vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/710158 / KG ZA 21-950 HH/MAH Vonnis in kort geding van 23 december 2021 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser sub 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [eiser sub 3], wonende te [woonplaats] , 4. [eiser sub 4], wonende te [woonplaats] , eisers bij dagvaarding van 1 december 2021, advocaat mr. A.H.H.M. Roelofs te Nuland, tegen de naamloze vennootschap ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. Eisers zullen hierna gezamenlijk ook [eiser sub 1] c.s. worden genoemd en gedaagde ING. Eisers 3 en 4 zullen afzonderlijk als [eiser sub 3] en [eiser sub 4] worden aangeduid. 1De procedure 1.1. Op de zitting van 9 december 2021 waren aanwezig: - aan de kant van [eiser sub 1] c.s.: [eiser sub 3] en [eiser sub 4] , met mr. Roelofs, - aan de kant van ING: mr. [naam 1] (bedrijfsjurist) en [naam 2] (CDD analist), met mr. J.L. Pijnse van der Aa. 1.2. Eisers hebben de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een tevoren ingediende ‘akte weergave feiten’. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. 1.3. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. [eiser sub 1] B.V. (de BV) exploiteert een groothandel in – volgens de registratie bij de Kamer van Koophandel – juweliersartikelen, uurwerken, edelstenen, woningdecoraties, sieraden, aziatica en new-age artikelen. Zij doet dit vanuit een showroom en via haar website. Enig bestuurder van [eiser sub 1] B.V. is [naam holding] B.V. (de Holding), die op haar beurt wordt bestuurd door [eiser sub 3] en [eiser sub 4] . De groothandel wordt feitelijk gedreven door [eiser sub 3] . [eiser sub 3] is getrouwd met [eiser sub 4] . 2.2. [eiser sub 1] c.s. hebben diverse zakelijke en particuliere bankrekeningen bij ING. Daarop zijn onder meer de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) van toepassing. 2.3. In de zomer en het najaar van 2016 hebben de Douane en de Belastingdienst onderzoek gedaan in de showroom en achterliggende (opslag)hallen van [eiser sub 1] , waarbij zowel de boekhouding, diverse artikelen, als geld is meegenomen (waarop beslag is gelegd, net als op alle registergoederen). 2.4. Bij vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant van 10 november 2020 zijn de BV en de Holding ieder veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,00 en [eiser sub 3] tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De strafrechter vond weliswaar een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, passend, maar heeft deze verkort in verband met overschrijding van de redelijke termijn van de strafprocedure. Daarnaast zijn beide vennootschappen veroordeeld tot een jaar voorwaardelijke stillegging. Dit alles wegens het meerdere jaren (2013-2017) handelen in een groot aantal beschermde uitheemse dieren- en plantensoorten, het verstrekken van onjuiste gegevens aan de douane en het handelen in namaakproducten. 2.5. Bij de bepaling van de straf is in het vonnis het volgende overwogen: “[bedrijf 1] (= de BV – vzr) en [bedrijf 2] (=de Holding – vzr) hebben gedurende een periode van meerdere jaren een grote hoeveelheid producten van beschermde uitheemse dier- en plantensoorten binnen het grondgebied van de Gemeenschap gebracht, verhandeld en in bezit gehad, terwijl [verdachte] (= [eiser sub 3] – vzr) feitelijk leiding gaf aan deze gedragingen. Deze producten van beschermde dier- en plantensoorten, maar met name van diersoorten, waren bestemd voor de groothandel van verdachten. Daar namen vooral interieurzaken de producten af, zo heeft [verdachte] verklaard. Verdachten hebben hiermee schade toegebracht aan de natuur. Zoals de officier van justitie in haar requisitoir ook aangaf, betekent de 1600 kilogram koraal die bij verdachten is aangetroffen, dat er op de zeebodem omgerekend 154 m2 koraal is weggenomen. Zaagvissen behoren tot de meest ernstig bedreigde vissoort ter wereld, verdachten hebben 114 rostrums van zaagvissen geïmporteerd. [verdachte] heeft zelf verklaard honderden krokodillen(delen) uit Madagaskar te hebben geïmporteerd en verhandeld. Er blijken door de jaren heen minimaal tientallen walviswervels, schedels van Babyrousa‘s, apenkoppen, cobra- en pythonproducten en varanenhuiden door verdachten te zijn ingevoerd en verhandeld. Dit betreffen allemaal beschermde dierensoorten. Ondanks