RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 8885525 EA VERZ 20-878 beschikking van: 19 februari 2021 beschikking van de kantonrechter i n z a k e [verzoeker] wonende te [woonplaats] verzoeker nader te noemen: [verzoeker] gemachtigde: mr. P.A.H. Tjong-A-Hung t e g e n de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Amsterdam gevestigd te Amsterdam verweerder nader te noemen: Gemeente Amsterdam gemachtigde: mr. V.U.C.I. Duran VERLOOP VAN DE PROCEDURE Werkgever heeft op 18 november 2020 een verzoekschrift met bijlagen ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. Het verzoek is ter terechtzitting behandeld op 18 februari
- Namens werkgever zijn verschenen [naam 1] , Afdelingsmanager Schoonmaak, [naam 2] , P&O Adviseur en [naam 3] , toehoorder, vergezeld van de gemachtigde. Werknemer verscheen eveneens met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Beschikking is bepaald op heden. BEOORDELING VAN HET VERZOEK Feiten Werknemer, geboren op [geboortedatum] , is sinds 3 september 2008 parttime in dienst van werkgever als schoonmaker. Het salaris bedraagt gemiddeld € 1.047,51 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Verzoek en verweer Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Werkgever stelt daartoe dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW. Ter zitting heeft werkgever het verzoek gewijzigd in die zin dat hij thans alleen nog verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b jo. 7:669 lid 3 sub g BW. Werkgever stelt daartoe - kort gezegd - dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen, zodanig dat van hem niet kan worden gevergd dat deze nog langer voortduurt, en dat herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort of in de rede ligt. Werknemer erkent dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, maar benadrukt dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Beoordeling
- De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat er geen sprake is van een opzegverbod.
- Ter zitting is aannemelijk geworden dat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt. Voldoende is gebleken dat partijen pogingen hebben gedaan om dit probleem op te lossen, maar dat dit niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Ook is voldoende gebleken dat andere passende functies binnen werkgever niet voorhanden zijn.
- Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake van een redelijke grond en ligt herplaatsing van werknemer niet in de rede. Derhalve zal het verzoek tot ontbinding worden toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2021; bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Lourens, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2021 in aanwezigheid van de griffier.