vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13.674200.17 (ontneming) Datum uitspraak: 8 april 2021 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.674200.17, tegen: : [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres veroordeelde] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 25 maart 2021. De rechtbank heeft kennis genomen van de ontnemingsvordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak. [veroordeelde] was niet bij de behandeling aanwezig. De raadsman van verdachte, mr. S. Ben Tarraf, was niet gemachtigd [veroordeelde] te vertegenwoordigen. 2De vordering Onderzoek van de zaak De vordering van de officier van justitie van 3 januari 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 4.149,-. Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. 3Grondslag van de vordering [veroordeelde] is bij vonnis van 28 mei 2019 veroordeeld voor medeplichtigheid aan medeplegen van oplichting. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 4.149,-. De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2019, parketnummer 13.674200.17 (strafzaak); Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 1 november 2019, inclusief onderliggende bijlages, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , inspecteur van politie. 5De verplichting tot betaling Niet is gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door [veroordeelde] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 4.149,-. 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 4.149,-. Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 4.149,- (vierduizend honderdnegenenveertig euro) aan de Staat. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 82 (tweeëntachtig) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. F.W. Pieters, voorzitter, mrs. A. Eichperger en M. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.