← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:8386

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13-846013-18 (promis) Datum uitspraak: 6 december 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, wonende op het adres [adres 1] 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 21 en 28 september 2021 en 7 en 11 oktober 2011 en 6 december (uitspraak). Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. L. van Haeringen en mr. R.S. Mackor (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.J.J.E. Stassen naar voren hebben gebracht. 2Inleiding 2.

  1. Achtergrond van het onderzoek Het familiebedrijf [naam bedrijf BV 1] (hierna: [naam bedrijf BV 1] ) is gestart als zeevisgroothandel. Thans houdt [naam bedrijf BV 1] zich ook bezig met de verwerking van visresten en de productie van groen gas. Hiervoor heeft [naam bedrijf BV 1] op haar terrein een industriële vergister voor de vergisting van dierlijke bijproducten. Dit zijn onder meer dode dieren, delen van dieren of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn. [naam bedrijf BV 1] heeft een vergunning voor het vergisten van visafval en overige organische materialen ten behoeve van de productie van groen gas (onderzoeksdossier bijl. 98C, map 16, pag. 7401 e.v.). Het restproduct van deze vergisting is digestaat. Afzet digestaat in de Nederlandse landbouw Op 30 januari 2015 kreeg het Team Milieu van de politie een melding binnen van Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA-melding). Hierin stond het volgende vermeld: “ [naam bedrijf BV 1] uit [plaats] heeft een industriële vergister die digestaat aflevert in mestkelders van veehouders. De vergister van [naam bedrijf BV 1] draait op visafval en ander organisch afval, waarbij ook schadelijke stoffen worden verwerkt. Bekend is dat o.a. bij [naam bedrijf] in Zeewolde aan de [adres 2] in de avonduren en ’s nachts digestaat wordt geleverd in het bassin. Boeren krijgen geld toe, 25 euro per ton. Soms gaat het om tientallen tonnen. Dit alles gaat ook zonder formulieren die officieel ingevuld moeten worden. Ook het geld krijgt de boer zwart, wat weer niet aan de belasting wordt opgegeven. Via de officiële weg zou afvoer van digestaat naar een verbrandingsbedrijf het dubbele kosten.” Naar aanleiding van deze MMA-melding is het opsporingsonderzoek ‘03Canard’ gestart, waarin onderzoek werd gedaan naar de vraag of digestaat als meststof kon worden aangewend en of het digestaat bij veehouders is afgeleverd. Digestaat van de biovergister van [naam bedrijf BV 1] Uit informatie van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit bleek dat in de vergistingsinstallatie geen gebruik werd gemaakt van dierlijke meststoffen. Voor het transport van dierlijke mest dient namelijk een vervoersbewijs dierlijke meststoffen (hierna: VDM) te worden opgemaakt. Voor de periode van 1 januari 2013 tot 27 maart 2015 zijn geen VDM’s geregistreerd op naam van [naam bedrijf BV 1] . Dit betekent dat in die periode geen dierlijke mest is aan- of afgevoerd, verhandeld of vervoerd. De input van de van de vergister bestaat uit dierlijke bijproducten van categorieën 2 en
  2. Export digestaat naar Duitsland Tijdens het onderzoek kwamen drie Nederlandse landbouwbedrijven in beeld waar het digestaat mogelijk als meststof was aangewend. Tevens werd bekend dat het digestaat van [naam bedrijf BV 1] werd geëxporteerd naar Duitsland, waarbij de verdenking rees dat er in strijd met diverse (Duitse en Nederlandse) wetgeving werd gehandeld. Het digestaat werd rechtstreeks naar Duitsland geëxporteerd als meststof. Volgens de handelsdocumenten was de geadresseerde in die gevallen het bedrijf [naam bedrijf GmbH] (hierna: [naam bedrijf GmbH] ). In werkelijkheid werd het digestaat bij Duitse agrariërs gelost. Het vervoer werd verzorgd door [naam bedrijf BV 2] (hierna: [naam bedrijf BV 2] ). Het digestaat werd ook indirect naar Duitsland vervoerd. Op papier leek het alsof het digestaat naar [naam bedrijf GmbH] in Duitsland ging, maar in werkelijkheid werd het ongeregistreerd opgeslagen in mestopslagen in Posterholt of in Reuver in Nederland. Deze mestopslagen waren van Nederlandse mesthandelaren, te weten (wisselend per locatie en jaar) [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] (hierna: [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] ) en/of diens opvolger [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] (hierna: [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] ) en [naam transportbedrijf BV] (hierna: [naam transportbedrijf BV] ), welke laatste de mestopslagen weer doorverhuurde aan [naam bedrijf GmbH] . Verdachte is middels [naam beheer BV] en [naam Holding BV] , mede-aandeelhouder en bestuurder van [naam transportbedrijf BV] en is tevens directeur/bestuurder van [naam bedrijf GmbH] . Ook het vervoer naar de mestopslagen in Reuver en Posterholt werd uitgevoerd door [naam bedrijf BV 2] . De verdenking rees dat het digestaat in deze mestopslagen werd ‘omgekat’ tot dierlijke meststof, waarna het als zodanig werd geëxporteerd naar Duitsland. De mesthandelaren zouden hiermee ‘fosfaatruimte’ hebben gecreëerd in hun mestboekhouding. De verdenking was dat er in verband met deze indirecte export valselijk VDM’s waren opgemaakt, dat de Meststoffenwet was overtreden en dat er bij zowel de directe als de indirecte export sprake was van een crimineel samenwerkingsverband tussen de betrokken bedrijven en/of de natuurlijke personen. 2.
