RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13-046890-20 (ontneming) Datum uitspraak: 28 oktober 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13-046890-20 tegen [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, hierna verder te noemen: [naam verdachte] zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober
- De rechtbank heeft kennisgenomen van wat de officier van justitie mr. M.A. van der Vlugt naar voren heeft gebracht. 2Vordering De vordering van de officier van justitie van 30 december 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op een bedrag van € 15.815,
- Ter terechtzitting van 14 oktober 2021 heeft de officier van justitie gesteld dat het aan [naam verdachte] op te leggen bedrag tot verplichting tot betaling aan de Staat moet worden gesteld op € 14.000,00,-. 3Grondslag van de vordering [naam verdachte] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van heden (onder meer) ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld: feit 1: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels; feit 2: eenvoudig witwassen; feit 3: met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of deel daarvan, invoeren of anderszins voorhanden hebben; feit 4: computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt. 4Wederrechtelijk verkregen voordeel 4.
- Standpunt van het openbaar ministerie De vordering van de officier van justitie vindt haar grondslag in het dossier van de onderliggende strafzaak, waaronder de ‘onderbouwing ontnemingsvordering’ van 26 oktober
- Op basis van de bewijsmiddelen acht de officier van justitie bewezen dat [naam verdachte] een bedrag van € 14.000,00 van [naam B.V.] wederrechtelijk heeft weggenomen. Daarom luidt de conclusie van de officier van justitie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [naam verdachte] ziet op een bedrag van € 14.000,00,-. 4.
- Oordeel van de rechtbank Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij het gehele bedrag van € 15.815,00 voorhanden heeft gehad nadat hij dit zonder toestemming van de rekening van [naam B.V.] heeft afgeschreven. Dat verdachte hier toestemming voor heeft gekregen van [naam aangever] , heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank vindt daarom dat voldoende aannemelijk is geworden dat [naam verdachte] door middel van de bewezen geachte feiten voordeel heeft genoten tot een bedrag van € 15.815,00,-. De rechtbank ontleent het wederrechtelijk genoten voordeel aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, te weten: - het verkort vonnis van 28 oktober 2021 van deze rechtbank in de hoofdzaak (parketnummers 13-009777-20 en 13-046890-20); - het proces-verbaal van aangifte van [naam aangever] van 27 juni 2019 en de daarbij behorende fotobijlage met de rekeningafschriften van de ING bankrekening op naam van [naam B.V.] (p. 001 t/m 005), waarin staat dat er op 24 juni 2019 een bedrag van € 10.000,00 van de rekening van [naam B.V.] is overgeschreven naar het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] en op 18 juni 2019 van de rekening van [naam B.V.] een bedrag van € 3.000,00 naar het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] is overgeschreven; - het proces-verbaal van bevindingen van 23 augustus 2019 (p. 007 t/m 008), waarin staat dat er op 21 juni 2019 een bedrag van € 1.000,00 van de rekening van [naam B.V.] is overgeschreven naar het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] ; - het proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2019 (p. 006), waarin staat dat het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] op naam staat van [naam verdachte] ; - het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] van 11 december 2019 (p. 028 t/m 030), waarin staat dat het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] van [naam 1] is en dat er € 3.000,00 afkomstig van [naam B.V.] is betaald voor de verkoop van de auto van [naam 1] aan [naam verdachte] ; - het proces-verbaal van verhoor van aangever [naam aangever] van 21 februari 2020 en de daarbij behorende bijlage met een overzicht van afschrijvingen van de ING bankrekening van [naam B.V.] (p. 62 t/m 67), waarin staat dat er eenmaal een bedrag van € 1.000,00 en eenmaal een bedrag van € 815,00 van de rekening van [naam B.V.] is overgeschreven naar de creditcardrekening ICS [nummer creditcard] ; - het proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2020 en de daarbij behorende bijlage met een e-mailcorrespondentie van verbalisant [naam verbalisant] met ICS (International Card Services BV) (p. 68 t/m 70, waarin staat dat de creditcardrekening ICS [nummer creditcard] op naam van [naam verdachte] staat; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 juni 2019 (p. 93 t/m 97), waarin hij erkent dat hij zonder de toestemming van [naam aangever] een bedrag van totaal € 15.815,00 van de zakelijke bankrekening van [naam B.V.] heeft afgeschreven en dat alles naar hem is gekomen (p. 93 t/m 97). 5Verplichting tot betaling aan de Staat 5.
- Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gevorderd om de betalingsverplichting te stellen op € 14.000,00,-. 5.
- Oordeel van de rechtbank Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil moet worden gesteld. De rechtbank overweegt hiertoe dat [naam verdachte] bij het vonnis in de onderliggende zaak is veroordeeld tot terugbetaling van de door hem wederrechtelijk weggenomen geldbedragen aan de benadeelde partij met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op grond van artikel 36e lid 9 Sr hoeft de rechtbank geen rekening te houden met de betalingsverplichting aan de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel als de betalingen nog niet zijn voldaan. De rechtbank is daartoe echter wel bevoegd en ziet daarvoor in dit geval ook aanleiding. De rechtbank vindt het belang dat de benadeelde partij het wederrechtelijk weggenomen geld terug krijgt zwaarder wegen dan het belang van de Staat bij de ontnemingsvordering. De benadeelde partij en de Staat zijn echter concurrente schuldeisers en de benadeelde partij heeft geen recht op betalingen die door [naam verdachte] aan de Staat zijn gedaan in het kader van de ontnemingsprocedure. Eventueel aan de Staat betaalde bedragen kan de benadeelde partij niet meer op [naam verdachte] verhalen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de in het kader van de schadevergoedingsmaatregel genoemde bedragen bij het vaststellen van de betalingsverplichting daarop in mindering te brengen. In het vonnis in de hoofdzaak is aan de benadeelde partij schadevergoeding toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, ter hoogte van een bedrag € 15.815,
- Dit bedrag is gelijk aan het door de rechtbank hiervoor bepaalde wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de betalingsverplichting op nihil stellen. 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing: - stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 15.815,00 (vijftienduizend achthonderdvijftien euro); - stelt de verplichting tot betaling aan de Staat op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter, mrs. R.M. Troost en C.M. Georgiades, rechters, in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2021.