← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:8263

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/4737 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, (gemachtigde: mr. M. Zinkhann), en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M.E. Piek – van der Spek). Procesverloop Eiseres heeft verzocht om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie. Verweerder heeft een schriftelijke reactie gegeven. Eiseres heeft daarop gereageerd. De rechtbank doet uitspraak zonder een rechtszitting te houden. Overwegingen

  1. Eiseres heeft op 23 november 2020 een Wob-verzoek ingediend. Op 27 januari 2021 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiseres op 17 februari 2021 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek om informatie. Deze rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 7 april 2021 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zes weken een besluit te nemen op het Wob-verzoek. Wanneer verweerder hieraan niet voldoet verbeurt hij een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Op 22 september 2021 heeft eiseres opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek om informatie. Tot op heden is geen besluit op het verzoek van eiseres genomen.
  2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
  3. De rechtbank stelt vast dat de in de uitspraak van 7 april 2021 bepaalde rechterlijke dwangsomperiode ten tijde van het instellen van dit opvolgende beroep is verstreken en dat verweerder niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Eiseres heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet opnieuw in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van dit beroep. De rechtbank verbindt hier echter geen consequenties aan. De rechtbank heeft verweerder in de eerdergenoemde uitspraak van 7 april 2021 namelijk opdracht gegeven om binnen zes weken een besluit te nemen. Aan die opdracht heeft verweerder niet voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom van eiseres redelijkerwijs niet gevergd worden dat hij verweerder hiervoor opnieuw in gebreke stelt. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 maart
  4. Het beroep is dus gegrond.
  5. Het beroep is dus gegrond.
  6. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.Verweerder heeft in dit geval naar voren gebracht dat het belang van eiseres moet wijken voor het belang van een goede en zorgvuldige besluitvorming en het borgen van belangen van alle betrokken derden. De rechtbank acht dit geen bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.
  7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,– verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,–. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat verweerder de beslistermijn al ruimschoots heeft overschreden en verweerder geen gevolg heeft gegeven aan een opdracht van de rechtbank. In het ongemotiveerde verzoek van verweerder om geen dwangsom aan deze opdracht te verbinden, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een nadere dwangsom.
  8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
  9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 561,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het verzoek met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 561,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december
  10. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). AWB 21/
  11. Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Zie ook artikel 6:12, derde lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2019:
  12. Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.