  3. Leeswijzer De rechtbank bespreekt hierna de volgende onderwerpen met verwijzing naar de betreffende paragraaf:
  4. Beschuldiging (tenlastelegging)
  5. Geldigheid van de dagvaarding, partiële nietigheid feit 3
  6. Waardering van het bewijs
  7. Bewezenverklaring
  8. Strafbaarheid van de feiten
  9. Strafbaarheid van verdachte
  10. Motivering van de straffen
  11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  12. Beslissing Bijlage 1 Tenlastelegging Bijlage 2 Bewijsmiddelen 3Beschuldiging (tenlastelegging) Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
  13. feitelijk leiding geven aan) medeplegen van het opzettelijk niet kunnen verantwoorden dat op het eigen bedrijf geproduceerde en/of aangevoerde dierlijke meststoffen werden afgevoerd;
  14. ( feitelijk leiding geven aan) medeplegen van het als meststof verhandelen van digestaat, althans een product dat bestemd was om als meststof te worden gebruikt, terwijl dat niet voldeed aan de gestelde eisen van meststoffen, door het voorhanden of in voorraad te hebben, dan wel het af te leveren van deze meststoffen;
  15. ( feitelijk leiding geven aan) medeplegen van opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste handelsdocumenten, facturen en VDM’s door deze aanwezig te hebben bij transporten of voorhanden te hebben;
  16. deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven met betrekking tot de illegale handelingen met het digestaat. De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 4Geldigheid van de dagvaarding, partiële nietigheid feit 3 Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding van het onder 3 tenlastegelegde “opzettelijk gebruik maken van een grote hoeveelheid valse of vervalste documenten” overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende. Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering dient de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. De tenlastelegging strekt er daarbij toe voor de procesdeelnemers de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Onder feit 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte samen met anderen gebruik heeft gemaakt van een grote hoeveelheid valse of vervalste documenten. Kennelijk heeft de officier van justitie beoogd om naast de expliciet vermelde documenten nog een groot aantal documenten ten laste te leggen door in de tekst van de tenlastelegging de woorden “waaronder een grote hoeveelheid” en “waaronder” op te nemen. Hierbij is niet door middel van een (specifieke) vermelding van bijvoorbeeld bijlage- of paginanummers aangeduid, welke documenten nog meer onder het tenlastegelegde moeten worden begrepen en waarover derhalve een oordeel van de rechtbank wordt gevraagd. Bezien in de context van het (forse) dossier was een nadere verduidelijking wel nodig geweest. Nu die concretisering ontbreekt, is de dagvaarding op dit punt niet duidelijk genoeg. Daarom wordt de tenlastelegging van feit 3 (primair en subsidiair) nietig verklaard voor wat betreft de onderdelen “een grote hoeveelheid” en “waaronder”. 5Waardering van het bewijs 5.
  17. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken van deelneming aan een criminele organisatie (feit 4). Hoewel dat beeld aanvankelijk wel degelijk was ontstaan bij de officier van justitie, is uiteindelijk niet gebleken dat er een organisatie bestond met als gemeenschappelijk oogmerk het omkatten van digestaat naar dierlijke mest. Om die reden ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de feiten 1, 2 en
  18. 5.
  19. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit. In de hierna volgende overwegingen van de rechtbank worden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging nader uitgewerkt en meegenomen. 5.
  20. Vrijspraak niet kunnen verantwoorden van afvoer van aangevoerde dierlijke meststoffen (feit 1) 5.3.
  21. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat artikel 14 van de Meststoffenwet (hierna: MSW) is overtreden. [naam transportbedrijf BV] heeft in de tenlastegelegde periode digestaat van [naam bedrijf BV 1] ongeregistreerd laten aanvoeren naar de mestopslagen in Posterholt en Reuver, wat later geregistreerd als dierlijke mest is afgevoerd. In de mestopslagen heeft hij ook een stroom dierlijke meststoffen (afkomstig uit de co-vergister) van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] en diens feitelijke opvolger aangevoerd, maar de afvoer van de hoeveelheid dierlijke mest kan niet worden verantwoord met de aanvoer van de mest van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] . Er staat geen instroom “echte” dierlijke mest tegenover de met VDM’s afgevoerde hoeveelheid dierlijke mest, wat een overtreding van de MSW oplevert. Verdachte kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende van deze gedragingen. 5.3.
  22. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat [naam transportbedrijf BV] slechts het vervoer tussen [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] en de opslagen heeft gedaan. De opslagen stonden in de tenlastegelegde periode op naam van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] of [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] . Alleen in 2015 en 2016 stond de opslag in Reuver op naam van [naam transportbedrijf BV] . Daarom kan [naam transportbedrijf BV] niet gezien worden als normadressaat van artikel 14 MSW, met uitzondering van 2015 en
  23. Vervolgens heeft de verdediging betoogd dat [naam transportbedrijf BV] heeft voldaan aan zijn verantwoordingsplicht, nu verdachte heeft aangetoond dat alles is afgevoerd met zowel VDM’s als met handelsdocumenten, waarbij – in ieder geval getalsmatig – onderscheid is gemaakt tussen het vergistingsresidu van [naam bedrijf BV 1] en het digestaat van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] . Er zijn niet méér meststoffen afgevoerd dan zijn aangevoerd. Verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken. 5.3.
  24. Oordeel van de rechtbank Artikel 14 eerst lid MSW houdt in dat degene die dierlijke meststoffen produceert of verhandelt steeds kan verantwoorden dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd. De verdediging heeft primair betoogd dat [naam transportbedrijf BV] geen normadressaat is en daarmee geen verantwoordingsplicht heeft. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende. Verdachte is via [naam beheer BV] en [naam Holding BV] middellijk bestuurder van [naam transportbedrijf BV] . De activiteiten van [naam transportbedrijf BV] bestaan uit: groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen; goederenvervoer over de weg; transportbedrijf alsmede handel in, verwerking van en opslag van bemestingsproducten. Omdat [naam transportbedrijf BV] onder meer handelt in bemestingsproducten moet zij worden aangemerkt als “degene die dierlijke meststoffen verhandelt”, zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 MSW. Reeds om die reden is verdachte normadressaat van artikel 14 MSW. Artikel 14 van de MSW vereist – kort gezegd – dat afvoer van dierlijke mest kan worden verantwoord. Het gaat daarbij om het voeren van een fosfaatboekhouding. Deze bepaling ziet niet op het digestaat afkomstig van [naam bedrijf BV 1] , want daarin zitten geen dierlijke meststoffen. Het verwijt dat verdachte hier wordt gemaakt kan dus enkel zien op producten die geheel of ten dele bestaan uit dierlijke mest, afkomstig van [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] / [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] (of een ander, maar daarvan is niet gebleken), die bij [naam transportbedrijf BV] op het bedrijf zouden zijn aangevoerd. Ten aanzien van de medeverdachten [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] , [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] en Knoops heeft de rechtbank ten aanzien van dit feit – samengevat – geoordeeld dat het dossier onvoldoende gegevens bevat om vast te stellen wat daar aan dierlijke meststoffen is aangevoerd. Daardoor, zo oordeelde de rechtbank, kon niet worden vastgesteld of de afvoer van de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen, niet steeds in de boekhouding van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] kon worden verantwoord. Los van de vraag of gezegd kan worden dat dierlijke meststoffen op het bedrijf van verdachte zijn aangevoerd, staat vast dat verdachte hetgeen door [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] is aangevoerd heeft afgevoerd. Aangezien de rechtbank in de zaken tegen de medeverdachten [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] en [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] heeft geoordeeld dat er onvoldoende zicht is op hetgeen is aangevoerd, geldt datzelfde ten aanzien van de op het bedrijf van [naam transportbedrijf BV] aangevoerde producten van [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] of [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] . Er is aldus onvoldoende informatie beschikbaar in het dossier om vast te stellen dat [naam transportbedrijf BV] niet kon verantwoorden dat aangevoerde dierlijke mest werd afgevoerd. Daarom zal [naam transportbedrijf BV] van dit feit worden vrijgesproken. Omdat niet bewezen kan worden dat [naam transportbedrijf BV] het ten laste gelegde heeft begaan, kan geen sprake zijn van feitelijk leiding geven door verdachte. Verdachte wordt van het feitelijk leiding geven van artikel 14 MSW vrijgesproken. 5.
