vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13-994021-19 (ontneming) Datum uitspraak: 6 december 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de zaken tegen [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, wonende op het adres [adres] . 1Het onderzoek op de terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officieren van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 20 en 27 september 2021, 6 en 11 oktober 2021 en 6 december 2021 (sluiting). De rechtbank heeft kennis genomen van de ontnemingsvordering van de officieren van justitie mr. L. van Haeringen en mr. R.S. Mackor (hierna: de officier van justitie) en van wat [veroordeelde] en zijn raadsman mr. J. van Groningen naar voren hebben gebracht. 2De vordering en het procesverloop Op 9 juli 2018 is het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt. Gesteld wordt dat [veroordeelde] , bestuurder van [naam V.O.F.] (hierna: [naam V.O.F.] ) wederrechtelijk voordeel heeft verkregen doordat [naam V.O.F.] van het bedrijf [naam B.V.] 2.550 ton digestaat of een andere stof als meststof heeft ontvangen en aangewend en dat zij daarvoor een bedrag van € 25,- per ton betaald kregen. Het rapport berekent het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op € 63.750,-. Op 28 mei 2020 heeft de raadsman een conclusie van antwoord ingediend. Weersproken wordt dat er digestaat is ontvangen en dat daarvoor is betaald, zodat de vordering moet worden afgewezen. In de conclusie van repliek van 27 juli 2020 heeft de officier van justitie aangegeven dat de zienswijze van de verdediging geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In de conclusie van dupliek van 18 september 2020 heeft de verdediging haar standpunt gehandhaafd. De vordering van de officier van justitie van 16 oktober 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 63.750,-. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor [veroordeelde] vast te stellen op één derde deel van dit bedrag, te weten € 21.250,-, en een betalingsverplichting op te leggen ter hoogte van dat bedrag, inclusief de rente. 3Beoordeling In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank geoordeeld dat niet bewezen is dat [naam V.O.F.] digestaat of een andere stof als meststof heeft ontvangen. Daarmee is de grondslag van de ontnemingsvorderingen komen te vervallen zodat de rechtbank deze zal afwijzen. 4Beslissing De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de volgende beslissing. Wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af. Dit vonnis is gewezen door mr. N.J. Koene, voorzitter, mrs. F. Dekkers en F.W. Pieters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.