RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht – team kanton zaaknummer: 9316879 EA VERZ 21-441 beschikking van: 28 oktober 2021 Beschikking van de kantonrechter I n z a k e [verzoekster] wonende te [woonplaats] verzoekster nader te noemen: [verzoekster] gemachtigde: mr. C. H. van de Wiel t e g e n de besloten vennootschap GVB Exploitatie B.V. gevestigd te Amsterdam verweerster nader te noemen: GVB gemachtigde: mr. D. van Dam VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 29 juni 2021 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ex artikel 7:681 BW met producties ingediend, dat strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht en betaling van een billijke vergoeding, met diverse nevenverzoeken. GVB heeft op 26 augustus 2021 een verweerschrift met producties ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen per nog nadere stukken ingediend. Het verzoek is mondeling behandeld op 7 oktober 2021. [verzoekster] is verschenen met belang-stellenden, en met haar gemachtigde. Namens GVB zijn verschenen [naam 1] (teammanager OV-Zorg, hierna [naam 1]) en [naam 2] (HR businesspartner), eveneens bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. [verzoekster], geboren op [geboortedatum], is per 1 maart 2018 bij GVB in dienst getreden in de publieksfunctie Handhaver WP. Het betrof een contract voor onbepaalde tijd, met een bruto maandsalaris van € 2.533,22, exclusief vakantietoeslag. 1.2. Op 19 maart 2021 heeft [verzoekster] op een baby van een kennis gepast. Deze baby werd aan de deur gebracht en gehaald door de (moeder
- of)oma van de baby. 1.3. Op 24 maart 2021 heeft [verzoekster] contact opgenomen met [naam 1], haar leidinggevende bij GVB, en deze meegedeeld dat zij had vernomen dat de oma van de baby positief was getest op het Covid-19 virus. [naam 1] heeft [verzoekster] daarop geadviseerd om niet te komen werken en contact op te nemen met de GGD om zich te laten adviseren wat zij moest doen. 1.4. In de loop van de middag van 24 maart 2021 heeft [verzoekster] [naam 1] telefonisch laten weten dat zij diezelfde dag nog een PCR-test kon laten afnemen. [verzoekster] heeft hiervoor twee dagen calamiteitenverlof gekregen, namelijk op 24 en 25 maart 2021. 1.5. Op 25 maart 2021 heeft [verzoekster] in een Whatsapp-bericht aan haar leiding-gevende bericht dat de PCR-test negatief was: “Ik heb goed nieuws!!! smiley negatief!” en “Jaaaa!! Dit is een pak van m’n hart” gevolgd door de icoontjes smiley en dankbaarheid. 1.6. Op 26 maart 2021 was [verzoekster] roostervrij. Op 27 en 28 maart 2021 heeft zij weer gewerkt. 1.7. In de late avond van 28 maart 2021 heeft [verzoekster] Covid-19 gerelateerde klachten gekregen. Op 29 maart 2021 is [verzoekster] positief getest. Haar collega’s moesten daarop in quarantaine en ééns collega is ernstig ziek geworden. 1.8. [verzoekster] is daarna in verband met ziekte en quarantaine afwezig geweest tot 28 april 2021. Op 29 april 2021 is [verzoekster] weer op het werk verschenen en heeft toen [naam 1] verteld dat zij op 24 maart 2021 niet met de GGD heeft gebeld, geen afspraak had gemaakt voor een PCR-test en op 24 of 25 maart 2021 ook geen PCR-test heeft ondergaan. [verzoekster] is daarop onmiddellijk naar huis gestuurd. Bij brief van dezelfde dag heeft GVB heeft [verzoekster] per brief laten weten dat zij was geschorst. 1.9. Op 30 april 2021 heeft een toelichtend gesprek plaatsgevonden tussen GVB en [verzoekster]. Op de vraag waarom zij ten onrechte had gezegd dat zij (negatief) getest was op 24 maart 2021, heeft [verzoekster] onder meer gezegd dat het stom van haar was en dat ze er niet bij was. 1.10. Later die dag heeft GVB [verzoekster] telefonisch op staande voet ontslagen. Het ontslag op staande voet is bij brief van 30 april 2021 schriftelijk door GVB bevestigd. In deze brief staat onder meer: “U wordt in grote mate verweten dat u niet de waarheid heeft verteld door te zeggen dat u zich heeft laten testen maar dit niet heeft gedaan en toch te komen werken. Dit terwijl u in aanraking bent geweest met door Corona besmette mensen en uw leidinggevende er vanuit ging dat u zich heeft laten testen en ook negatief getest was. U heeft