deze hoeveelheden en de lange duur van de handel, heeft [verdachte] steeds verklaard dat hij ‘naïef” is geweest bij de invoer van producten, maar geen kwade opzet heeft gehad. Dat is niet wat de rechtbank concludeert na bestudering van het dossier. Verdachten hebben jarenlang producten gekocht van meerdere (buitenlandse) leveranciers. Er zijn e-mailberichten, afkomstig van [verdachte] en gericht aan deze leveranciers, aangetroffen, waarin [verdachte] vraagt producten van bepaalde diersoorten te verstoppen in (het midden van) de containers. De leveranciers voldoen aan die verzoeken, zo blijkt uit e-mailberichten die zij weer aan [verdachte] sturen. Op documenten die de Douane in haar bezit krijgt, zijn de illegale producten niet terug te vinden. Op de websites van verdachten wordt ook geadverteerd met het feit dat sprake is van producten van beschermde diersoorten, die niet mogen worden verhandeld. Bij de krokodillen(delen) die verdachten verkopen, worden onjuiste CITES-gegevens verschaft aan de kopers. De stelling van [verdachte] dat het hem een beetje boven het hoofd is gegroeid maar dat hij zich nooit zo bewust is geweest van de overtredingen die hij beging, acht de rechtbank gelet op die omstandigheden volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat verdachten onvoldoende oog hebben gehad voor de wettelijke maatregelen ter regulering van de handel in producten van bedreigde soorten en voor de ratio achter die maatregelen. Daarmee hebben zij bijgedragen aan een omvangrijke illegale handel in producten van bedreigde dier- en plantensoorten. Verdachten hebben zich ook schuldig gemaakt aan de verkoop en/of het in voorraad hebben van namaakproducten. Het betreft een illegale economische activiteit waar de rechthebbenden op de merken schade aan ondervinden en daarnaast de legaal verkopende bedrijven omzetschade toebrengt. Het verkopen van vervalste goederen is derhalve maatschappelijk ongewenst. Voorts hebben verdachten in een tijdsbestek van bijna 3 jaar meerdere valse facturen voorhanden gehad. Op deze facturen was - veelal op initiatief van verdachten - een lager aankoopbedrag vermeld dan op de werkelijke facturen. Hierdoor zijn opzettelijk onjuiste douaneaangiften gedaan. Er is daardoor een te laag bedrag aan invoerrechten betaald. Verdachten hebben er door hun handelen aan bijgedragen dat de Nederlandse staat en daarmee de maatschappij is benadeeld. Bij belastingheffing zijn immers gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu daarmee wordt beoogd de Staat geldmiddelen te verschaffen die nodig zijn voor de vervulling van zijn taak. Resumerend: Verdachten hebben gedurende een lange periode bewust de handelsbelangen van de onderneming gesteld boven het belang van bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten, een juiste belastingheffing of de (handels)belangen van merkhouders. Daarbij hebben zij steeds welbewust richting de autoriteiten zaken verhuld, door goederen te laten verstoppen, niet onder hun naam te laten vermelden op facturen en onjuiste – te lage – facturen te laten opmaken en verstrekken aan de Douane. Bij de gestelde naïviteit had openheid gepast, niet het verhullen van het eigen handelen.” 2.6. De beide vennootschappen hebben berust in het strafvonnis. [eiser sub 3] heeft hoger beroep ingesteld. Ten tijde van de zitting in dit kort geding was niet bekend wanneer de mondelinge behandeling van het hoger beroep zal plaatsvinden. 2.7. Over het strafrechtelijk onderzoek en het vonnis zijn in 2017, 2019 en 2020 publicaties verschenen in het Brabants Nieuwsblad/DeStem. 2.8. Bij brief van 5 januari 2021 aan de BV heeft ING in het kader van periodiek klantonderzoek vijf vragen gesteld. Vraag 2 luidt:“In 2019 bent u benaderd door ING inzake de negatieve berichtgeving omtrent de verdenkingen van illegale handel en beslagnames. Volgens nieuwe berichtgeving (…) is duidelijk geworden dat er een uitspraak is geweest omtrent deze verdenkingen. (…) Graag vernemen wij of u (…) daadwerkelijk bent veroordeeld? (…)”. 2.9. Als antwoord op vraag 2 heeft [eiser sub 3] op 11 januari 2021 per e-mail aan ING een brief van 8 januari 2021 gestuurd van de (straf)advocaat van [eiser sub 1] c.s., waarin deze mededeelt waartoe de vennootschappen en [eiser sub 3] in het strafvonnis van 10 november 2020 zijn veroordeeld. 2.10. Bij brieven van 27 en 28 mei 2021 heeft ING de bancaire relaties met de vennootschappen opgezegd op grond van artikel 35 ABV, met een opzegtermijn van 3 maanden, en heeft zij registratie aangekondigd in het interne verwijzingsregister (IVR) voor de duur van maximaal acht jaar. Over de redenen staat in de brief aan de BV: “Tijdens het periodieke clientonderzoek zijn er onacceptabele risico’s zijn geïdentificeerd, te weten het risico van het witwassen van gelden die zijn verkregen uit de verboden handel in beschermde diersoorten en namaak artikelen. Op de zakelijke betaalrekening van [eiser sub 1] BV zijn transacties waargenomen die in het licht van de eerdere veroordeling en begane delicten een onacceptabel risico met zich meebrengen voor ING. Zo zijn er in de periode 2013 tot en met 2017 een groot aantal cashstortingen waargenomen waarvan wij onvoldoende kunnen uitsluiten dat deze zijn verkregen via de verkoop van hierboven genoemde verboden artikelen. Daarnaast hebben er (eveneens recent) internationale transacties plaatsgevonden met tegenpartijen welke niet goed vindbaar zijn in openbare bronnen en waarvan wij onvoldoende kunnen uitsluiten dat eerder begane delicten niet nogmaals begaan zullen worden in de toekomst met deze partijen. Ter ondersteuning van voorgaande hebben wij eveneens onderzoek gedaan naar een aantal van deze tegenpartijen. Hieruit is gebleken dat de tegenpartij ‘ [naam 3] ’ eveneens in Indonesië strafrechtelijk is veroordeeld voor het handelen/smokkelen van beschermde diersoorten. Het feit dat de transacties naar tegenpartij ‘ [naam 3] ’ nog steeds plaatsvinden in combinatie met de veroordeling van zowel [eiser sub 1] BV, [eiser sub 2] BV, [eiser sub 3] en [naam 3] , heeft ertoe geleid dat ING de waargenomen risico’s onvoldoende kan mitigeren al dan niet kan uitsluiten in de toekomst.”; en in de brief aan de Holding: “Tijdens het periodieke cliëntonderzoek zijn er onacceptabele risico’s zijn geïdentificeerd, te weten het risico van het witwassen van gelden die zijn verkregen uit de verboden handel in beschermde diersoorten en namaak artikelen. Op de zakelijke betaalrekening van [eiser sub 1] BV zijn transacties waargenomen die in het licht van de eerdere veroordeling en begane delicten een onacceptabel risico met zich meebrengen voor ING. Omdat de verkregen gelden van de werkmaatschappij ‘ [eiser sub 1] BV’ doorvloeien naar de bovenliggende entiteit [eiser sub 2] BV’, heeft dit ertoe geleid dat ING de waargenomen risico’s onvoldoende kan mitigeren al dan niet kan uitsluiten in de toekomst.”. 2.11. Mr. Roelofs heeft namens de BV en de Holding bij brief van 21 juni 2021 bezwaar gemaakt tegen de opzeggingen. Dat bezwaar is door ING bij brief van 15 juli 2021 afgewezen, waarbij wel de opzeggingstermijn is verlengd tot 31 oktober 2021. Daarop hebben de BV en de Holding bij brief van 28 juli 2021 een klacht ingediend bij de directie van ING. Daarin hebben zij ook aangeboden om in overleg te treden met ING om toekomstige 'risico's' te bespreken en waar mogelijk weg te nemen (door bijvoorbeeld een bestaande, maar volgens de bank risicovolle, handelsrelatie te beëindigen) of te beperken (door volledige inzage te geven in klanten en betalingen). 2.12. Bij brief van 13 augustus 2021 heeft ING de bancaire relatie met [eiser sub 3] – onder verwijzing naar eerdere correspondentie - opgezegd op grond van artikel 35 ABV, met ingang van 31 oktober 2021, en gemeld dat zijn persoonsgegevens in het IVR worden opgenomen voor maximaal acht jaar. Daartegen heeft [eiser sub 3] op 2 september 2021 een klacht ingediend bij de directie van ING. 2.13. Bij brief van 1 november 2021 heeft ING zowel de klachten van de vennootschappen als van [eiser sub 3] na heroverweging afgewezen en gemeld dat alle zakelijke en privé-bankrekeningen van de vennootschappen en [eiser sub 3] per 2 januari 2022 opgeheven zullen worden (met dien verstande dat de rekeningen zullen worden geblokkeerd zolang de daarop in 2020 gelegde derdenbeslagen niet zijn opgeheven). 2.14. ING is ook een cliëntenonderzoek gestart naar [eiser sub 4] . Ter zitting is gebleken dat ING bij brief van 7 december 2021 de bancaire relatie met [eiser sub 4] heeft opgezegd. 3Het geschil 3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert: 1. om ING te veroordelen om de bancaire relatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.