RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751776-20 (EAB I) RK nummer: 21/5832 Datum uitspraak: 22 december 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 oktober 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 27 augustus 2020 door het Landgericht Bochum – 11e Grote strafkamer (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1976, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 december
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.M.H. van Mullekom, advocaat te Rotterdam. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Turkse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, uitgevaardigd door het Landgericht Bochum op 13 juli 2020 (dossiernummer: II-11 KLs 9/20). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5Onschuldverweer De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft gesteld dat er sprake is van dusdanige contra-indicaties die uit het dossier blijken dat zonder nadere onderbouwing de overlevering op basis van artikel 28 lid 2 OLW dient te worden geweigerd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman een getuigenverklaring in de zaak van een medeverdachte van de opgeëiste persoon overgelegd. Deze medeverdachte heeft onlangs als getuige tegenover een rechter verklaard dat de opgeëiste persoon niet betrokken is geweest bij de feiten waarvoor de overlevering is verzocht, dat de betreffende transacties niet in de woning van de opgeëiste persoon hebben plaatsgevonden en dat hij samen met de opgeëiste persoon naar Dortmund is gereden om naar een casino te gaan, en niet om een deel van de koopprijs in ontvangst te nemen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren omdat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de overlevering is gevraagd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beoordelen van de getuigenverklaring aan de Duitse rechter overgelaten dient te worden. De onschuld van de opgeëiste persoon is met deze getuigenverklaring nog niet komen vast te staan. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de getuigenverklaring niet leidt tot de vaststelling dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de overlevering is gevraagd. De onschuld van de opgeëiste persoon is niet ter zitting aangetoond, zoals artikel 26, vierde lid, OLW vereist. De onschuldbewering kan reeds om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering. Het verweer wordt verworpen. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Staatsanwaltschaft Bochum heeft bij e-mail van 23 november 2021 de volgende garantie gegeven: With reference to your kind email of 22 November 2021, I confirm that [de opgeëiste persoon] will be able to serve the sentence in the Netherlands in the event of a final conviction for the offences mentioned in our EAW of 27 August
- Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW: eerste lid, onderdeel a (feit geheel of ten dele in Nederland gepleegd) Het EAB heeft betrekking op feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren. De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd: het onderzoek is in Duitsland aangevangen; bewijsmiddelen bevinden zich in Duitsland; medeverdachten worden in Duitsland vervolgd; de Nederlandse justitiële autoriteiten zijn niet voornemens om de opgeëiste persoon voor deze feiten te gaan vervolgen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. De opgeëiste persoon woont in Nederland en beschikt over de Nederlandse nationaliteit. Gelet op deze feiten en omstandigheden zou hij in redelijkheid voor deze feiten in Nederland vervolgd kunnen worden. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn; - de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten is het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. 8Artikel 11 OLW: onmenselijke en vernederende behandeling Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 11 OLW, omdat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Uit het hulpverleningsverleden van de opgeëiste persoon, het NIFP rapport uit 2013 en het rapport van de psycholoog, de heer Ameling, van 5 december 2021 volgt dat overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland onverantwoord is gelet op zijn psychische problematiek en in het bijzonder de oorsprong daarvan in traumatische ervaringen die de opgeëiste persoon in het verleden in Duitse detentie heeft opgedaan. Aldus loopt de opgeëiste persoon een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Uit het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) van 16 februari 2017 blijkt dat dit een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest kan opleveren. De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de overlevering te weigeren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringsverzoek moet worden aangehouden omdat er nader onderzoek dient plaats te vinden in het kader van artikel 11 OLW. Ten eerste dient de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon, in het bijzonder in relatie tot een mogelijke overlevering aan Duitsland en de mentale gevolgen daarvan voor hem, onderzocht te worden. Ten tweede dienen er garanties van de Duitse autoriteiten opgevraagd te worden dat de opgeëiste persoon, in het geval van overlevering, in Duitsland de benodigde zorg zal krijgen.. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich met de raadsman op het standpunt gesteld dat er zorgen zijn over de psychische gezondheid van de opgeëiste persoon. De onderbouwing van het standpunt van de raadsman is echter gericht op de toetsing van artikel 35 OLW, in het kader van de vraag of de opgeëiste persoon feitelijk kan worden overgeleverd gezien zijn gezondheidstoestand, en niet op artikel 11 OLW. Er is geen informatie waaruit kan worden afgeleid dat er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon op basis van detentieomstandigheden in Duitsland een risico loopt op schending van zijn grondrecht zoals bedoeld in artikel 4 Handvest. De officier van justitie heeft zich verzet tegen zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van de raadsman. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan. Oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 11 OLW mag aan een EAB geen gevolg worden gegeven in gevallen waarin er naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Nu het verweer mede berust op gestelde eerdere traumatische ervaringen in Duitse detentie, begrijpt de rechtbank het verweer zo, dat, anders dan in het arrest C.K. e.a., niet reeds de overlevering zelf maar de detentieomstandigheden in Duitsland een reëel gevaar van schending van artikel 4 Handvest zouden opleveren. In het arrest Aranyosi en Căldăraru van het HvJEU van 5 april 2016 heeft het Hof een stappenplan voor de beoordeling van een dergelijk reëel gevaar gegeven. Allereerst dient te worden vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In zijn betoog heeft de raadsman slechts aangevoerd dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon een reëel gevaar op schending van zijn in artikel 4 Handvest gewaarborgde grondrecht bestaat. Alvorens aan de beoordeling van dit individuele gevaar toe te komen, dient eerst vast komen te staan dat Duitsland in het algemeen tekort schiet in het verlenen van de benodigde zorg aan gedetineerden. Nu dit algemene gevaar niet is komen vast te staan, vormt artikel 11 OLW geen aanleiding om aan het EAB geen gevolg te geven. Het primaire verzoek wordt verworpen. Nu er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van de detentieomstandigheden in Duitsland, ziet de rechtbank geen reden om de Duitse autoriteiten om garanties te vragen ten aanzien van de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon na overlevering terecht zal komen. Het subsidiaire verzoek van de raadsman, ten aanzien van de detentiegaranties, wordt verworpen. Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de psychische gezondheid van de opgeëiste persoon in het kader van detentiegeschiktheid in Duitsland een kwestie is die beoordeeld dient te worden in het kader van artikel 35 OLW, welk artikel ziet op de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon. Om die reden ziet de rechtbank tevens geen noodzaak om de behandeling van de zaak te schorsen teneinde nader onderzoek te laten verrichten naar de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon. Het subsidiaire verzoek van de raadsman, ten aanzien van nader onderzoek naar de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon, wordt eveneens verworpen. 9Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 10Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. 11Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Landgericht Bochum – 11e Grote strafkamer (Duitsland). Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en J.P.W. Helmonds, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. HvJ EU 16 februari 2017, C-578/16 PPU, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. e.a. tegen Slovenië) HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru)