vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/708337 / KG ZA 21-832 IHJK/MAH Vonnis in kort geding van 9 november 2021 in de zaak van [eiser] , woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat, eiser bij dagvaarding van 18 oktober 2021, advocaat mr. Ö. Sarac te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. C. Moustaïne te Amsterdam. Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd. 1De procedure 1.
- Bij de zitting op 26 oktober 2021 waren partijen aanwezig met hun advocaten. De man werd bijgestaan door een tolk, S. Parvez. 1.
- De man heeft de dagvaarding toegelicht. De vrouw heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen. 1.
- Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een relatie gehad en hebben samen een kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] . 2.
- De vrouw heeft het gezag over [minderjarige] , die haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. De man heeft het kind niet erkend. 3Het geschil 3.
- De man vordert: I. vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van het kind; II. de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling waarbij de man het kind bij zich heeft elke zaterdag en zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur, althans een in goede justitie vast te stellen voorlopige omgangsregeling; III. de vrouw te veroordelen in de proceskosten. 3.
- De vrouw voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- In kort geding kan geen vervangende toestemming voor erkenning van een kind worden gegeven. Daartoe zal de man een bodemprocedure moeten starten. Vordering I is dus niet toewijsbaar. 4.
- Wel kan in kort geding een voorlopige omgangsregeling worden vastgesteld. De man heeft [minderjarige] al ongeveer vijf maanden niet gezien. Hij heeft dus een spoedeisend belang bij vordering II. 4.
- Uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met beide ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder recht heeft op omgang met zijn kind, tenzij omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van dat kind (artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek). 4.
- Moeder heeft twijfels over de capaciteiten van vader om met (kleine) kinderen om te gaan gezien haar eerdere ervaringen met hem, maar beseft dat [minderjarige] recht heeft op contact met haar vader. Zij meent dat het contact onder begeleiding moet worden opgebouwd en dat een bodemprocedure zich beter leent om een omgangsregeling vast te stellen. 4.
- Het gaat hier om een heel jong kind, 1 jaar oud, dat al vijf maanden geen contact heeft met haar vader. Ook moeder heeft al die tijd geen contact met vader gehad. Het contact zal voorzichtig op gang gebracht moeten worden onder deskundige begeleiding. Ter zitting is besproken dat de ouders daartoe hulp kunnen vragen aan het lokale Ouder en kindteam (OKT). Partijen hebben tijdens de zitting ook gesproken over de mogelijkheid om te beginnen met bijvoorbeeld een uurtje per week op een neutrale plek, maar zij zijn er uiteindelijk niet uitgekomen. De man is zich ervan bewust dat zijn situatie op dit moment niet erg geschikt is voor de opvang van een kind van 1 jaar: hij heeft geen inkomsten en geen eigen woning. Hij woont op dit moment tijdelijk in bij een vriend in Rotterdam, terwijl moeder met [minderjarige] in [woonplaats] woont. Ook is er een taalprobleem, want de man spreekt geen Nederlands, terwijl moeder met [minderjarige] (en haar andere kind van 3 jaar) Nederlands spreekt. De randvoorwaarden voor een verantwoorde omgang zijn, kortom, op dit moment niet of nauwelijks aanwezig. De vordering is daarom niet toewijsbaar. 4.
- Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- weigert de gevraagde voorzieningen, 5.
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 november
- type: MAH coll: MA