarom is de gemiddelde beeldfrequentie bepaald, welke uitkomt op 25,01 beelden per seconden. Omdat een beeldfrequentie van 25 beelden per seconden een gebruikelijke frequentie is en het NFI geen variaties heeft waargenomen die zouden kunnen duiden op een instabiele beeldfrequentie, wordt voor de berekeningen van de opnametijd tussen de beelden uitgegaan van een stabiele beeldfrequentie van 25 beelden per seconde. De rechtbank is van oordeel dat beeldfrequentie waar door het NFI van wordt uitgegaan, minimaal afwijkt van de gemeten gemiddelde beeldfrequentie. Het gebruik van deze beeldfrequentie maakt ondanks deze minimale afwijking de berekeningen van de snelheid van de Jaguar niet onbetrouwbaar. Het NFI heeft aan de hand van de beelden op twee manieren de snelheid van de Jaguar geschat, te weten aan de hand van de wielbasis en aan de hand van het berekenen van de minimum- en maximumsnelheid op grond van vaste punten, waarbij de afstand tussen deze punten ter plaatse zijn opgemeten. De onderzoeken zijn uitgevoerd door minimaal twee onafhankelijke NFI-deskundigen onder wie [NFI-onderzoeker] . Dat de naam van de andere onderzoeker niet bekend is of dat die het rapport niet heeft ondertekend maakt het onderzoek evenmin zonder meer onbetrouwbaar. Naast het onderzoek naar de snelheid van de Jaguar heeft het NFI aan de hand van beelden de snelheid van tien andere auto’s geschat die op de beelden zichtbaar waren. Bij die schattingen zijn dezelfde methoden gebruikt als bij de schattingen van de snelheid van de Jaguar. Bij de schatting van de snelheid van één van deze controle-auto’s zijn twee voetgangers in beeld. Het NFI heeft geconstateerd dat bij het afspelen van de beelden met een beeldsnelheid van 25 beelden per seconde, de bewegingen van deze personen er natuurlijk uitzien. De rechtbank is naar aanleiding van bovenstaande, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de snelheidsonderzoeken van zowel de politie als het NFI voldoende betrouwbaar zijn. 3.4.2. Onafhankelijkheid van de NFI-onderzoeker [NFI-onderzoeker] . De rechtbank begrijpt uit het verweer van de raadsvrouw dat zij vindt dat het rapport van het NFI geen onafhankelijk onderzoek is geweest omdat [NFI-onderzoeker] , NFI-deskundige beeldonderzoek en biometrie, zowel bij het proces-verbaal ongevalsanalyse van de politie als bij het rapport van het NFI betrokken is geweest. De rechtbank overweegt hierover dat door de rechter-commissaris aan [NFI-onderzoeker] is gevraagd aan te geven wat zijn bemoeienis is geweest bij het onderzoek van de politie. In een e-mail van [NFI-onderzoeker] aan de rechter-commissaris van 22 maart 2021 schrijft hij over deze bemoeienis het volgende: “… dat ik in het voorjaar van 2020 een verzoek heb ontvangen van de politie ( [persoon 4] ) om eens te kijken naar een concept proces-verbaal waarin het uitgevoerde onderzoek in deze zaak beschreven stond. Het concept proces-verbaal, dat ik als pdf had ontvangen, heb ik gelezen en van commentaar voorzien door het plaatsen van velden met opmerkingen. Doel van dit commentaar was met name om het begrip van de methode zoals die in de handleiding beschreven is te vergroten en de kwaliteit van het proces-verbaal te verhogen. Mijn indruk was dat het onderzoek grotendeels volgens de beschreven handleiding was uitgevoerd, maar dat ik het onderzoek niet volledig kon beoordelen omdat ik het onderzoeksmateriaal niet tot mijn beschikking had. Overigens weet ik niet wat er met mijn commentaar is gebeurd want ik heb geen verbeterde versie van het proces-verbaal meer ontvangen van de politie. Bij de huidige aanvraag is het definitieve proces-verbaal gevoegd. Dit proces-verbaal heb ik nog niet gelezen omdat dat nog niet nodig is geweest voor het onderzoek. Mocht het voor het vervolg van het onderzoek nodig zijn om het proces-verbaal bij het onderzoek te betrekken kan ik nog meegegeven dat een onderzoek niet door mij alleen zal worden uitgevoerd. Bij elk onderzoek op het NFI is altijd tenminste een tweede deskundige betrokken.” Op grond van deze e-mail van [NFI-onderzoeker] is de rechtbank van oordeel dat [NFI-onderzoeker] geen inhoudelijke bemoeienis heeft gehad met het onderzoek dat ten grondslag lag aan het proces-verbaal ongevalsanalyse van de politie, maar dat hem slechts is gevraagd het concept proces-verbaal te bekijken met het oog op de methode van het onderzoek. Hij heeft vervolgens commentaar geleverd met als doel het begrip van de methode te vergroten en het verhogen van de kwaliteit van het proces-verbaal. Bij het onderzoek van NFI is een tweede deskundige betrokken geweest. De betrokkenheid van [NFI-onderzoeker] met het proces-verbaal van het Onderzoek plaats ongeval maakt niet dat het onderzoek van het NFI niet onafhankelijk is. 3.4.3. Schuld Het verweer van verdachte dat [persoon 2] plotseling met de Opel vanuit het parkeervak de weg opdraaide op