  25. Vrijspraak van deelneming aan een criminele organisatie (feit 4) De verdediging heeft, evenals de officier van justitie, vrijspraak van dit feit bepleit. Zij voert hiertoe kort gezegd aan dat het dossier geen bewijs bevat van deelneming aan een criminele organisatie van de zijde van verdachte. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van deelname aan een criminele organisatie. Volgens artikel 32 van de Verordening dierlijke bijproducten mag digestaat zoals hier aan de orde onder voorwaarden als organische meststof worden uitgevoerd. Lidstaten mogen hier onder voorwaarden beperkingen aan stellen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld of en zo ja, welke beperkingen Duitsland heeft gesteld ten aanzien van organische meststoffen, in het bijzonder het digestaat dat [naam bedrijf BV 1] exporteerde. Objectieve gegevens daartoe ontbreken. Het is reeds daarom niet duidelijk of het digestaat wel of niet naar Duitsland mocht worden geëxporteerd. Deze onduidelijkheid kan in het kader van dit strafproces niet ten nadele van verdachte komen. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om daar nader onderzoek naar te doen. Ten aanzien van de indirecte transporten is gebleken dat verdachte en de aan hem gelieerde bedrijven [naam transportbedrijf BV] en [naam bedrijf GmbH] het digestaat lieten aanvoeren naar de mestzakken van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] , [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] en [naam transportbedrijf BV] en dat het van daaruit als dierlijke mest werd afgevoerd naar Duitsland. Uit de administratie van [naam bedrijf BV 1] blijkt dat het bij dit bedrijf bekend was dat het digestaat regelmatig tussentijds in Posterholt en Reuver werd opgeslagen. Voor [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] en/of [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] geldt dat zij de afvoer van het eigen digestaat/de eigen mest hadden uitbesteed aan [naam transportbedrijf BV] . Van een samenvoeging met het digestaat van [naam bedrijf BV 1] in de mestzakken in Posterholt en Reuver was bij hen niets bekend, althans, daarvan is niet gebleken. [naam bedrijf BV 2] heeft het digestaat van [naam bedrijf BV 1] naar Posterholt en Reuver vervoerd in opdracht van [naam bedrijf GmbH] en/of [naam transportbedrijf BV] . Er kan niet worden vastgesteld dat [naam bedrijf BV 1] , [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] , [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] , [naam bedrijf BV 2] of hun leidinggevenden [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] wisten dat deze opslag plaatsvond met het oog op omkatting en/of van een daaropvolgende illegale afzet van het digestaat in Duitsland. Van afspraken tussen [naam transportbedrijf BV] , verdachte en/of de medeverdachten hierover is niet gebleken. Het bestaan van een crimineel samenwerkingsverband tussen verdachte en de medeverdachten is daarom niet komen vast te staan. 5.
  26. Verhandelen digestaat en kennelijke bestemming digestaat als meststof (feit 2) 5.5.
  27. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verwijt [naam transportbedrijf BV] dat hij digestaat afkomstig van [naam bedrijf BV 1] , althans een product dat blijkens zijn aanduiding of anderszins kennelijk bestemd was om als meststof te worden gebruikt, heeft verhandeld als meststof, terwijl het niet voldeed aan de eisen van de Meststoffenwet. Dit verhandelen betrof het voorhanden en in voorraad hebben van het digestaat in de mestopslagen Posterholt en Reuver. Verdachte zou hieraan feitelijk leiding hebben gegeven. 5.5.
  28. Standpunt van de verdediging Het vergistingsresidu van [naam bedrijf BV 1] valt niet onder de Meststoffenwet De verdediging heeft betoogd dat het gistingsresidu van de vergister van [naam bedrijf BV 1] geen digestaat is, omdat het niet voldoet aan de definities die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) hanteert. Volgens het RVO is digestaat ‘een product dat overblijft nadat u dierlijke mest of plantaardige reststoffen heeft vergist’. In bepaalde gevallen mag dìt digestaat worden gebruikt als dierlijke mest of overige organische mest. Volgens RVO bestaan er twee soorten digestaat, te weten: co-vergiste mest met ten minste 50% dierlijke mest en digestaat van plantaardige oorsprong. De verdediging komt na beschrijving van de definities van ‘dierlijke meststoffen’ en ‘meststoffen’ uit de Meststoffenwet (hierna: MSW) en de definitie van ‘overige organische meststoffen’ uit het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: UBM) tot de conclusie dat het gistingsproduct van [naam bedrijf BV 1] geen co-vergistingsproduct is, omdat er geen dierlijke mest is mee-vergist. Ook is het geen plantaardig materiaal, omdat er vis in zit. Daarom is het een dierlijk bijproduct, te kwalificeren als categorie 3-materiaal. Vervolgens stelt de verdediging dat het gistingsresidu van [naam bedrijf BV 1] niet onderhevig is aan de regels van de MSW, maar dat de Verordening dierlijke bijproducten (EU 1069/2009) van toepassing is. Op grond van artikel 14 van de Verordening dierlijke bijproducten mag categorie 3-materiaal worden verwerkt (…) en vervolgens gebruikt (…) iv. voor de vervaardiging van organische meststoffen of bodemverbeteraars, die overeenkomstig artikel 32 in de handel worden gebracht. Het gistingsresidu, zo vervolgt de verdediging (pag. 37 pleitnota), is geen meststof. Dit wordt het pas als het de opslagen verlaat, want dan is het vermengd met mest en moet het worden aangeduid als dierlijke meststof. Niet bestemd als meststof De verdediging heeft aangevoerd dat het product bovendien niet bestemd was om als meststof in Nederland te worden gebruikt of verhandeld. Het product was immers bestemd voor de export naar Duitsland, onder de daar geldende regelgeving. 5.5.
