RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751530-21 RK nummer: 21/4344 Datum uitspraak: 19 oktober 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 mei 2021 door de Rechter van de Onderzoeksrechtbank nr. 52 te Madrid (Spanje) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Cuba) op [geboortedag] 1972, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 oktober
- Het verhoor heeft, via een videoverbinding, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Spaanse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Cubaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een beschikking ter aanhouding en verschijning van 16 oktober 2019 voor een gerechtelijke orgaan, te weten Onderzoeksrechtbank nr. 52 te Madrid (referentienummer: 1678/2018), bij beslissing van 4 mei 2021 uitgebreid tot internationale aanhouding. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Spaans recht strafbare feiten. De overlevering wordt daarbij, kort gezegd, verzocht voor de volgende feiten: Feit 1: op 31 juli 2018 te Madrid (Spanje) poging tot diefstal met geweld; Feit 2: op 31 juli 2018 te Madrid (Spanje) mishandeling; Feit 3: op 31 juli 2018 te Madrid (Spanje) een lichte mishandeling. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de verdediging De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 3 de overlevering dient te worden geweigerd, nu er voor dit feit slechts een geldboete kan worden opgelegd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor alle feiten kan worden toegestaan. Ook indien voor feit 3 slechts een geldboete kan worden opgelegd, staan er in het EAB andere strafbare feiten omschreven waarop wel een vrijheidsstraf is gesteld. In combinatie met deze andere feiten dient de overlevering te worden toegestaan. De officier van justitie verwijst in dit verband naar een zaak waarin deze rechtbank op 19 augustus 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:4471) uitspraak heeft gedaan. Oordeel van de rechtbank Artikel 2, eerste lid, van de OLW luidt als volgt: een Europees aanhoudingsbevel kan slechts worden afgegeven wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld of indien een straf of maatregel is opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden. De rechtbank stelt vast dat artikel 2, eerste lid, OLW in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelet op het gebruik van het woord ‘slechts’, zo dient te worden geïnterpreteerd dat uit deze bepaling voortvloeit dat een EAB niet kan worden uitgevaardigd voor een feit waarop uitsluitend een geldboete is gesteld. Uit het EAB blijkt dat de voorziene straf voor feit 3 uitsluitend bestaat uit een geldboete ter hoogte van € 6,00 per dag, voor de duur van drie maanden. De uitspraak waarnaar de officier van justitie heeft verwezen (ECLI:NL:RBAMS:2021:4471) heeft betrekking op een geheel andere situatie, namelijk een situatie waarin voor één en hetzelfde feit zowel een vrijheidsstraf als een geldboete was opgelegd. Nu feit 3 niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en het bepaalde in artikel 7, vierde lid, OLW niet van toepassing is, dient de overlevering voor dit feit te worden geweigerd. 4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten 1 en 2 leveren naar Nederlands recht op: poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. 5Slotsom Nu ten aanzien van feit 1 en feit 2 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor feit 3 moet zij worden geweigerd. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, en 7 van de OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechter van de Onderzoeksrechtbank nr. 52 te Madrid (Spanje) ten behoeve van het in Spanje tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de onder 3.1 omschreven feiten 1 en 2; WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op één van de in het EAB genoemde feiten, te weten het onder 3.1 omschreven feit
- Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en J.A.A.G. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 oktober
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.