het moment dat verdachte aan kwam rijden en hij de Opel niet meer kon ontwijken, gaat niet op. Uit het politieonderzoek is gebleken dat verdachte door het beeld reed met een indicatieve gemiddelde snelheid gelegen tussen 129 km/u en de 138 km/u, daar waar 50 km/h was toegestaan. Wanneer verdachte de afstand, gelegen tussen de plek waar de beelden waren opgenomen, ongeveer 94 meter voor het conflictpunt, had afgelegd met gemiddelde snelheid van 100 km/u dan zou hij deze afstand afleggen in 3,4 seconden. Op het moment dat verdachte de geldende maximum snelheid van 50 km/u niet had overschreden, had de bestuurder van de Opel 3,3 seconden meer tijd om zijn bijzondere manoeuvre te voltooien. Verdachte zou dan namelijk 6,7 seconden doen over het afleggen van deze 94 meter. Nu uit onderzoek vast is komen te staan dat verdachte heeft gereden met een veel hogere snelheid (in ieder geval tussen de 124 km/u en 149 km/
  3. u)dan ter plaatse is toegestaan is het ongeluk aan zijn schuld te wijten. 3.4.4. Letsel slachtoffer [persoon 1] heeft als gevolg van deze botsing zwaar lichamelijk letsel opgelopen te weten een bekkenfractuur en beknelde bilzenuw. Daarna en als gevolg van het letsel heeft hij pijnklachten aan de linker voet gekregen passend bij het CRPS. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 10 januari 2020 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto (Jaguar), daarmee rijdende over [straatnaam 1] , zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [persoon 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken van de heupkom en bekken en CRPS, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over [straatnaam 1] , komende uit de richting van [straatnaam 2] , en gaande in de richting van [straatnaam 3] , - terwijl verdachte beginnend bestuurder was, - terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was, - terwijl verdachte reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, verdachte heeft vervolgens niet voldoende afgeremd en de door hem, verdachte, bestuurde personenauto (Jaguar) niet tijdig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was, en verdachte heeft niet tijdig en voldoende uitgeweken voor een personenauto (Opel, bestuurder [persoon 2] ), waarna verdachte vervolgens tegen voornoemde personenauto (Opel) is aangereden, en vervolgens met de personenauto (Jaguar) van de rijbaan is geraakt, waarna verdachte is gebotst met voornoemde [persoon 1] , die zat in zijn (in het parkeervak parallel) geparkeerde personenauto (Volkswagen) op [straatnaam 1] in de richting van [straatnaam 2] , terwijl verdachte enkele seconden voor de aanrijding/botsing tussen de 124 en 149 kilometer per uur heeft gereden, Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond (een reden waarom de feiten niet strafbaar zouden zijn) is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen. Ook vordert hij dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. 7.2. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair verzoekt zij verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. Mocht de rechtbank ook hieraan voorbij gaan, dan verzoekt zij bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de gevaarzettende actie van [persoon 2] . 7.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straffen laten meewegen dat verdachte, als beginnend bestuurder, zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag. Hij heeft als bestuurder van zijn auto met een ter plaatse veel te hoge snelheid gereden. Daarom kon hij niet tijdig remmen en kon hij een aanrijding met een andere auto niet voorkomen. Na deze aanrijding is hij tegen een tweede geparkeerde auto gebotst. De bestuurder van deze tweede auto heeft als gevolg van deze botsing zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De raadsvrouw van het slachtoffer heeft het spreekrecht namens het slachtoffer uitgeoefend. Hieruit blijkt dat het leven van het slachtoffer (geboren in 1981) en zijn gezin totaal veranderd is. Naast het fysieke letsel heeft hij ook psychisch letsel opgelopen. Door het ongeval is hij angstig, waakzaam en heeft hij herbelevingen van het ongeval. Ook kan het slachtoffer zijn beroep als taxichauffeur niet meer uitoefenen. Hij kan niet meer de echtgenoot en de vader van zijn drie jonge kinderen zijn die hij eerst was. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 juni 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met politie of justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank, evenals de officier van justitie, bij haar overwegingen de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) betrokken. Het LOVS heeft afspraken gemaakt over de door de strafrechters te hanteren uitgangspunten van bij overtreding van artikel 6 WVW op te leggen straffen. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Dat is dan ook het uitgangspunt voor de rechtbank. De rechtbank zal ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid afwijken van de oriëntatiepunten, omdat het hier gaat om een dubbele aanrijding. Bovendien vindt de rechtbank het belangrijk om een deel van de ontzegging voorwaardelijk, als stok achter de deur, op te leggen omdat verdachte een beginnend bestuurder is. 8Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 5.683,- aan vergoeding van materiële schade en € 17.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft hij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De materiële schade bestaat uit Verplaatste schade bestaande uit vergoeding voor mantelzorg € 4.771,- Daggeldvergoeding voor ziekenhuisopname, 17 x € 31,- € 527,- Kosten eigen risico zorgverzekering € 385,-. De immateriële schade bestaat uit Smartengeld € 17.500,-. 8.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, omdat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu niet duidelijk is of de verzekering de schade zal betalen. 8.2. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de vordering betwist. Primair moet de vordering worden afgewezen, omdat zij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair vindt zij dat de immateriële schade gebaseerd is op een uitspraak van de rechtspraak Midden Nederland, maar in die zaak is de vordering van de benadeelde partij afgewezen. Daar komt bij dat de vordering voor de immateriële schade onvoldoende onderbouwd is. Met betrekking tot de materiële schade is de raadsvrouw van mening dat de kosten voor de persoonlijke verzorging voor de duur van dertien weken onvoldoende zijn onderbouwd. Bovendien heeft het bedrag dat is gevorderd betrekking op kosten voor huishoudelijke hulp en daar is hier geen sprake van. Ook de kosten van het ziekenhuis zijn niet nader onderbouwd. Zij wijst erop dat wordt uitgegaan van bedragen die gebaseerd zijn op bedragen van 2021, terwijl het feit heeft plaatsgevonden in 2020. De raadsvrouw concludeert dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. 8.3. Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Materiële schadevergoeding De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van in totaal € 5.683,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 10 januari 2020. De rechtbank overweegt hiertoe dat voor de berekening van de verplaatste schade aansluiting is gezocht bij de normbedragen voor huishoudelijke hulp per week, waarbij het slachtoffer zwaar beperkt is. Deze bedragen, afkomstig uit de Richtlijn Letselschade Raad, komen de rechtbank niet onredelijk voor, zeker nu het gevorderde bedrag is beperkt tot dertien weken. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Uit de verklaring van [persoon 1] valt op te maken dat hij zeventien dagen in het ziekenhuis heeft gelegen (dossier, doorgenummerde pag. 185). De rechtbank vindt de vordering ten aanzien van de daggeldvergoeding toewijsbaar. Ten aanzien van de kosten eigen risico zorgverzekering is geen verweer gevoerd en de rechtbank zal deze kosten toewijzen. Immateriële schadevergoeding Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen, in die zin dat hij angstig en waakzaam is, slapeloze nachten heeft of nachtmerries en herbeleving. Hij durft niet meer alleen te zijn, niet in huis en niet buiten. Hij kan niet meer de vader en echtgenoot zijn zoals hij voor het ongeval was. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 10 januari 2020. De rechtbank heeft hierbij vooral oog gehad op de gevolgen van het lichamelijk letsel dat [persoon 1] heeft opgelopen en waarvan hij nu, ruim anderhalf jaar na het ongeval, nog veel last van heeft. Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 23.183,- (drieëntwintigduizend honderddrieëntachtig euro). 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d. 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ (rubriek 4) is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, en bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen als verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden. Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden van deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 5.683,- (vijfduizend zeshonderddrieëntachtig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, te weten vanaf 10 januari 2020. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 23.183,- (drieëntwintigduizend honderddrieëntachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 150 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter, mrs. R.A. Overbosch en C.M. Degenaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.M van Leuven, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2021. [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...][...][...][...][...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] CRPS: Complex Regionaal Pijn Syndroom

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.