RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751884-21 RK nummer: 21/4994 BESCHIKKING in raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 61 van de Overleveringswet (OLW) jo. artikel 62a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van [Klager] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] thans gedetineerd in de [detentieadres] hierna te noemen klager, tegen het bevel van de officier van justitie te Amsterdam van 12 augustus 2021 tot het opleggen van beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv. 1Procesgang Het bezwaarschrift, gedateerd op 12 september 2021, is op 13 september 2021 ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 14 september 2021, klager, zijn raadsman, mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda, en de officier van justitie, mr. C.L.E. Mcgivern, in besloten raadkamer gehoord. 2Feiten Op 10 augustus 2021 hebben de Duitse justitiële autoriteiten een Europees Arrestatiebevel (EAB) tegen klager uitgevaardigd. Zijn overlevering wordt verzocht om hem in Duitsland te vervolgen op grond van de verdenking van een poging tot het tot ontploffing brengen van een geldautomaat. Klager is op 11 augustus 2021 op grond van de OLW aangehouden. Klager verblijft sindsdien in overleveringsdetentie uit hoofde van de OLW. De officier van justitie heeft bij bevel van 12 augustus 2021 bevolen dat in het belang van het onderzoek beperkende maatregelen worden getroffen. Die maatregelen houden in dat klager zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen bezoek mag ontvangen, dat hij zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen telefonisch contact - middellijk noch onmiddellijk - mag hebben met anderen, dat hij geen brieven mag verzenden of ontvangen zonder uitdrukkelijke toestemming van en na controle door of vanwege de officier van justitie en dat hij geen enkel contact mag hebben - mondeling noch schriftelijk noch telefonisch, middellijk noch onmiddellijk - met medegedetineerden. De beperkingen gelden niet ten aanzien van het contact met zijn raadsman. Verder geldt de beperking met betrekking tot het bezoek evenmin ten aanzien van de politie. De beperkingen met betrekking tot telefonisch en briefcontact gelden evenmin ten aanzien van justitiële autoriteiten. Op 12 augustus 2021 heeft de officier van justitie de vordering ex artikel 23 van de OLW ingediend bij deze rechtbank. 3Inhoud van het bezwaarschrift Het bezwaarschrift strekt tot opheffing dan wel gedeeltelijke opheffing van de beperkingen nu er volgens klager geen enkele noodzaak bestaat tot het voortduren van het regime van beperkingen. De raadsman heeft op zitting alsnog de beschikking van het kantongerecht te Kleve van 10 augustus 2021 ontvangen, waarin detentiebeperkingen ten aanzien van klager zijn vastgesteld, alsmede de brief van 1 september 2021 van de officier van justitie te Kleve, waarin is verzocht de opgelegde beperkingen te handhaven. Op grond hiervan stelt de raadsman het in het bezwaarschrift vermelde standpunt bij, in die zin dat in elk geval het contactverbod met medegedetineerden moet worden opgeheven nu daartoe geen noodzaak bestaat en dit verbod niet wordt verzocht door de Duitse autoriteit. 4Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak tot het opleggen van beperkende maatregelen nog onverkort bestaat. Desgevraagd stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat zij het contactverbod met medegedetineerden alleen noodzakelijk acht met betrekking tot het contact met medeverdachten maar dat een dergelijk contactverbod door de detentie instelling niet is te handhaven. Op die grond wenst zij ook het contactverbod met medegedetineerden hand te haven. 5Beoordeling door de rechtbank Wettelijke grondslag De officier van justitie moet bevoegd worden geacht tot het opleggen van beperkingen. Artikel 61 van de OLW bepaalt namelijk dat de klager die op basis van deze wet van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt behandeld als een verdachte die krachtens het Wetboek van Strafvordering aan een overeenkomstige maatregel is onderworpen. Aangenomen dient te worden dat, ook al wordt artikel 62 Sv niet genoemd bij de bepalingen die in artikel 30 van de OLW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, hiermee artikel 62 Sv van overeenkomstige toepassing is in geval van overleveringsdetentie. De officier van justitie moet dus in beginsel bevoegd worden geacht tot het treffen van de in artikel 62 Sv bedoelde maatregelen, waaronder het nemen van vingerafdrukken en foto’s, maar ook het opleggen van beperkingen, krachtens een rechtshulpverzoek van de betreffende buitenlandse autoriteit, die om overlevering van klager heeft gevraagd. De uitvoering van buitenlandse rechtshulpverzoeken is geregeld in de eerste en derde afdeling van Boek 5, Titel 1 Sv. Artikel 5.1.1, tweede lid, Sv luidt: Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken van daartoe bevoegde autoriteiten van een staat aan de bevoegde autoriteiten van een andere staat tot het al dan niet gezamenlijk verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, verzoeken ter bepaling van de aanwezigheid van wederrechtelijk verkregen voordeel, het toezenden van documenten, dossiers of stukken, of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden. Artikel 5.1.4, tweede en derde lid, Sv luiden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.