  29. Oordeel van de rechtbank Juridisch kader Het opsporingsonderzoek 03Canard betreft een onderzoek naar handelingen met betrekking tot dierlijke bijproducten dan wel afgeleide producten. Op deze producten zijn de Europese Verordening dierlijke bijproducten (EG 1069/2009) en de Uitvoeringsverordening (EG 142/2011) van toepassing. Dierlijke bijproducten en afgeleide producten zijn in artikel 3 van de Verordening dierlijke bijproducten als volgt gedefinieerd:
  30. dierlijke bijproducten”: dode dieren of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met inbegrip van oöcyten, embryo’s en sperma;
  31. „ afgeleid product”: producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten. Het digestaat uit de biogas-vergister van [naam bedrijf BV 1] , waarin onder meer visresten worden verwerkt, kan worden gezien als een afgeleid product. Relatie Verordening dierlijke bijproducten en de Meststoffenwet Categorie 2- en categorie 3-materialen kunnen -onder meer- worden gebruikt voor de vervaardiging van organische meststoffen of bodemverbeteraars die op de markt worden gebracht overeenkomstig artikel 32 van de Verordening dierlijke bijproducten (art. 13 sub d respectievelijk art. 14 sub d onder iv van de Verordening). Volgens artikel 32 van de Verordening mogen organische meststoffen en bodemverbeteraars slechts in de handel worden gebracht als zij uitsluitend afgeleid zijn van categorie 2- of categorie 3-materiaal. Daarnaast mogen gistingsresiduen van de omzetting in biogas of compost in de handel worden gebracht als organische meststoffen en bodemverbeteraar. Daarbij geldt dat de lidstaten nationale voorschriften mogen vaststellen of handhaven die het gebruik van organische meststoffen en bodemverbeteraars verder beperken, mits die voorschriften gerechtvaardigd zijn met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid. Deze voorschriften zijn in Nederland vastgelegd in de MSW en nader uitgewerkt in het UBM en de Uitvoeringregeling Meststoffen (URM). Artikel 5 MSW verbiedt het om een product, dat blijkens zijn aanduiding of anderszins kennelijk bestemd is om als meststof te worden gebruikt, te verhandelen, indien dat product niet voldoet aan de krachtens artikel 4 MSW met betrekking tot meststoffen gestelde eisen. Deze eisen zijn benoemd in artikel 5 UBM: Meststoffen zijn (…) niet geheel of gedeeltelijk geproduceerd uit afvalstoffen of uit reststoffen, tenzij het betreft bij ministeriele regeling aangewezen stoffen of reststoffen waartegen geen bezwaren bestaan dat deze stoffen als meststoffen worden verhandeld of bij de productie van meststoffen worden gebruikt. Welke afvalstoffen of reststoffen dit zijn, is opgenomen in artikel 4 URM, in het bijzonder sub d, en de in bijlage Aa onder IV opgenomen stoffen. Hier wordt het volgende vermeld: IV. Eindproducten van bewerkingsprocédés die als meststof kunnen worden verhandeld: Categorie 1: product dat verkregen is door vergisting van tenminste 50 gewichtsprocenten dierlijke meststoffen met als nevenbestanddeel uitsluitend één of meer van de stoffen die genoemd zijn onder de in onderstaande tabel onderscheiden categorieën of subcategorieën, met dien verstande dat de stoffen genoemd onder categorie G uitsluitend worden gebruikt als nevenbestanddeel indien tevens de maximale waarden waarnaar in categorie G wordt verwezen niet wordt overschreden (co-vergiste mest). De categorieën 2, 3 en 4 van bijlage Aa onder IV hebben betrekking op materiaal dat is verkregen van uitsluitend plantaardig materiaal en zijn niet van toepassing op het materiaal uit de vergister van [naam bedrijf BV 1] . Uit bovenstaande volgt dat de eindproducten van bewerkingsprocédés tenminste moeten bestaan uit 50 gewichtsprocent dierlijke meststoffen, aangevuld met de (rest)stoffen vermeld in de tabel onder Categorie
  32. Zo niet, dan voldoen zij niet aan de vereisten van artikel 4 MSW. Omdat het gistingsresidu/digestaat van [naam bedrijf BV 1] niet voor 50 gewichtsprocent uit dierlijke meststoffen bestaat, voldoet het al om die reden niet aan het vereiste van artikel 4 MSW. Verhandelen en bestemd om als meststof te worden gebruikt De Verordening dierlijke bijproducten heeft de volgende definitie van ‘in de handel brengen’: ‘een handeling die tot doel heeft dierlijke bijproducten of daarvan afgeleide producten aan een derde in de Gemeenschap te verkopen, of enige andere vorm van levering aan een derde in de Gemeenschap, al dan niet tegen betaling, of van opslag met het oog op levering aan een derde in de Gemeenschap’ (artikel 3 onder 14 van de Verordening). De MSW verstaat onder ‘verhandelen van meststoffen’: ‘afleveren van meststoffen aan handelaren in of gebruikers van meststoffen alsmede het met het oog daarop voorhanden of in voorraad hebben, aanbieden of vervoeren van meststoffen’ (artikel 1 lid 1 onder e MSW). [naam bedrijf GmbH] heeft in de tenlastegelegde periode digestaat van [naam bedrijf BV 1] laten lossen in de mestopslagen in Reuver en Posterholt, die daartoe door [naam transportbedrijf BV] ter beschikking werden gesteld. Het doel van het opslaan van het digestaat was dat dit digestaat op enig moment naar Duitsland zou worden vervoerd teneinde het daar als meststof aan Duitse boeren af te leveren. Het digestaat was dus bestemd om als meststof te worden gebruikt. Het feit dat het digestaat naar Duitsland zou worden getransporteerd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de beperkingen die in Nederland gelden aan het verhandelen (vervoeren en afleveren) niet van toepassing waren. Het digestaat werd in eerste instantie immers niet in Duitsland, maar naar mestopslagen in Nederland vervoerd en daar afgeleverd. Of, wanneer en hoe het digestaat eventueel naar Duitsland werd getransporteerd moest bovendien nog maar blijken en voltrok zich buiten iedere waarneming. Anders dan de verdediging heeft betoogd, was de Nederlandse wet- en regelgeving en daarmee de MSW dus wel degelijk van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat [naam transportbedrijf BV] – samen met anderen – het digestaat, dat bestemd was om als meststof te worden gebruikt, heeft verhandeld door het voorhanden en in opslag te hebben met het oogmerk om dit af te leveren, terwijl het digestaat niet voldeed aan de krachtens artikel 4 MSW gestelde eisen met betrekking tot meststoffen. Toerekening aan de rechtspersoon Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon en of de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest. De rechtbank vindt dat de bewezen gedragingen zonder meer aan [naam transportbedrijf BV] kunnen worden toegerekend omdat [naam transportbedrijf BV] handelde in meststoffen, daartoe mestopslagen tot haar beschikking had waarin zij het digestaat door [naam bedrijf GmbH] liet opslaan en daar – nadat zij het digestaat vervolgens als meststof naar Duitsland had vervoerde – profijt van had. Medeplegen Voor een bewezenverklaring van medeplegen is nodig dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de voltooiing van het feit. