RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751569-21 RK nummer: 21/5088 Datum uitspraak: 9 december 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 september 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 mei 2021 door de rechtbank Aarhus (Denemarken) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 november 2021. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht ter zitting te verschijnen en heeft zich doen bijstaan door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van de rechtbank Aarhus van 20 mei 2021, (rolnummer: 4196/2021). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Deens recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het EAB ongenoegzaam is; de omschrijving van de feiten voldoet niet aan de eisen van artikel 2 OLW. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is niet voldoende duidelijk en het aangekruiste lijstfeit Illegale handel in wapens, munitie en explosieven wekt - gelet op de feitsomschrijving - vragen op over de genoegzaamheid van het EAB. Hiernaast past het lijstfeit Deelname aan een criminele organisatie niet bij de in het EAB omschreven feiten. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft geconstateerd dat in de Nederlandse vertaling van het EAB het lijstfeit Illegale handel in wapens, munitie en explosieven is aangekruist. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit een kennelijke fout in de vertaling betreft. In het originele Deense EAB is het lijstfeit Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen aangekruist. De opgeëiste persoon wordt door deze kennelijke fout in de vertaling van het EAB niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In het EAB wordt omschreven dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van betrokkenheid als dader bij 3 strafbare feiten, te weten het met een vrachtwagen en oplegger binnensmokkelen in Denemarken van 40 kilogram cocaïne op 17 september 2020 alsmede van 150 kilo hasj en 15 kilogram cocaïne op 8 oktober 2020, alwaar hij dit overdroeg aan een ander persoon. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze feitomschrijving voldoende duidelijk waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht. Daarnaast wordt de opgeëiste persoon in het A formulier als perpetrator aangewezen. Het is voor de opgeëiste persoon genoegzaam duidelijk waartegen hij zich dient te verdedigen. Ook overigens is voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten van artikel 2 OLW. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Voorzover de raadsman aanvoert dat ten onrechte het lijstfeit deelneming aan een criminele organisatie is aangevoerd terwijl dit niet genoegzaam is omschreven, merkt de rechtbank als volgt op. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van haar lidstaat, te beoordelen of naar het recht van de uitvaardigende lidstaat de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. De rechtbank is in beginsel gebonden aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat een feit waarvoor overlevering wordt verzocht een lijstfeit oplevert. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. 5Onschuldverweer De raadsman heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon onschuldig is. De rechtbank stelt vast dat met hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, zijn onschuld niet tijdens het verhoor is aangetoond. De onschuldbewering kan reeds om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Danish Director of Public Prosecutions heeft op 7 oktober 2021 de volgende garantie gegeven: The Danish Director of Public Prosecutions guarantees, in compliance with art. 5 par. 3 of the Council Framework Decision on European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States (2002/584/JHA) and request of the LAND judicial authorities, that NAVN, when surrendered to the Danish authorities, would be returned to the LAND to serve his sentence there, providing that following his surrender a prison sentence or other measure depriving him of his liberty would be imposed upon him and he would wish so. The guarantee only allows the Netherlands to alter the duration of any sentence by the Danish court within the strict conditions set out in Article 8
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.