daarmee willens en wetens de gezondheid van collega’s en reizigers in gevaar gebracht en u heeft hiervoor geen enkele rechtvaardigende verklaring. GVB tilt hier zwaar aan. U zult begrijpen dat ‘het er niet bij zijn met uw hoofd’ en verder geen plausibele reden anders dan dat u beseft dat het dom is geweest, geen rechtvaardiging is. Het getuigt ook van weinig zelfreflectie en spijt. Het wordt u ook verweten dat u bewust gebruik heeft gemaakt van calamiteitenverlof terwijl u daar geen recht op had. Uw gedrag heeft er toe geleid dat het vertrouwen tussen werkgever en medewerker dat noodzakelijk is in een arbeidsrelatie, aan de zijde van GVB is verdwenen. Redelijkerwijze kan niet van GVB gevergd worden de arbeidsovereenkomst met u nog langer te laten voortduren. Bij dit besluit heeft GVB uw persoonlijke omstandigheden, waaronder uw leeftijd, en de lengte van uw dienstverband, meegewogen.” 1.11. GVB heeft het dienstverband per 1 mei 2021 afgerekend. [verzoekster] heeft bij brief (van haar gemachtigde) van 8 mei 2021 verzocht het ontslag op staande voet in te trekken en een andere passende maatregel te nemen. Bij brief van 2 juni 2021 heeft GVB de gemachtigde van [verzoekster] bericht dat zij het heroverwegings-verzoek van [verzoekster] had voorgelegd aan de adviescommissie. Deze was met GVB van mening was dat door te liegen over de PCR-test [verzoekster] het vertrouwen van GVB heeft beschaamd en dat er geen aanleiding was het ontslag op staande voet in te trekken. GVB heeft dit advies overgenomen en het ontslag in stand gelaten. Verzoek 2. [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om: I. voor recht te verklaren dat het door GVB gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven; II. GVB te veroordelen tot betaling van:
- a)een billijke vergoeding ad € 50.000,00;
- b)een transitievergoeding ad € 2.811,87;
- c)een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ad € 2.533,22;
- d)een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten ad € 1.328,45, excl. btw;
- e)de wettelijke rente over de onder II
- a)t/m II
- d)genoemde bedragen. III. GVB te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen. 3. [verzoekster] legt - samengevat - aan haar verzoek ten grondslag dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden, omdat
- i)het niet onverwijld is gegeven en/of aan [verzoekster] is meegedeeld,
- ii)het een dringende reden ontbeert, en/of iii) er door GVB niet een juiste belangenafweging is gemaakt. 4. [verzoekster] erkent te hebben gelogen over het afnemen van de PCR-test, maar niet is gebleken dat zij Covid-positief was toen zij aan het werk is gegaan, dat zij voorschriften van het RIVM in de wind heeft geslagen of anderszins collega’s of reizigers in gevaar heeft gebracht. Niet is gebleken dat de (latere) Covid-besmetting het gevolg is geweest van het passen op de baby. Zij heeft niemand in gevaar gebracht. Het ontslag op staande voet is daarom een te zware maatregel, mede gelet op haar persoonlijke omstandigheden. Zij wijst erop dat zij tot dit incident altijd goed heeft gefunctioneerd en voor haar levensonderhoud afhankelijk van het inkomen dat zij bij GVB verdient. [verzoekster] stelt dat zij geen zonder diploma’s of opleidingen geen rooskleurig perspectief heeft op de arbeidsmarkt. Behalve dat het ontslag op staande voet een te zware maatregel is, is het ontslag ook niet onverwijld gegeven, aldus [verzoekster]. Verweer 5. GVB verweert zich tegen het verzoek. Zij voert – samengevat - aan dat [verzoekster] niet de waarheid heeft verteld over de gebeurtenissen rond het afnemen van een PCR-test, zonder dat zij daar een goede reden voor kon geven. [verzoekster] heeft volgens GVB willens en wetens de veiligheid van collega’s en reizigers in gevaar gebracht door ongetest op 27 maart 2021 te komen werken. Tot slot verwijt GVB [verzoekster] ook dat zij bewust gebruik heeft gemaakt van calamiteitenverlof, terwijl zij daar geen recht op had. Het ontslag op staande voet is daarom terecht gegeven, zo stelt GVB. Bovendien is het ontslag ook onverwijld gegeven. GVB verwijst in dit kader naar de cao die voorschrijft dat aan [verzoekster] een gesprek moest worden aangeboden. Daarnaast moest de directie nog met het ontslag instemmen. Eerder ontslag was daardoor niet mogelijk. 