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam transportbedrijf BV] , [naam bedrijf GmbH] , [naam bedrijf BV 1] , [naam bedrijf BV 2] . De rechtbank baseert dit op het volgende. [naam bedrijf BV 2] heeft in opdracht van [naam bedrijf GmbH] digestaat van [naam bedrijf BV 1] vervoerd naar en gelost in de mestopslagen in Posterholt en Reuver. Deze transporten zijn door [naam bedrijf BV 2] gefactureerd aan [naam bedrijf GmbH] . [naam transportbedrijf BV] heeft op haar beurt facturen gestuurd aan [naam bedrijf BV 1] voor de afvoer van het digestaat. De mestopslagen in Posterholt en Reuver zijn gehuurd door [naam transportbedrijf BV] . Het doel was om het digestaat via [naam bedrijf GmbH] bij Duitse boeren af te zetten. [persoon 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat in overleg met verdachte het digestaat van [naam bedrijf BV 1] in Duitsland als meststof kon worden afgezet. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er tussen alle genoemde betrokkenen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het verhandelen van digestaat als meststof. Feitelijk leiding geven De rechtbank is van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het medeplegen van het verhandelen van digestaat door [naam transportbedrijf BV] . Verdachte is via [naam beheer BV] en [naam Holding BV] middellijk bestuurder van [naam transportbedrijf BV] . Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij een van de bestuurders is die zeggenschap heeft over het bedrijf. Het bedrijf richt zich op de handel en transport van dierlijke meststoffen. Verdachte wist dat er digestaat als meststof werd verhandeld en in Nederland in mestopslagen verdween, hij maakte daarover zelf immers de afspraken met de betrokkenen, terwijl hij als medebestuurder juist bij uitstek bevoegd en gehouden was maatregelen te treffen die het verhandelen van meststoffen die niet voldoen aan de meststoffenregelgeving tegengaan. Onder deze omstandigheden is er zonder meer sprake geweest van feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging. 5.
  33. Gebruik maken van valse documenten (feit 3) Ten laste is gelegd dat verdachte gebruik heeft gemaakt van valse handelsdocumenten. Er zijn zes handelsdocumenten, twee facturen en vijf VDM’s in de tenlastelegging opgenomen. 5.6.
  34. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dit feit bewezen. Op de handelsdocumenten staat aangegeven dat het digestaat op de dag van vervoer naar [naam bedrijf GmbH] gaat. Gebleken is echter dat de transporten naar Reuver respectievelijk Posterholt gaan, waar het digestaat wordt gelost in mestopslagen. De plaatsen Reuver en Posterholt staan niet als plaats van bestemming op de handelsdocumenten vermeld. Door de handelsdocumenten op deze manier op te stellen en voor gebruik tijdens transport aan te bieden, is het opzettelijk gebruik van de valse handelsdocumenten door [naam transportbedrijf BV] / [naam bedrijf GmbH] een gegeven. De plaats van bestemming was immers niet [naam bedrijf GmbH] . Op de facturen die [naam transportbedrijf BV] aan [naam bedrijf BV 1] stuurde voor het transport van het digestaat, staat vermeld dat gefactureerd wordt voor “Afvoeren plantaardig digestaat”. Dit is in strijd met de waarheid, omdat het digestaat in elk geval (gedeeltelijk) uit dierlijke bijproducten bestaat. De VDM’s moeten door leverancier, vervoerder en ontvanger worden opgemaakt en elektronisch worden gemeld bij RVO. De gegevens op de VDM’s zijn vals, omdat hieruit zou blijken dat er alleen 100% dierlijke mest is afgevoerd terwijl het materiaal onder meer bestaat uit het digestaat van [naam bedrijf BV 1] , vermengd met digestaat van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] . Ook de op de VDM’s vermelde code 93 is onjuist. Deze melding betekent dat sprake is van covergistingsmateriaal, terwijl het proces bij [naam bedrijf BV 1] geen covergistingsprocédé is. 5.6.
  35. Standpunt van de verdediging Handelsdocumenten De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake is van verhullen dat digestaat ongeregistreerd in de mestopslagen van Posterholt en Reuver werd gepompt. Weliswaar staat er bij plaats van bestemming [naam bedrijf GmbH] ingevuld, maar op de tweede pagina staat bij ontvanger Posterholt (bijl. 207). Ook zijn de vrachtbrieven van [naam bedrijf BV 2] vergeleken met de facturen van [naam transportbedrijf BV] aan [naam bedrijf BV 1] . Uit de vrachtbrieven en facturen valt op te maken dat de transporten naar Posterholt gingen. Daarbij zijn in de administratie van [naam transportbedrijf BV] archiefdozen met setjes documenten aangetroffen, bestaande uit VDM’s en handelsdocumenten. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van oogmerk of opzet op valsheid in geschrift, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Facturen Ook ten aanzien van de facturen is er geen sprake van opzet op de valsheid. De vermelding van ‘afvoer plantaardig digestaat’ op de facturen is weliswaar onjuist, maar hier is sprake geweest van een vergissing. Verdachte wist dat het digestaat geen mest bevatte en meende dat het daarom ‘plantaardig’ was. Daarbij komt dat de facturen vergezeld gaan van een overzichtslijst waarop duidelijk staat dat het “Gärrest ohne Gülle” betreft. Bovendien wordt verwezen naar Verordening 1069/2009, die over dierlijke bijproducten gaat. Deze bijlage is onderdeel van de factuur, zodat duidelijk is waar het om gaat en er geen oogmerk bestaat om iets te verhullen. Er is geen sprake van enige valsheid. VDM’s Ook ten aanzien van de VDM’s is er geen sprake van valsheid, aldus de verdediging. Er waren twee stromen input in de mestzakken en die moesten zichtbaar worden door het opmaken van zowel VDM’s als handelsdocumenten. Het ging erom dat dezelfde hoeveelheid invoer ook weer zichtbaar werd afgevoerd. De VDM’s werden gebruikt voor de afvoer van het digestaat van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] en de handelsdocumenten zagen op de afvoer van het gistingsresidu van [naam bedrijf BV 1] . Feitelijk vond er in de mestopslagen mogelijk vermenging plaats, maar getalsmatig klopte het. Voor gistingsresiduen als dat van [naam bedrijf BV 1] bestaan geen mestcodes omdat het geen dierlijke meststof is. Als organische mest wordt vermengd met dierlijke mest wordt het automatisch dierlijke mest. Hiervoor bestaat geen mestcode. Daarom is geprobeerd met bestaande codes de realiteit zo dicht mogelijk te benaderen. Dat de codes niet kloppen is juist, maar dat is niet gedaan met het opzet om valsheid in geschrift te plegen. Door naast de gebruikte mestcodes bij de opmerkingen code 93 aan te geven was het, zo stelt verdachte, duidelijk dat het niet om 100% dierlijke mest kon gaan en is er van valsheid geen sprake, zodat verdachte ook van dit onderdeel moet worden vrijgesproken. 5.6.
  36. Oordeel van de rechtbank Handelsdocumenten De rechtbank stelt vast dat in de tenlastelegging zes handelsdocumenten zijn opgenomen waar op de tweede pagina bij “Ontvanger” met de hand de naam Reuver dan wel Posterholt is geschreven. Op de eerste pagina staat echter vermeld dat de plaats van bestemming [naam bedrijf GmbH] in Selfkant is. [persoon 3] heeft verklaard dat hij het digestaat van [naam bedrijf BV 1] vervoerde in opdracht van [naam bedrijf GmbH] . Hij kreeg vlak voor het transport te horen dat er naar Posterholt of Reuver gereden moest worden. Het digestaat werd hierop naar Posterholt of Reuver gebracht, terwijl [persoon 3] wist dat de geadresseerde [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was. Bij het afleveren/lossen is door de chauffeur van [naam bedrijf BV 2] op de tweede pagina van het handelsdocument de naam Posterholt of Reuver bij “Ontvanger” geschreven. Soms deed [persoon 3] dit achteraf zelf. Deze handelsdocumenten archiveerde hij in zijn eigen administratie. [verdachte] heeft verklaard dat hij [naam bedrijf BV 2] opdracht gaf naar Reuver of Posterholt te rijden in plaats van naar Duitsland. De rechtbank is van oordeel dat de handelsdocumenten vals zijn omdat steeds is aangegeven dat de plaats van bestemming [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was, terwijl het digestaat in werkelijkheid in Reuver of Posterholt werd afgeleverd. Door de handelsdocumenten op deze wijze in te vullen kon – bijvoorbeeld bij een controle op de weg – worden verhuld dat het digestaat in werkelijkheid niet naar Duitsland ging maar in strijd de Nederlandse wet in Nederland werd verhandeld. De rechtbank ziet hierin een oogmerk van misleiding. Dat het de bedoeling was dat het digestaat uiteindelijk toch naar Duitsland ging, doet hieraan niet af. Dit digestaat had op dat moment bovendien niet meer dezelfde samenstelling, waardoor iedere controlemogelijkheid achteraf illusoir werd. [naam transportbedrijf BV] heeft ook van de valse handelsdocumenten gebruik gemaakt door de documenten bij de transporten aanwezig te laten hebben. Vrijspraak facturen De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het gebruik maken van valse of vervalste facturen. De rechtbank stelt vast dat de op deze facturen vermelde omschrijving niet klopt. Op de facturen stond immers vermeld 'afvoeren plantaardig digestaat' terwijl het digestaat in werkelijkheid (ook) dierlijke bijproducten bevatte. De bijlagen bij de facturen vermelden daarentegen dat het betreft “Gärrest nach EU 1069-2009 (ohne Gülle)”. Daaruit valt op te maken dat wordt verwezen naar de Verordening dierlijke bijproducten en dat het digestaat zonder dierlijke mest betreft. Dat laatste strookt wel weer met de werkelijkheid. Onder deze omstandigheden is de enkele foutieve omschrijving op de facturen onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat de facturen vals waren. VDM’s Ten laste is gelegd dat verdachte gebruik heeft gemaakt van vijf VDM’s waarbij de valsheid hierin bestond dat op de VDM’s werd vermeld dat de lading bestond uit 100% dierlijke mest waarbij verschillende mestcodes zijn geselecteerd: Code 50 = drijfmest van vleesvarkens Code 46 = drijfmest van fokzeugen, inclusief biggen, opfokzeugen/beren, dekberen Code 14 = rundveedrijfmest, behalve van vleeskalveren Code76 = drijfmest van nertsen Code 116 = overige mestsoorten Per VDM zijn de daarop vermelde percentages van de mestcodes samen steeds 100%. In de processen-verbaal pvb.08.03 en pvb.08.04 staat ook uitgelegd wat de codes onder het kopje ‘opmerkingen’ betekenen. Bij vier van de VDM’s is daarnaast code 93 vermeld, hetgeen betekent ‘afvoer uit co-vergistingsinstallatie’. De rechtbank stelt vast dat in de mestopslagen van Reuver en Posterholt zowel digestaat uit de co-vergister van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] als digestaat van [naam bedrijf BV 1] is gepompt. De mestopslagen werden niet afwisselend uitsluitend gebruikt voor het digestaat van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] en [naam bedrijf BV 1] . Er werd soms op dezelfde dag zowel digestaat van [naam bedrijf BV 1] in de mestzak gepompt als dierlijke mest afgevoerd. Dit is bijvoorbeeld op 14 en 26 augustus 2015 gebeurd. Uit het onderzoek is ook komen vast te staan dat de mestzak in Posterholt geen gescheiden compartiment kan hebben, omdat de mestzak maar één laad/lospunt heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het digestaat van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] en het digestaat van [naam bedrijf BV 1] in de mestopslagen zijn vermengd. Verdachte heeft bevestigd dat het digestaat in de mestopslagen is gemengd, maar dat hij het heeft afgevoerd met zowel handelsdocumenten als met VDM’s, waarbij de VDM’s de afvoer van het digestaat van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] betroffen. Verdachte heeft voorts erkend dat de codes op de VDM’s niet de juiste samenstelling van het vervoerde materiaal weergeven, maar dat het niet mogelijk is om aan een mengsel van digestaat uit een co-vergister en het vergistingsresidu/digestaat van [naam bedrijf BV 1] een goede mestcode te geven omdat zo’n code niet bestaat. De rechtbank overweegt hierover dat ook indien ervan uit wordt uitgegaan dat het niet mogelijk is -gemengd- digestaat een juiste mestcode te geven, dit nog niet betekent dat vervolgens lukraak mestcodes kunnen worden geselecteerd. Het digestaat van [naam bedrijf BV 1] bevatte geen dierlijke mest. Het materiaal dat uit de mestopslagen van Reuver en Posterholt werd vervoerd met VDM’s bevatte niet alleen digestaat van [naam bedrijf BV 1] , maar ook digestaat uit de co-vergister van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] , dat evenmin uit 100% mest bestond. De mestcodes op de VDM’s zijn geenszins representatief voor het product wat vervoerd werd en de rechtbank is dan ook van oordeel dat de VDM’s vals zijn. Verdachte en [naam transportbedrijf BV] hebben de VDM’s gebruikt door ze mee te geven aan de vervoerder en ze voor gebruik voorhanden te hebben. De rechtbank ziet ook hierin een misleidend oogmerk. Uit het dossier blijkt dat er boeren in Duitsland waren die hadden aangegeven enkel 100% dierlijke mest te willen ontvangen. Toerekenen aan de rechtspersoon De rechtbank is van oordeel dat de bewezen gedragingen aan [naam transportbedrijf BV] kunnen worden toegerekend omdat [naam transportbedrijf BV] handelde in meststoffen, deze vervoerde, in dit verband gebruik maakte van de handelsdocumenten en de VDM’s en daar profijt van ontving. Medeplegen en feitelijk leiding geven De rechtbank is eveneens van oordeel dat sprake is van medeplegen en wel met medeverdachte [naam bedrijf GmbH] . Het digestaat van [naam bedrijf BV 1] is in opdracht van [naam bedrijf GmbH] naar de mestopslagen in Posterholt en Reuver vervoerd. De -gemengde- inhoud van de mestopslagen zijn door [naam transportbedrijf BV] naar [naam bedrijf GmbH] in Duitsland afgevoerd. De handelsdocumenten zijn afkomstig van [naam bedrijf GmbH] , zo blijkt uit de onderste regel van de handelsdocumenten. De VDM’s zijn door [verdachte] opgemaakt en de afnemer is steeds [naam bedrijf GmbH] . De rechtbank is ook van oordeel dat verdachte aan deze feiten feitelijk leiding heeft gegeven. Zij verwijst naar hetgeen zij hierover onder 5.5.3 heeft opgenomen. 6Bewezenverklaring De rechtbank vindt op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat
  37. primair [naam transportbedrijf BV] en/of [naam bedrijf GmbH] in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 1 oktober 2016 te Born, gemeente Sittard-Geleen en/of te Reuver in de gemeente Beesel en/of te Posterholt, in de gemeente Roerdalen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) digestaat, althans een (mest)stof, afkomstig van [naam bedrijf BV 1] te Bunschoten, althans een product, dat blijkens zijn aanduiding of anderszins kennelijk bestemd was om als meststof te worden gebruikt, heeft hebben verhandeld, terwijl dat product niet voldeed aan de krachtens artikel 4 Meststoffenwet met betrekking tot meststoffen gestelde eisen, immers heeft hebben [naam transportbedrijf BV] en/of [naam bedrijf GmbH] en/of hebben haar/hun mededader(s) digestaat als meststof voorhanden en/of in voorraad gehad in en/of vervoerd uit (een) mestopslag(en) op de Kloetenweg te Posterholt en/of op de Bergerhofweg te Reuver en/of afgeleverd; zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;
  38. primair [naam transportbedrijf BV] en/of [naam bedrijf GmbH] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 oktober 2016 te Bunschoten en/of te Born, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een grote hoeveelheid valse of vervalste documenten, waaronder te weten: Handelsdocument CMR 130133 met datum 29-11-2013 (pag. 8522) en/of Handelsdocument CMR 140151 met datum 26-06-2014 (pag. 8266) en/of Handelsdocument CMR 150222 met datum 18-12 2015 (pag. 8525) en/of Handelsdocument CMR 150154 met datum 25-08-2015 (pag. 6503) en/of Handelsdocument CMR. 160042 met datum 22-06-2016 (pag. 6841) en/of Handelsdocument CMR 160055 met datum 18-07-2016 (pag. 6802) en/of Factuurnummer 201600657 met datum 6-4-2016 (pag. 6490) en/of Factuurnummer 201600658 met datum 6-4-2016 (pag. 6492), en/of Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9101980459 met datum 15-04-2013 (pag. 8621) en/of Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9102126443 met datum 07-06-2013 (pag. 8922) en/of Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9103339149 met datum 20-08-2014 (pag. 8950) en/of Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9103788245 met datum 13-02-2015 (pag. 8953) en/of Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9105910064 met datum 02-09-2016 (pag. 8944), (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat geschrift echt en onvervalst, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en/of in strijd met de waarheid: - op handelsdocument 130133 vermeld werd dat de bestemming [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was, terwijl de bestemming in werkelijkheid ‘Reuver’ in Nederland was; en/of - op handelsdocument 140151 vermeld werd dat de bestemming [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was, terwijl de bestemming in werkelijkheid ‘Reuver’ in Nederland was; en/of’ - op handelsdocument 150222 vermeld werd dat de bestemming [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was, terwijl de bestemming in werkelijkheid ‘Posterholt’ in Nederland was; en/of - op handelsdocument 150154 vermeld werd dat de bestemming [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was, terwijl de bestemming in werkelijkheid ‘Posterholt’ in Nederland was; en/of - op handelsdocument 160055 vermeld werd dat de bestemming [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was, terwijl de bestemming in werkelijkheid ‘Posterholt’ in Nederland was; en/of - op handelsdocument 160042 vermeld werd dat de bestemming [naam bedrijf GmbH] in Duitsland was, terwijl de bestemming in werkelijkheid ‘Posterholt’ in Nederland was; en/of - op factuurnummer 201600657 vermeld werd ‘afvoeren plantaardig digestaat’, terwijl in werkelijkheid het digestaat ook dierlijke bijproducten bevatte en/of - op factuurnummer 201600658 vermeld werd ‘afvoeren plantaardig digestaat’, terwijl in werkelijkheid het digestaat ook dierlijke bijproducten bevatte en/of - op Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9101980459 vermeld werd dat de lading bestond uit 100% dierlijke mest, te weten mestcodes 50,46 en 14 en/of - op Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9102126443 vermeld werd dat de lading bestond uit 100% dierlijke mest, te weten mestcodes 50, 46 en 14 en/of werd vermeld onder opmerking ‘93’ dat het afvoer uit co-vergistingsinstallatie betrof, en/of - op Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9103339149 vermeld werd dat de lading bestond uit 100% dierlijke mest, te weten mestcodes 50,46 en 14 en/of werd vermeld onder opmerking ‘93’ dat het afvoer uit co-vergistingsinstallatie betrof, en/of - op Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9103788245 vermeld werd dat de lading bestond uit 100% dierlijke mest, te weten mestcodes 50,46 en 14 en/of werd vermeld onder opmerking ‘93’ dat het afvoer uit co-vergistingsinstallatie betrof, en/of - op Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen 9105910064 vermeld werd dat de lading bestond uit 100% dierlijke mest, te weten mestcodes 50,46 en 76 en 116 en/of werd vermeld onder opmerking ‘93’ dat het afvoer uit co-vergistingsinstallatie betrof, en bestaande dat opzettelijk gebruik maken hierin dat dit/deze handelsdocumenten en/of facturen en/of vervoersbewijs/zen dierlijke meststoffen (telkens) aanwezig was/waren bij de transporten en/of behoorden bij de transporten en/of (telkens) opzettelijk de genoemde handelsdocumenten en/of facturen en/of vervoersbewijs/zen dierlijke meststoffen voor gebruik voorhanden heeft gehad, terwijl [naam transportbedrijf BV] en/of [naam bedrijf GmbH] , wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat document(en) bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst; zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 7Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straffen 9.
