RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 20/6932 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te Amsterdam, (hierna: [eiseres] ), eiseres (gemachtigde: mr. P. Goettsch), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (hierna: het college), verweerder ( [gemachtigde verweerder] ). Procesverloop Bij besluit van 16 juli 2020 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag voor bijzondere bijstand voor woontoeslag afgewezen. Bij besluit van 30 november 2020 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard. [eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december
- [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Voorgeschiedenis
- [eiseres] heeft door de economische gevolgen van de coronapandemie haar baan als grondstewardess bij Schiphol verloren. Haar inkomen is hierdoor vanaf de tweede helft van 2020 sterk gedaald. Zij heeft daarom op 2 juli 2020 bijzondere bijstand voor woonlasten aangevraagd voor de periode 2 juli 2020 tot 1 januari
- Het college heeft de aanvraag in eerste instantie afgewezen en dit na bezwaar gehandhaafd. Het college meent dat [eiseres] niet in aanmerking komt voor de woonkostentoeslag op grond van de Participatiewet (hierna: Pw), omdat er sprake is van een voorliggende voorziening.
- [eiseres] stelt in beroep dat de voorliggende voorziening niet toereikend is. De systematiek van de huurtoeslag maakt dat zij voor de tweede helft van het jaar 2020 niet in aanmerking komt voor een verhoging van de huurtoeslag, terwijl haar inkomen wel is gedaald. Een aanvraag voor hogere huurtoeslag op basis van haar lagere inkomen zou dan leiden tot een schuld bij de Belastingdienst. [eiseres] voert aan dat zij als gevolg hiervan minder huurtoeslag krijgt dan iemand die het gehele jaar een minimuminkomen heeft. Hoe luidt het oordeel van de rechtbank?
- Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Pw heeft een persoon geen recht op bijstand voor zover deze een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de persoon toereikend en passend te zijn. Een recht op bijstand bestaat ook niet voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten, kan het college daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.
- Voor woonkosten is de huurtoeslag een toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Pw. Dit is een vaste lijn in de rechtspraak. Omdat [eiseres] huurtoeslag heeft ontvangen in 2020, is bijstand op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Pw dan ook niet mogelijk.
- De rechtbank is het niet eens met [eiseres] dat de voorliggende voorziening niet toereikend is en het college daarom verplicht was om bijstand te verlenen voor haar woonlasten. De wetgever heeft voor huurlasten een bijzondere regeling in het leven geroepen, de huurtoeslag. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] voor het jaar 2020 het maximale bedrag aan huurtoeslag heeft ontvangen. Dat dit in het geval van [eiseres] zó heeft uitgewerkt dat het maximale bedrag aan huurtoeslag niet voldoende is om de noodzakelijke huurkosten te betalen, is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever over hoe hij de huurkostenregeling heeft opgezet.
- Het voorgaande betekent dat het college niet verplicht is om bijzondere bijstand te verlenen voor de huurlasten van [eiseres] .
- De rechtbank is niet gebleken en deze zijn ook niet aangevoerd dat zich in het geval van [eiseres] een acute noodsituatie voordoet (de Pw spreekt in artikel 16 van ‘zeer dringende redenen’) om bijstand te verlenen.
- Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de aanvraag van [eiseres] voor bijzondere bijstand voor woonlasten terecht heeft afgewezen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:874.