6. Nu het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, moeten de verzoeken van [verzoekster] volgens GVB worden afgewezen. 7. Tot slot voert GVB aan dat, voor het geval dat het ontslag op staande voet toch geen stand houdt, de door [verzoekster] verzochte vergoedingen te hoog zijn. Beoordeling 8. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of het ontslag op staande voet door GVB rechtsgeldig is gegeven. Is dat niet het geval, dan komt aan de orde of GVB moet worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Onverwijldheid 9. GVB is op 29 april 2021 op de hoogte geraakt van de gebeurtenissen die aanleiding zijn geweest voor het ontslag op staande voet. [verzoekster] is meteen naar huis gestuurd en dezelfde dag geschorst. De dag erna heeft GVB een gesprek met [verzoekster] gevoerd, intern beraad gehad en is het ontslag voor toestemming aan de directie voorgelegd. GVB heeft [verzoekster] op 30 april 2021, één dag nadat GVB voor het eerst bekend was met haar gedrag en na een toelichtend gesprek met [verzoekster] en intern overleg, ontslagen. Het ontslag is daarmee voldoende voortvarend en onverwijld gegeven. Dringende reden 10. GVB heeft aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoekster] heeft gelogen, dat zij ten onrechte calamiteitenverlof heeft genoten en dat zij collega’s en reizigers door haar gedrag in gevaar heeft gebracht. 11. Vast staat, zoals ook door [verzoekster] is erkend, dat zij op 24 en 25 maart 2021 tegen haar leidinggevende niet de waarheid heeft gesproken over de contacten met de GGD, het ondergaan van de PCR-test en de uitslag daarvan. Als gevolg daarvan heeft [verzoekster] ten onrechte twee dagen (betaald) calamiteiten verlof genoten. Dat [verzoekster] op dat moment feitelijk niet leed aan Covid-19 maakt dit niet anders. GVB hoeft als werkgever niet te accepteren dat een medewerker liegt over contacten en bezoeken aan de GGD en ten onrechte calamiteitenverlof geniet. Dit klemt temeer nu GVB zeker bij medewerkers met een publieksfunctie, met contacten met collega’s en reizigers, juist tijdens een besmettelijke pandemie gedwongen is om af te gaan op mededelingen van haar medewerkers over hun gezondheidstoestand en er daarom eens te meer er op moet kunnen vertrouwen dat daarover geen onwaarheden worden verteld. 12. Dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoekster] op 19 maart 2021 in zodanig nauw contact is geweest met personen die met Covid-19 waren besmet, dat zij reizigers en/of collega’s daadwerkelijk zijn besmet en er dus niet vanuit kan worden gegaan dat [verzoekster] anderen door haar leugens in gevaar heeft gebracht, maakt niet dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Het deel van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden dat is komen vast te staan, is voldoende om het ontslag op staande voet te dragen. Ook [verzoekster] had dat kunnen en moeten begrijpen. 12. Het beroep van [verzoekster] op haar persoonlijke omstandigheden brengt in voormeld oordeel geen verandering. Dat geldt ook voor het gegeven dat [verzoekster] zelf – in een later stadium - heeft opgebiecht dat zij had gelogen. 12. Uit het voorgaande volgt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding worden afgewezen. Evenals het verzoek om toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. 12. Tot slot wordt geoordeeld dat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] en dus is er geen transitievergoeding verschuldigd. 12. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden belast met de proceskosten. BESLISSING De kantonrechter: wijst de verzoeken van [verzoekster] of; veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van GVB tot op heden worden begroot op € 498,00 voor het salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw; veroordeelt [verzoekster] in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van de beschikking, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan deze beschikking heeft voldaan en betekening van de beschikking pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter