vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/685322 / HA ZA 20-610 Vonnis in incident van 23 juni 2021 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UNILEVER EUROPE B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. de vennootschap naar buitenlands recht UNILEVER SUPPLY CHAIN COMPANY AG, gevestigd te Schaffhausen, Zwitserland, 3. de vennootschap naar buitenlands recht UNILEVER ITALY HOLDINGS SRL, gevestigd te Rome, Italië, eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident, advocaat mr. D.F. Berkhout te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SMURFIT KAPPA EUROPE B.V., gevestigd te Schiphol, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SMURFIT INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Amsterdam, 3. de vennootschap naar buitenlands recht SMURFIT KAPPA ITALIA S.P.A., gevestigd te Milaan, Italië, advocaat gedaagden sub 1 tot en met 3 mr. J.K. van Hezewijk te Amsterdam, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DS SMITH ITALY B.V., gevestigd te Rijswijk, 5. de vennootschap naar buitenlands recht DS SMITH PLC, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, 6. de vennootschap naar buitenlands recht DS SMITH PACKAGING ITALIA S.P.A., gevestigd te Vimercate, Italië, 7. de vennootschap naar buitenlands recht DS SMITH HOLDING ITALIA S.P.A., gevestigd te Vimercate, Italië, 8. de vennootschap naar buitenlands recht TOSCANA ONDULATI S.P.A., gevestigd te Cappanori, Italië, advocaat gedaagden sub 4 tot en met 8 mr. J.K. de Pree te Amsterdam, gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het incident. Eiseressen in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk Unilever genoemd en gedaagden gezamenlijk gedaagden. Gedaagden sub 1 tot en met 3 worden hierna gezamenlijk SK c.s genoemd en afzonderlijk SK Europe, SK International en SK Italia. Gedaagden sub 4 tot en met 8 worden hierna gezamenlijk DS c.s. genoemd en afzonderlijk DS Italy, DS PLC, DS Packaging, DS Holding en Toscana. Gedaagden sub 3, 5, 6, 7 en 8 worden hierna ook de buitenlandse gedaagden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de gelijkluidende dagvaardingen van 11 december 2019, met producties de akte overlegging producties, met producties de incidentele conclusie houdende beroep op onbevoegdheid van de rechtbank alsmede verzoek tot verlof voor oproeping van partijen in vrijwaring van SK c.s., met producties de incidentele conclusie betreffende bevoegdheid en tot oproeping in vrijwaring ex artikel 210 Rv van DS c.s., met producties de conclusie van antwoord in de incidenten houdende onbevoegdheid, tevens verzoek tot oproeping in vrijwaring, met producties het proces-verbaal van de op 8 maart 2021 gehouden mondelinge behandeling, met de daarin genoemde processtukken een e-mail van 24 maart 2021 van mr. De Pree, met een reactie op het proces-verbaal een brief van 29 maart 2021 van mr. Berkhout, met een reactie op het proces-verbaal een e-mail en faxbericht van 30 maart 2021 van mr. Van Hezewijk, met een reactie op het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De feiten 2.1. Unilever is onder meer verantwoordelijk voor de inkoop van grondstoffen en verpakkingsmaterialen voor de productiefaciliteiten van haar onderneming, waaronder die in Italië. 2.2. SK Europe is de 100% moedermaatschappij van SK Italia (sinds de fusie met Smurfit Kappa Holdings Italia S.p.A), een (tussen)houdstervennootschap voor de Europese activiteiten van het SK concern. De topholding van het SK concern (Smurfit Kappa Group PLC, hierna SK PLC) is gevestigd in Dublin, Ierland. 2.3. SK International is de 100% moedervennootschap van SK Europe, een (tussen)houdstervennootschap voor de wereldwijde activiteiten van het SK concern. 2.4. SK Italia is een Italiaanse werkmaatschappij en in 2008 ontstaan door de fusie van Smurfit Sisa S.p.A, Kappa Packaging S.p.A en Nettingsdorfer Italia S.p.A. 2.5. DS Italy is een holdingmaatschappij van Toscana met 92% van het aandelenkapitaal. Toscana houdt zich bezig met de productie van golfkarton en golfkartonverpakkingen, met twee fabrieken gevestigd in Italië. 2.6. DS Holding is een holdingvennootschap voor de belangrijkste Italiaans activiteiten van het DS concern, dat actief is in de productie van golfkartonpapier, golfkartonplaten en golfkartonverpakkingen. 2.7. DS PLC is de topvennootschap van het DS concern en gevestigd in Londen, Verenigd Koninkrijk. 2.8. DS Packaging heeft in 2012 SCA Packaging Italia S.p.A. overgenomen en is actief in de productie en de verkoop van golfkartonplaten en golfkartonverpakkingen. 