vonnis RECHTBANK AMSTERDAM afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/670622 / HA ZA 19-868 Vonnis van 22 september 2021 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat eerst mr. H.M. Fritschy, thans mr. P.R. Hendriks te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 2] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2] , gedaagden, advocaat mr. B. Coskun te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 3 februari 2021 (hierna: het tussenvonnis); de akte beantwoording nadere vragen, met producties, van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ; de antwoordakte, met een productie, van [eiseres] ; de rolbeslissing van 14 april 2021, waarbij een door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingediende akte niet is toegestaan; de reactie op productie 18, van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ; de brief van 2 september 2021 van de griffier; de e-mailberichten van 10 september 2021 en 13 september 2021 van mr. Hendriks. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Bij het tussenvonnis is partijen bevolen zich bij akte nader uit te laten over de in dat vonnis genoemde kwesties. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben vervolgens een akte genomen, [eiseres] heeft een antwoordakte genomen, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben nog gereageerd op de door [eiseres] bij de antwoordakte in het geding gebrachte productie. 2.2. In de brief van 2 september 2021 van de griffier is partijen gevraagd of zij naar aanleiding van de in die brief aangekondigde rechterswissel een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk vinden. [eiseres] heeft vervolgens laten weten dat een nadere mondelinge behandeling wat haar betreft achterwege kan blijven. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet tijdig gereageerd. 2.3. Ter zitting van 1 mei 2019 van de kantonrechter van deze rechtbank is tussen [eiseres] en haar toenmalige werkgeefster Spaceward een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. De vaststellingsovereenkomst is namens Spaceward ondertekend door [gedaagde 1] . Spaceward is haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst jegens [eiseres] niet nagekomen. 2.4. De door [eiseres] gebezigde grondslagen van haar vorderingen sluiten elkaar in zekere zin uit. De eerste grondslag gaat ervan uit dat Spaceward geen verhaal biedt, de tweede grondslag gaat uit van het tegenovergestelde. Dat laatste geldt ook voor de grondslag selectieve betaling. Mede daarom moeten de door [eiseres] gebezigde grondslagen afzonderlijk worden behandeld. 2.5. Met betrekking tot de eerste grondslag wordt vooropgesteld dat de vaststellingsovereenkomst geen voorbehouden of voorwaarden bevat. Gesteld noch gebleken is dat ter zitting van de kantonrechter wel van voorbehouden en/of voorwaarden sprake is geweest. [eiseres] kon en mocht er daarom van uitgaan dat zij conform de vaststellingsovereenkomst door Spaceward zou worden betaald. 2.6. De enkele omstandigheid dat Spaceward vervolgens niet heeft betaald, leidt niet tot bestuurdersaansprakelijkheid. Daarvoor is – in het kader van de eerste door [eiseres] gebezigde grondslag – nodig dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij het namens Spaceward aangaan van de vaststellingsovereenkomst wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat Spaceward niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. 2.7. [gedaagde 2] valt in dit verband af. Niet, althans niet voldoende, gesteld of gebleken is dat ook hij de vaststellingsovereenkomst namens Spaceward is aangegaan. De door [eiseres] (overigens slechts aarzelend) gestelde (maar door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwiste) omstandigheid dat [gedaagde 1] ter zitting van 1 mei 2019 met [gedaagde 2] heeft gebeld over de voorwaarden van de vaststellingsovereenkomst kan in dit verband, indien al juist, niet als voldoende worden aangemerkt. De vaststellingsovereenkomst noemt [gedaagde 2] niet. Gesteld noch gebleken is dat hij ter zitting van de kantonrechter wel is genoemd, al helemaal niet in de hem door [eiseres] toegedichte rol. 2.8. Met betrekking tot [gedaagde 1] spitst het geschil zich – nogmaals: in het kader van de eerste door [eiseres] gebezigde grondslag – toe op de vraag of hij bij het namens Spaceward aangaan van de vaststellingsovereenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Spaceward niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. [eiseres] beantwoordt deze vraag bevestigend, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beantwoorden deze vraag ontkennend. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust de bewijslast op [eiseres] . Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit echter een andere verdeling van de bewijslast voort, te weten dat op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de bewijslast rust van hun stelling dat [gedaagde 1] bij het namens Spaceward aangaan van de vaststellingsovereenkomst niet wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Spaceward niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Hiertoe wordt het volgende overwogen. a. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen dat Spaceward op 1 mei 2019 zelf niet beschikte over de voor de nakoming van de vaststellingsovereenkomst benodigde financiële middelen (en ook niet op eigen kracht alsnog daarover zou gaan beschikken). b. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op afspraken van Spaceward met [naam] . Zij verwijzen in dit verband naar het in het tussenvonnis, onder 2.7, aangehaalde addendum. Dat enkele stuk rechtvaardigt echter niet het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde vertrouwen van [gedaagde 1] in betaling, althans financiering, van het met [eiseres] overeengekomene door [naam] . Allereerst is dat stuk bijna een jaar ouder dan de vaststellingsovereenkomst. Voorts blijkt uit de tekst van het addendum dat het uitsluitend de transitievergoeding betreft; uit artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de vaststellingsovereenkomst meer dan de transitievergoeding betreft. Tot slot betreft het addendum maximaal EUR 61.013,00; alleen al de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen “vergoeding” (exclusief loon, vakantiegeld, dertiende maand en kosten rechtsbijstand) bedraagt ruim EUR 30.000,00 meer. c. Het addendum verwijst naar artikel 18 van een overeenkomst. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben die overeenkomst tot dusverre niet in het geding gebracht. d. Het addendum veronderstelt een overgang van onderneming van Spaceward naar Mulberry, met gevolgen voor de rechtspositie van [eiseres] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] laten zich over de volgens hen plaatsgevonden hebbende overgang slechts in algemene bewoordingen uit; nadere toelichting en onderbouwing ontbreken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] leggen voorts niet uit hoe bij de – volgens hen – louter formele werkgever Spaceward sprake kan zijn geweest van overgang van onderneming. e. Op 1 mei 2019 had Spaceward al twee maanden geen loon meer aan [eiseres] betaald (hetgeen in de visie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op het conto van [naam] komt). f. De enkele omstandigheid dat [naam] eind augustus 2018 positief heeft gereageerd op een verzoek van [gedaagde 2] om overboeking van het salaris van [eiseres] van, naar de rechtbank begrijpt, die maand (zie het tussenvonnis, onder 2.9 en 2.10) doet aan het voorgaande niet af. g. [eiseres] is geen partij bij de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.