RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752433-21 RK nummer: 22/14 Datum uitspraak: 1 maart 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 januari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 november 2019 door het Amtsgericht Aschaffenburg (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], [plaats], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 februari 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, S. de Goede, advocaat te Breda, die waarneemt voor zijn collega, mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het Amtsgericht Aschaffenburg (Duitsland) van 4 november 2014, dossiernummer 306 Gs 1669/14-111 Js 8407/14. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de feitomschrijving in het EAB onvoldoende feitelijk is, omdat bij enkele feiten geen tijdstippen worden genoemd, en dat sprake is van tegenstrijdigheden tussen enige tijdstippen. Ook zouden de rol en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten niet duidelijk zijn en niet blijken. Op grond hiervan zijn de stukken ongenoegzaam en dient de overlevering van de opgeëiste persoon te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is van welke feiten hij wordt verdacht en dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. De feitomschrijving is derhalve genoegzaam en de overlevering kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is hier aan voldaan. De feiten zoals omschreven in onderdeel
- e)van het EAB zien op verschillende diefstallen, deels in vereniging, en een poging daartoe, in Bad Camberg, Fernthal, Haidt, Weibersbrunn, Limburg, Würzburg, Siegburg, Heiligenroth en Wiesbaden te Duitsland, in de periode van 7 september 2013 tot en met 2 februari 2014. Ook is daarnaast per feit apart nog een omschrijving gegeven van de handelingen van verdachte met plaats en tijd en dit geeft nog een verdere verduidelijking van de feiten. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de omschrijving voldoende duidelijk is waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht, van welk feiten hij wordt verdacht en wat de mate van betrokkenheid bij de feiten is. Van evidente tegenstrijdigheden is de rechtbank niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een (lopend) strafrechtelijk onderzoek en niet van een veroordeling. De rechtbank is van oordeel dat de feiten genoegzaam zijn omschreven en dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. 4Strafbaarheid: Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 14, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van haar lidstaat, te beoordelen of een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. De rechtbank is in beginsel gebonden aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat een feit waarvoor overlevering wordt verzocht een lijstfeit oplevert. De omstandigheid dat een feit, ondanks het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit, niet een lijstfeit oplevert, kan niet zonder meer tot weigering van de overlevering voor dat feit leiden. In een dergelijk geval moet de rechtbank immers nagaan of dat feit strafbaar is naar Nederlands recht. De raadsman heeft aangevoerd dat de feiten geen lijstfeit opleveren, maar heeft niet aangevoerd – en aannemelijk gemaakt – dat de strafbaarheid naar Nederlands recht van de feiten ontbreekt en dat de rechtbank gebruik zou moeten van haar bevoegdheid om op die grond de overlevering voor die feiten te weigeren. Het verweer behoeft daarom geen inhoudelijke bespreking. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Leitende Oberstaatsanwältin in Aschaffenburg (Duitsland) heeft op 8 februari 2022 de volgende garantie gegeven: It is assured, that in case the wanted person [opgeëiste persoon], born on [geboortedag] 1977 is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in the Federal Republic of Germany it will be allowed upon his request to enforce this sentence in the Netherlands. On the basis of the Framework· Decision on the European Arrest warrant (2002/584/JHA) and article 6, paragraph 1 of the Dutch Surrender. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank de hiervoor vermelde garantie voldoende. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Aschaffenburg (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. P. van Kesteren en A.K. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 maart 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42. HvJ EU 3 maart 2020, C-717/18, ECLI:EU:C:2020:142 (X (Europees aanhoudingsbevel – Dubbele strafbaarheid)), punt 42.