2.9. Bij besluit van 17 juli 2019 (hierna: het besluit) heeft de Italiaanse mededingingsautoriteit ‘Autorita Garanta della Concorrenza e del Mercato’ (hierna: AGCM) twee afzonderlijke inbreuken op artikel 101 VWEU (en artikelen 15 en 31 van de Italiaanse Mededingingswet) vastgesteld. Het besluit ziet op een kartonplatenkartel vanaf 2 februari 2004 tot 30 maart 2017, waarbij de verkoopprijzen van golfkarton zijn gemanipuleerd en andere bedrijven zijn aangezet om mee te doen aan de overtreding en bijeenkomsten zijn georganiseerd. Verder ziet het besluit op een verpakkingskartel vanaf 7 september 2005 tot 30 maart 2017 bestaande uit een overeenkomst tussen de belangrijkste producenten van kartonverpakkingen om de concurrentie te verstoren (hierna gezamenlijk: de kartels). In het besluit is beschreven dat het verpakkingskartel een ondersteunende functie had ten aanzien van het kartonplatenkartel. 2.10. De geadresseerden van het besluit zijn onder meer SK Italia, DS Packaging, DS Holding en Toscana. SK Italia, DS Packaging en Toscana zijn in het besluit aansprakelijk gesteld wegens hun feitelijke deelname aan de inbreuk en DS Holding is aansprakelijk gesteld als moedermaatschappij van DS Packaging. De AGCM heeft ten aanzien van de kartels aan voornoemde vennootschappen gezamenlijk boetes opgelegd. DS c.s. kon betaling voorkomen doordat zij zichzelf heeft aangegeven bij de autoriteiten door middel van indiening van een clementieverzoek. 2.11. Onder meer SK Italia heeft beroep ingesteld tegen het besluit. DS Packaging, DS Holding en Toscana hebben, als ontvangers van immuniteit, geen beroep ingesteld. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.1. Unilever vordert – kort samengevat – een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door hun deelname aan de kartels en betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat. 3.2. Unilever heeft aan haar vorderingen artikel 101 lid 1 VWEU, artikel 2 van de Italiaanse Mededingingswet, artikel 6 van de Nederlandse Mededingingswet, artikel 17 lid 2 van de Richtlijn Schadevorderingen mededingingsrecht en de artikelen 6:162, 6:166, 6:193k e.v., 6:102 en 6:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag gelegd. Zij stelt dat alle gedaagden op grond van het Unierecht en het Nederlands recht onrechtmatig hebben gehandeld door hun directe of indirecte deelname aan de kartels. Unilever stelt dat zij in de kartelperiode grote hoeveelheden kartonverpakkingen van gedaagden heeft afgenomen voor haar productievestigingen in heel Europa en dat zij schade heeft geleden vanwege de hogere prijzen die zij moest betalen als gevolg van de kartels. Voor die schade zijn gedaagden hoofdelijk aansprakelijk. 3.3. Gedaagden hebben in de hoofdzaak nog niet van conclusie van antwoord gediend. in de incidenten 3.4. SK c.s. en DS c.s. vorderen – kort samengevat – in afzonderlijke incidenten dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en tot oproeping in vrijwaring op de voet van artikel 210 Rv van (de rechtsopvolgers van) de overige geadresseerden van het besluit, met veroordeling van Unilever in de proceskosten. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling in de bevoegdheidsincidenten 4.1. Deze zaak betreft een kartelschadevergoedingsactie en heeft een internationaal karakter, nu Unilever is gevestigd in Nederland, Zwitserland en Italië en gedaagden in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Aan de door Unilever tegen gedaagden ingestelde vorderingen ligt (mede) een schending van artikel 101 VWEU ten grondslag. De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), Pb EU 2012, L 351/1 (hierna: Brussel I bis-Vo). Het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) heeft reeds geoordeeld dat civielrechtelijke aansprakelijkheidsvorderingen wegens een inbreuk op de mededingingsregels vallen onder “burgerlijke en handelszaken” in de zin van artikel 1 lid 1 van de Brussel I bis-Vo en dus binnen de materiële werkingssfeer daarvan (HvJ EU 23 oktober 2014, EU:C:2014:2319, flyLAL-Lithuanian Airlines, punt 23-38, HvJ EU 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:635, Tibor-Trans, punt 24). Het geschil valt ook temporeel gezien onder het toepassingsgebied van de Brussel I bis-Vo. De Brussel I bis-Vo is ook formeel van toepassing ten aanzien van DS PLC, omdat die vennootschap ten tijde van het aanhangig maken van dit geschil bij dagvaarding van 11 december 2020, woonplaats had op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk. Hoewel het Verenigd Koninkrijk toen geen lid meer was van de Unie, is de Brussel I bis-Vo wel van toepassing (gebleven) op grond van artikel 67 lid 1 en onder a van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Pb EU, 2020, L 29/7). De internationale bevoegdheid dient derhalve ten aanzien van alle gedaagden te worden vastgesteld aan de hand van de Brussel I bis-Vo. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ moeten de bepalingen van de Brussel I bis-Vo autonoom worden uitgelegd in het licht van de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van die verordening. 4.2. De rechter die onderzoekt of hem rechtsmacht toekomt, moet zich bij dit onderzoek niet beperken tot de stellingen van eiser, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht aan de hand van de Unierechtelijke instrumenten mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende partij gekozen grondslag van haar vordering (HvJ EU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank, punt 58-65; HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, Universal Music/Schilling, punt 42-46; HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, rov. 4.2.3). De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken (HvJ EG 3 juli 1997, ECLI:EU:C:1997:337, Benincasa/Dentalkit, punt 27; HvJ EU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank, punt 61). Indien de verweerder de stellingen van de eiser betwist, hoeft de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid te geven voor bewijslevering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, omdat daarmee op het onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen vooruit zou worden verlopen HvJ EU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa/Barclays Bank, punt 63-64; HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, Universal Music/Schilling, punt 45; de conclusie van A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 3.9). Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een prima facie oordeel. 4.3. Ingevolge de algemene regel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo zijn de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft bevoegd. Dit betekent, in samenhang met artikel 63 Brussel I bis-Vo, dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van SK Europe, SK International en DS Italy (hierna ook de Nederlandse gedaagden), omdat deze vennootschappen in Nederland zijn gevestigd. SK International heeft woonplaats binnen het arrondissement Amsterdam, zodat op grond van artikel 99 Rv deze rechtbank relatief bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen haar. Deze rechtbank acht zich ook relatief bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen SK Europe (gevestigd te Schiphol) en DS Italy (gevestigd te Rijswijk) op grond van artikel 107 Rv. Ingevolge die bepaling is, indien de rechter ten aanzien van een gedaagde relatief bevoegd is, hij ook relatief bevoegd ten aanzien van de andere gedaagden, mits er een dusdanige samenhang is dat om reden van doelmatigheid gezamenlijke behandeling gerechtvaardigd is. Een dergelijke samenhang zal snel worden aangenomen. Slechts indien de vorderingen niets met elkaar te maken hebben, zal aan de voorwaarde niet zijn voldaan. Daarvan is hier geen sprake, nu de vorderingen betrekking hebben op dezelfde kartels. Het betreft hier bovendien niet, zoals wel het geval kan zijn met betrekking tot de buitenlandse gedaagden, een situatie waarin de Nederlandse gedaagden onttrokken worden aan de rechter die rechtsmacht heeft volgens artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo. Uit oogpunt van doelmatigheid zal de rechtbank de zaken betreffende de andere Nederlandse gedaagden (SK Europe en DS Italy) aan zich houden, nu voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen de verschillende Nederlandse gedaagden en de exceptie van relatieve onbevoegdheid niet is opgeworpen. 4.4. Aan artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo kan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ontlenen ten aanzien van de vorderingen jegens de buitenlandse gedaagden. In de Brussel I bis-Vo zijn echter ook bijzondere bevoegdheidsregels opgenomen volgens welke een gedaagde in bepaalde gevallen kan worden opgeroepen voor de gerechten van een andere lidstaat. Deze zijn gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de gedaagde wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was (overweging 16 van de considerans van de Brussel I bis-Vo). 