RECHTBANK AMSTERDAM RK-nummer: 21/6650 BESCHIKKING op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klaagster] geboren op [geboortedag] 1995 woonplaats kiezende op kantooradres van haar raadsman mr. M. Balemans, [adres] , klaagster, tevens beslagene. 1Procesgang Het klaagschrift is op 13 december 2021 ingediend ter griffie van deze rechtbank. De rechtbank heeft op 11 januari 2022 klaagster en haar raadsman, mr. M. Balemans en de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern in openbare raadkamer gehoord. 2Inhoud klaagschrift en standpunt klaagster Op 24 november 2021 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de vriend van klaagster. De doorzoeking vond plaats op vordering van de officier van justitie ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (EOB) uit België met kenmerk EOB-1-2021001315, betreffende de vriend van klaagster. Tijdens deze doorzoeking is, op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering (Sv), het volgende aan klaagster toebehorende voorwerp in beslag genomen: - Telefoon (iPhone) Het klaagschrift strekt tot teruggave van bovenvermelde voorwerp. De raadsman van klaagster heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat verzocht om teruggave van de aan klaagster toebehorende telefoon. Deze gegevensdrager bevat onder andere QR-codes, agenda’s en afspraken voor de kinderen. Klaagster heeft daarnaast niets te maken met de verdenking waarop het EOB ziet. 3Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft aangegeven dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Klaagster heeft enige tijd in de woning van haar vriend verbleven en het is zeer goed denkbaar dat de inbeslaggenomen telefoon gegevens bevatten die van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek door de Belgische autoriteiten. Dit kunnen ook gegevens zijn die na het plegen van het strafbare feit zijn gegenereerd. De officier van justitie zal zich ervoor inspannen om de telefoon zo spoedig mogelijk terug te geven aan klaagster zodra de Belgische autoriteiten deze niet meer nodig hebben. 4Het oordeel van de rechtbank De telefoon is in beslag genomen in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen de vriend van klaagster in België ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feit zoals omschreven in het EAB en het EOB. De vriend van klaagster wordt in het EAB en in het EOB omschreven als verdachte. Bij de uitvoering van het EOB is het Nederlands recht van toepassing. De beoordeling van het klaagschrift dient plaats te vinden op de voet van artikel 552a Sv. In deze procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag van de gegevensdrager vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Uit het EOB van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (België) van 9 november 2021 en de e-mail van 15 december 2021 volgt dat de inbeslagname van onder meer de telefoon uit de woning waar klaagster met haar vriend verbleef er mogelijk toe zal leiden dat er bewijsmiddelen zullen worden gevonden die van belang zijn voor het onderzoek. De rechtbank dient in beginsel uit te gaan van de juistheid van die mededeling. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat van dat beginsel dient te worden afgeweken. Dat klaagster niet zelf in het EOB als verdachte wordt omschreven maakt dit niet anders. Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat, nu het onderzoek nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag. Immers, de gegevensdrager is in beslag genomen met het doel om de waarheid aan het licht te brengen en is daartoe ook geschikt. De rechtbank merkt verder op dat het oordeel over de evenredigheid en proportionaliteit van het uitvaardigen van een EOB in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit is. Ingevolge artikel 5.4.10, derde lid Sv, doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het onderhavige klaagschrift. De rechtbank moet verder beoordelen of er weigeringsgronden van toepassing zijn. In het EOB zijn de lijstfeiten deelneming aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen aangekruist. De rechtbank mag daarom de dubbele strafbaarheid van het feit niet onderzoeken (artikel 5.4.4, tweede lid, aanhef en onder a, Sv). Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard. De rechtbank wijst er tot slot nog op dat de officier van justitie ter zitting heeft toegezegd zich ervoor te zullen inspannen dat klaagster zo spoedig mogelijk de beschikking krijgt over (de inhoud van) haar gegevensdrager. 5Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND. Deze beslissing is op 25 januari 2022 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.