← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:6487

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/581 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. G. Gabrelian en mr. W. Bommel), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. P.E. Merema). Conclusie

  1. De rechtbank stelt [eiseres] in het gelijk. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Wat is de aanleiding voor deze rechtszaak en wat was de procedure? 2.1 Eiseres studeert aan de [opleiding] in Den Haag en heeft op 30 augustus 2020 een aanvraag gedaan om studiefinanciering. Eiseres heeft niet de Nederlandse nationaliteit, maar is onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie. Eiseres werkt sinds 1 september 2020 als stagiair bij [bedrijf] (het hotel) voor 38 uur in de week. Eiseres krijgt hiervoor € 400,- per maand vergoed. 2.2 Aangezien eiseres volgens verweerder niet aan de nationaliteitseis voldoet, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen migrerend werknemer is of daarmee gelijk kan worden gesteld, omdat zij niet ten minste 56 uur betaald werk verricht op basis van een arbeidscontract. Zij voert haar werkzaamheden uit op basis van een stageovereenkomst en dit valt niet te kwalificeren als reële en daadwerkelijke arbeid. Eiseres is het hier niet mee eens en startte daarom deze procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft zitting gehouden op 8 september 2021, waar de zaak met partijen is besproken. Wat zijn de regels?
  2. EU-studenten die kunnen worden aangemerkt als migrerend werknemer zoals bedoeld in artikel 39 van het EG-Verdrag (thans artikel 45 van het VWEU) komen op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder b van de Wet studiefinanciering 2000 in aanmerking voor studiefinanciering. In de beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap van 13 december 2012 heeft verweerder vastgelegd dat iedere studerende die over de controleperiode 56 uur of meer gemiddeld per maand werkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee recht heeft op studiefinanciering. Indien de studerende niet voldoet aan dit criterium kan de Dienst Uitvoering Onderwijs nader onderzoek doen naar de individuele omstandigheden van het geval. Bij deze controle moeten de objectieve criteria en alle omstandigheden die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de betrokken arbeidsverhouding in hun geheel beoordeeld worden. Kan eiseres aangemerkt worden als migrerend werknemer? Het geschil 4 Partijen verschillen van mening over de vraag of de werkzaamheden die eiseres in het kader van haar stage bij het hotel verricht zijn te kwalificeren als reële en daadwerkelijke arbeid, waardoor zij als migrerend werknemer in aanmerking dient te komen voor studiefinanciering. Volgens verweerder is dit niet het geval, omdat eiseres werkt op basis van een stageovereenkomst waarbij het leerdoel voorop staat en niet de productieve arbeid. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Het begrip ‘migrerend werknemer’ is niet vastomlijnd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft een ruim kader geschetst waarbinnen de toetsing van het feit of een persoon als migrerend werknemer moet worden beschouwd, zich dient te bewegen. Bij uitspraak van 30 maart 2006 (zaaknummer C-10/05, Mattern en Cikotic) heeft het Hof geoordeeld dat het begrip ‘werknemer’ in de zin van artikel 39E een communautaire inhoud heeft en dat het niet eng mag worden uitgelegd. Werknemer is eenieder die ‘reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die van niet zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat.’ Volgens deze rechtspraak is het kenmerk van de arbeidsverhouding, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning. Dit betekent dat de student die als migrerend werknemer wil worden aangemerkt in ieder geval een arbeidscontract moet hebben afgesloten, de daarin overeengekomen hoeveelheid uren werkt en daarvoor loon ontvangt. 4.3.2 Uit jurisprudentie blijkt dat studenten die stage lopen, in beginsel beschouwd kunnen worden als migrerend werknemer, maar daarvoor moet wel zijn voldaan aan de voorwaarde dat tegenover de stagewerkzaamheden een vergoeding staat. Dat deze vergoeding in het kader van een stage vaak lager is, heeft geen invloed op de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht. 4.3.3 De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsverhouding. Immers, uit de stageovereenkomst volgt dat eiseres gedurende de gehele duur van haar stage van 1 september 2020 tot 4 juli 2021 tijdens een 38-urige werkweek onder het gezag en het toezicht stond van het hotel, in het bijzonder van haar supervisor en dat eiseres daarbij gegeven aanwijzingen diende op te volgen en de in de organisatie geldende regels moest naleven. Eiseres ontving daarnaast maandelijks een vergoeding van € 400,-. Daarnaast ziet de rechtbank in de aard van de stageovereenkomst en de uitgevoerde werkzaamheden, voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake was van reële en daadwerkelijke arbeid. Er was geen sprake van alleen een educatieve (meeloop) stage, maar er was sprake van een stage waarbij eiseres volledig meedraaide in de organisatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres bij het hotel reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst heeft verricht, op grond waarvan zij als werknemer in de zin van artikel 39 EG kan worden aangemerkt. 4.3.4 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat zij geen mogelijkheid heeft om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Krijgt eiseres de kosten van deze procedure vergoed?
  3. Aangezien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,- Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober
  4. griffier rechter De rechter is verhinderd de uitspraak te tekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze beslissing? Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Aan het instellen van hoger beroep zijn kosten verbonden. Europese Unie. Europese Gemeenschap. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP
  5. Uitspraak van 30 maart 2006 (zaaknummer C-10/05, Mattern en Cikotic).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.