4.5. De bijzondere bevoegdheidsregels die een uitzondering op de algemene regel vormen, moeten als zodanig strikt worden uitgelegd (HvJ EU 27 september 1988, ECLI:EU:C:1988:459, Kalfelis/Schröder). Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (HvJ EU 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595, Freeport/Arnoldsson, punt 35). 4.6. Ingevolge de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo kan een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woont, ook worden opgeroepen, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. 4.7. Unilever stelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo, onder verwijzing naar de Nederlandse gedaagden als ankergedaagden. Zij stelt dat de Nederlandse gedaagden een toerekenbare onrechtmatige daad hebben gepleegd, omdat zij deel uitmaken van dezelfde onderneming als de geadresseerden van het besluit en/of kennis moeten hebben gehad van de gedragingen van hun groepsmaatschappijen, en /of uitvoering hebben gegeven aan die gedragingen. Daarom zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Unilever als gevolg van de kartels heeft geleden. Verder stelt zij dat de Nederlandse gedaagden individueel hebben bijgedragen aan de kartels, zodat zij ook persoonlijk aansprakelijk zijn. Ook zijn gedaagden groepsaansprakelijk, omdat de schade van Unilever een resultaat is van een voortdurende overtreding waaraan zij individueel hebben bijgedragen. Volgens Unilever bestaat de nauwe band tussen de vorderingen op gedaagden eruit dat alle gedaagden hoofdelijk, persoonlijk en groepsaansprakelijk zijn voor haar schade. Daardoor is de feitelijke en juridische grondslag van de vorderingen tegen gedaagden volgens Unilever identiek. Verder stelt Unilever dat ook op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan worden aangenomen, omdat de kartels ook in Nederland zijn uitgevoerd en de effecten van de kartels in Nederland zijn gevoeld. Gedaagden bestrijden deze stellingen. Wie is ankergedaagde? 4.8. Uitgangspunt voor bevoegdheid op grond van de bijzondere bevoegdheidsgrond van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo is dat het moet gaan om de bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van één van de gedaagden. Nu van de Nederlandse gedaagden alleen SK International in het arrondissement Amsterdam is gevestigd, kan, anders dan Unilever betoogt, alleen SK International als ankergedaagde worden aangemerkt. Daarom zal de rechtbank hierna beoordelen of een nauwe band bestaat tussen de vorderingen op SK International en op de buitenlandse gedaagden. Voldoende nauwe band tussen de vorderingen en gevaar voor onverenigbare beslissingen? 4.9. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat het aan de nationale rechter is om, rekening houdend met alle noodzakelijke elementen van het dossier, te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zij (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat). Het gevaar op onverenigbare beslissingen moet worden begrepen als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Daarbij kan van belang zijn of de gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen zal de rechter in zijn beschouwing moeten betrekken, waarbij geldt dat niet is vereist dat de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Overeenstemming van de rechtsgrondslag vormt echter wel een relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Verder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (HvJ EU 13 juli 2006, ECLI:EU:C:458, Roche/Primus, punt 26; HvJ EU 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595, Freeport/Arnoldsson, punt 40; HvJ EU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798, Painer/Standard Verlags, punt 79; HvJ EU 12 juli 2012, ECLI:EU:C:2012:445, Solvay/Honeywell, punt 24). 4.10. Wanneer tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben staat dat op zichzelf niet aan toepassing aan artikel 8 Brussel I bis-Vo in de weg, mits voor de gedaagden voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats had (HvJ EU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798, Painer/Standard Verlags, punt 80-84; HvJ EU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335, CDC/Akzo c.s., punt 23). 4.11. Toepassing van het hiervoor weergegeven toetsingskader leidt tot het volgende. 4.12. Unilever stelt samengevat dat gedaagden civielrechtelijk aansprakelijk zijn op grond van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.