vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, kamer voor kantonzaken zaaknummer / rolnummer: 9314463 / CV EXPL 21-9593 Uitspraak: 17 december 2021 Vonnis van de kantonrechter, in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, procederend in persoon, t e g e n [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. H.J.C.M. Karskens. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 23 juni 2021, met producties, de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties, het tussenvonnis van 10 september 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, de conclusie van antwoord in reconventie, met producties, de nadere producties (C16, C17.1 en C17.2) zijdens [eiser] , de op 16 november 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarvan de zittingsaantekeningen zich in het dossier bevinden. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten in conventie en in reconventie 2.1. [eiser] en [gedaagde] hebben sedert bijna 50 jaar een vriendschappelijke relatie. 2.2. [eiser] was tot 1 januari 2021 advocaat in ’s-Gravenhage. 2.3. Op 16 februari 2017 heeft [eiser] , namens [gedaagde] en haar vader, een broer en zus van [gedaagde] in voorlopige voorziening gedagvaard (hierna: de kort gedingprocedure). Op 24 februari 2017 is [gedaagde] ter zitting verschenen, bijgestaan door [eiser] . Omdat de vader van [gedaagde] niet in staat was om ter zitting te verschijnen, heeft hij op 14 februari 2017 een ondertekende machtiging aan [gedaagde] afgegeven om hem te vertegenwoordigen. 2.4. Bij vonnis van 10 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland de vader van [gedaagde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en heeft de vorderingen van [gedaagde] afgewezen (hierna: het vonnis). Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld. 2.5. Bij beschikking van 24 april 2017 (hierna: de beschikking) heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland beslist op het verzoek van [gedaagde] om een bewindvoerder en een mentor voor haar vader te benoemen. Deze beschikking bevat een rechtsmiddelenclausule waarin staat dat tegen de beschikking binnen drie maanden hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. 2.6. Op 21 juli 2017 heeft [eiser] namens [gedaagde] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking. 2.7. Bij e-mail van 5 september 2017 heeft [eiser] [gedaagde] het volgende bericht, voor zover relevant: “(…) Maar nu is het tijd om je te vertellen dat ik op dit moment met lange tanden aan deze zaak werk. (…) Ik ben zeker nu 100 uur aan jouw zaken kwijt, waarvan 80,30 uur gespecificeerd en aantoonbaar. Met name op vakantie in Italië en ook op vakantie in Duitsland heb ik de uren niet goed bijgehouden. Als ik je dat gefactureerd had, zaten we nu ver over de 20 mile. Maar jij hebt dat geld niet, dat is duidelijk. Dus doe ik het als vriendendienst. Maar dit klopt niet. Ik ben in een familie bezig waar het vermogen voor het oprapen ligt. (…) Als jij je vader gezegd zou hebben dat ik al vele maanden voor zijn belang bezig bent en dat je dat niet kunt betalen, maar dat het niet meer dan normaal is dat ik uiteindelijk mijn geld krijg, dan was die Steinway misschien wel naar mij gegaan, maar dan als betaling in natura. Dit is natuurlijk een boude gedachte, maar het is wel wat er op dit moment door me heengaat. Als er geen geld is, dan houdt het natuurlijk op, maar er is zoveel geld. Maar jij behartigt je eigen belangen slecht en daarmee ook die van mij. Waarom heb je mijn belangen nooit met je vader besproken? (…) 2.8. Bij e-mail van 25 september 2017 heeft [eiser] [gedaagde] onder meer gevraagd of zij al met haar vader heeft besproken dat [eiser] hem tot nu belangeloos (indirect) bijstaat. 2.9. Bij e-mail van 11 oktober 2017 met als onderwerp “tekst voor de factuur” heeft [gedaagde] het volgende aan [eiser] verstuurd, voor zover van belang: “Wegens: Voorschot van in totaal 15.000 ex btw.= de overeengekomen afkoopsom voor alle geboden juridische hulp inzake het kort geding [namen partijen] en het hoger beroep [gedaagde] (…) TOTAAL € 5.000,00 Restbedrag á € 10.867,77 excl. BTW te voldoen uit de verkoop van Steinway-vleugel nr. xx. De overige opbrengsten van deze vleugel vallen toe aan [gedaagde] .” 2.10. Op dezelfde dag heeft [eiser] hierop het volgende per e-mail geantwoord: “Nu exact zo overgenomen op de factuur, en erbij ook nog gezet dat het om de vleugel op de [adres] gaat. Goed? Dat zou er weer uit kunnen als we ook nog het nummer opnemen. Maar we weten toch wel waar we het over hebben.” 2.11. Op 11 oktober 2017 heeft [eiser] het voorschot van € 5.000,00 gedeclareerd bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit voorschot op 12 oktober 2017 voldaan. 2.12. Op 12 oktober 2017 heeft [eiser] namens [gedaagde] het hoger beroep tegen de beschikking ingetrokken. Bij beschikking van 24 oktober 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam [gedaagde] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. 2.13. Op 23 april 2021 heeft [eiser] het restantbedrag van € 13.150,00 bij [gedaagde] gedeclareerd, maar is tot op heden onbetaald gebleven. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – samengevat – [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 13.150,00 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 mei 2021 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 906,50, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten. 3.2. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van € 9.398,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2021, met veroordeling van [eiser] in de kosten. 3.5. [eiser] voert gemotiveerd verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan. 4De beoordeling in conventie Fixed fee 4.1. [eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [eiser] heeft [gedaagde] (en haar vader) tijdens de kort gedingprocedure in de vorm van vriendendienst bijgestaan. Die vriendendienst bestond erin dat [eiser] de eindredactie van de op 16 februari 2017 uitgebrachte dagvaarding op zich heeft genomen en de zaak op 24 februari 2017 ter zitting heeft bepleit. De vriendendienst zat er daarmee op. Echter, [gedaagde] bleef ook na 24 februari 2017 trekken aan [eiser] , nu in het kader van het bewind over haar vader en de familieruzie in het algemeen. [eiser] heeft toen verschillende keren ter sprake gebracht dat alles gebeurde in het belang van haar vader en dat het meer dan billijk zou zijn als hij de kosten zou betalen. [gedaagde] vertelde steeds dat ze een honorarium met haar vader zou bespreken, maar dat ze daarvoor een geschikt moment moest afwachten. Dat was voor [eiser] reden om de zaak te blijven behartigen. Uiteindelijk kon [gedaagde] het honorarium voor [eiser] niet meer met haar vader bespreken, omdat zijn gezondheid hard achteruit was gegaan. Dit leverde een patstelling op, waardoor [eiser] en [gedaagde] in oktober 2017 een regeling hebben getroffen. Het bedrag van € 15.000,00 (exclusief btw) is een schatting geweest in overleg met [gedaagde] en zij heeft de overeenkomst eigenhandig geredigeerd. [gedaagde] heeft op 12 oktober 2017 een bedrag van € 5.000,00 ten titel van voorschot van € 15.000,00 voldaan. Het restantbedrag zou voldaan worden uit de opbrengst van de in het ouderlijk huis van [eiser] aanwezige Steinway vleugel. [eiser] hoorde echter niets meer van [gedaagde] . Ook het overlijden van haar vader werd [eiser] niet medegedeeld. [eiser] heeft daarom op 23 april 2021 een bedrag van € 13.150,00 bij [gedaagde] gedeclareerd en heeft recht op voldoening van het restant van het overeengekomen bedrag, aldus [eiser] . 4.2. [gedaagde] betwist dat er tussen haar en [eiser] een prijsafspraak zou zijn gemaakt ten bedrage van de vordering van [eiser] waaraan [gedaagde] gehouden zou zijn. [eiser] heeft [gedaagde] destijds laten weten de werkzaamheden ‘pro deo’ te verrichten op basis van de jarenlange vriendschap. [gedaagde] had immers de middelen niet om [eiser] te betalen en dat wist [eiser] . Er is door [eiser] geen opdrachtbevestiging verstuurd waarin alle elementen van de opdracht zijn bevestigd. Zij is [eiser] dan ook geen vergoeding verschuldigd. De declaratie van 11 oktober 2017, die eenzijdig door [eiser] is opgelegd, is niet het bewijs dat er een prijsafspraak is gemaakt. Uit de betaling door [gedaagde] van een voorschot van € 5.000,00 kan evenmin (het begin van) een overeenkomst worden afgeleid. [gedaagde] wist immers niet dat zij recht had op gefinancierde rechtsbijstand en is dus door [eiser] misleid. Voor zover moet worden aangenomen dat sprake is van een overeenkomst, geldt dat deze overeenkomst moet worden vernietigd omdat de betaling is gedaan onder onjuiste voorstelling van zaken door [eiser] . [gedaagde] heeft gedwaald. 4.3. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Voor de vaststelling van de overeengekomen wederzijdse verbintenissen komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer mochten toekennen aan elkaars verklaringen en gedragingen en hetgeen zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, van beslissende betekenis. Met de omstandigheden van het geval wordt gedoeld op de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, maar dat sluit niet uit dat bij de uitleg mede wordt gelet op zich later voordoende omstandigheden voor zover voor de uitleg relevant (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572). 4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter is in het licht van de gegeven feiten en omstandigheden, met name de e-mailcorrespondentie op 11 oktober 2017, een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen. Uit deze onbetwiste e-mails volgt ondubbelzinnig dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van in totaal € 15.000,00 (exclusief btw) dient te betalen. De omstandigheid dat er – kennelijk aanvankelijk – sprake is geweest van een vriendendienst, maakt het voorgaande niet anders. Nu [gedaagde] blijkens deze correspondentie de tekst van de declaratie van 11 oktober 2017 aan [eiser] heeft gemaild, gaat de kantonrechter voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat deze declaratie eenzijdig door [eiser] zou zijn opgesteld. Daarbij komt dat [gedaagde] zelf deels uitvoering heeft gegeven aan deze overeenkomst door op de volgende dag een bedrag van € 5.000,00 ten titel van voorschot van € 15.000,00 aan [eiser] te voldoen. 4.5. Ten aanzien van de stelling van [gedaagde] dat voornoemde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen onder invloed van dwaling, overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 6:228, eerste lid BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.