  39. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Verder heeft zij gevorderd dat verdachte voor het onder 2 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 60 dagen, omdat dit feit een overtreding betreft waarvoor een afzonderlijke straf moet worden opgelegd. Als bijkomende straf vordert zij dat aan verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd, waarbij verdachte het beroep van (middellijk) bestuurder en/of directeur dan wel een beleidsbepalende functie in een bedrijf in transport van, handel in en verwerking en opslag van meststoffen niet langer mag uitoefenen. 9.
  40. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak voor de gehele tenlastelegging bepleit. Subsidiair vindt de verdediging dat rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Deze is aangevangen bij de doorzoeking in maart
  41. Aan verdachte is toen de cautie gegeven en voor verdachte was het toen duidelijk dat hij als verdachte werd aangemerkt. De redelijke termijn is daarmee met twee jaar en negen maanden overschreden. Verdachte heeft bovendien een aantal bewogen jaren achter de rug, waarin hij onder meer te kampen heeft gehad met een burn-out. Verdachte is inmiddels niet meer werkzaam in het bedrijf. Een beroepsverbod is dan ook niet aan de orde. 9.
  42. Oordeel van de rechtbank De rechtbank veroordeelt [naam transportbedrijf BV] voor het samen met anderen verhandelen van digestaat afkomstig van [naam bedrijf BV 1] , dat bestemd was om als meststof te worden gebruikt. Het verhandelen van het digestaat als hier aan de orde als meststof is in Nederland verboden, omdat het niet voldoet aan de eisen van de MSW. Daarbij vermengde verdachte het digestaat met digestaat uit de co-vergister van [naam bedrijf BV 3/medeverdachte 2] / [naam bedrijf BV 4/medeverdachte 1] , waarna verdachte het – omgekat – als dierlijke mest met VDM’s liet afvoeren. Deze VDM’s – waar verdachte gebruik van maakte – waren vals, omdat hierop in strijd met de waarheid was aangegeven dat het 100% dierlijke mest betrof. [naam transportbedrijf BV] wordt tevens veroordeeld voor het gebruik maken van valse handelsdocumenten. Op de handelsdocumenten is een andere plaats van bestemming, namelijk [naam bedrijf GmbH] in Selfkant, aangegeven dan de feitelijke plaats van bestemming Posterholt of Reuver. Door het handelen van [naam transportbedrijf BV] is het systeem van controle op meststoffen en dierlijke bijproducten – dat er toe strekt de volksgezondheid en diergezondheid te beschermen - stelselmatig ondermijnd. De rechtbank vindt dit ernstig. Verdachte wordt veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan deze verboden gedragingen. Dat verdachte deze vaste werkwijze voor langere periode heeft gebruikt, daarbij als spil van de samenwerking met anderen fungeerde en niet heeft gekozen voor het bewandelen van legale paden, laat de rechtbank meewegen bij het bepalen van de straf. Het gaat om vele tonnen digestaat. Vanwege de ernst van de feiten en de verantwoordelijke positie die verdachte als bestuurder van [naam transportbedrijf BV] innam, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 augustus
  43. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het de feiten en de uiteindelijke beslissing van de rechtbank hierover. De rechtbank betrekt hierbij ook de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verklaart minder feiten bewezen dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank ziet hierin aanleiding de straf te matigen. Om deze redenen zal de rechtbank ook geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar kiest zij voor een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. De rechtbank zal aan verdachte ten aanzien van feit 3 een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 240 uur opleggen. Voor het onder 2 bewezen verklaarde feit legt de rechtbank verdachte een geldboete op van € 3.000,-. De rechtbank vindt deze straffen passend en geboden, kijkend naar de ernst van de feiten en de centrale rol die verdachte hierbij heeft gehad. Verdachte was de coördinerende schakel tussen alle betrokken bedrijven en personen. Zonder hem hadden deze feiten niet kunnen worden gepleegd. De rechtbank vindt de feiten dusdanig ernstig dat alleen deze straffen niet op zijn plaats zijn. Verdachte is weliswaar vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie, maar met [naam transportbedrijf BV] en [naam bedrijf GmbH] is toch een constructie opgezet om digestaat als dierlijke mest af te zetten in het buitenland. Verdachte heeft er geen blijk van gegeven de ernst van de feiten in te zien. Ook ter zitting heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank vindt dat laakbaar en zorgelijk. Om die reden zal de rechtbank de officier van justitie volgen in haar eis om verdachte een beroepsverbod op te leggen. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a,14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 28, 47, 51, 62 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2, 6 en 7 van de Wet op de economische delicten en artikel 5 van de Meststoffenwet. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen. Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde nietig ten aanzien van de woorden “een grote hoeveelheid” en “waaronder”. Verklaart het onder 1 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in paragraaf 6 onder het kopje “Bewezenverklaring” is weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Feit 2 primair Feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon Feit 3 primair Feitelijk leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden. Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tevens tot een taakstraf van 240 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, en bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen als verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot een geldboete van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 40 dagen. Ontzet verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van (middellijk) bestuurder van enige rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 2 (twee) jaren. Dit vonnis is gewezen door mr. N.J. Koene, voorzitter, mrs. F. Dekkers en F.W. Pieters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.