← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:8042

RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751591-20 BESLISSING De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben om overlevering verzocht van de opgeëiste persoon: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1964, verblijfadres: [adres] , gedetineerd in [detentieplaats] . De opgeëiste persoon is op 8 oktober 2021 aangehouden op grond van een Europees Aanhoudingsbevel. De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het dossier, waaronder het Bevel tot inverzekeringstelling en voortzetting inverzekeringstelling van 11 oktober 2021 van de officier van justitie en het proces-verbaal van verhoor van de opgeëiste persoon bij de officier van justitie van diezelfde datum. Op de behandeling in raadkamer op 13 oktober 2021 zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman (telefonisch), mr. P.J.M. Bongaarts namens mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht. De officier van justitie heeft zich – kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de rechtbank, gelet op artikel 598 onder c en 610 van de HSO, in samenhang gelezen met de Annex bij de HSO (de rechtbank begrijpt: de namens Nederland gedane kennisgevingen) en artikel 21 OLW, de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling niet hoeft te toetsen. De raadsman heeft te kennen gegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling door de rechtbank getoetst moet worden. De rechtbank verwijst daartoe naar de artikelen 598 onder c en 610 van de HSO en artikel 3, lid 2, onder g van de Uitvoeringswet. In artikel 598 onder c van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst (HSO) staat dat onder ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ wordt verstaan: de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat die krachtens het interne recht van die staat bevoegd is om het aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. Die uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist volgens artikel 610 HSO of een persoon in hechtenis blijft. Volgens artikel 3, lid 2 onder g van de Uitvoeringswet, het interne recht, is de uitvoerende justitiële autoriteit de justitiële autoriteit die krachtens het nationale recht bevoegd is tot het nemen van de beslissing tot overlevering op basis van een aanhoudingsbevel krachtens de Overleveringsovereenkomst. Dat is niet de officier van justitie, maar de rechtbank. Dat in de namens Nederland gedane kennisgevingen ook de officier van justitie wordt genoemd, doet daaraan niet af. De rechtbank zal daarom de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling toetsen. Deze rechterlijke toetsing vindt thans, korte tijd na het bevel tot inverzekeringstelling en dus spoedig na de aanhouding, plaats. De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het EAB. Met de officier van justitie is de rechtbank verder van oordeel dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van vluchtgevaar. Er is ook overigens geen grond voor opheffing van het bevel tot inverzekeringstelling.  Op grond van bovengenoemde stukken, de aangehaalde jurisprudentie en de behandeling in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat de overleveringsdetentie dient te worden voortgezet. Gelet op artikel 3 van de Uitvoeringswet en artikel 21 van de Overleveringswet. BESLISSING: De rechtbank beslist: - dat het bevel tot inverzekeringstelling niet wordt opgeheven en de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] dus wordt voortgezet. Deze beslissing is genomen op 13 oktober 2021 door: mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, rechter, in tegenwoordigheid van C. van den Berg, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.