RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751205-20 RK nummer: 20/5139 Datum uitspraak: 10 maart 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 oktober 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2020 door de Rechtbank van eerste aanleg in München (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 februari 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat te Eindhoven. De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22, eerste en derde lid, OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel dat is uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg München op 5 februari 2020, dossiernummer: ER I GS 1036/20. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt raadsvrouw De raadsvrouw heeft bepleit dat de omschrijving van de feiten in het EAB niet als genoegzaam kunnen worden aangemerkt, omdat niet duidelijk is op welke gronden de verdenking is gebaseerd. Er worden geen onderzoeksgegevens genoemd, maar slechts de naam van de opgeëiste persoon en de vermeende gepleegde feiten. Het EAB bevat onvoldoende gegevens om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen een gedegen onschuldverweer te voeren. De raadsvrouw verzoekt daarom de overlevering te weigeren. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat de overlevering dient te worden toegestaan. Het EAB is genoegzaam en de naleving van het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd. Het bewijs waar het EAB op is gebaseerd mag niet getoetst worden door de rechtbank, omdat het toetsen van de rechtvaardigheid van de verdenking aan de rechter in Duitsland is voorbehouden. Het onschuldverweer wordt alleen behandeld als het gaat om een evidente persoonsverwisseling. Of de opgeëiste persoon schuldig is aan de verdenking, wordt beoordeeld in Duitsland. Oordeel rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In deze zaak is daaraan voldaan. In het EAB is namelijk vermeld dat de verdenking is dat de opgeëiste persoon op 8 november 2019 in München en Stuttgart in vereniging vier motorvoertuigen heeft verkregen door huurcontracten af te sluiten en deze motorvoertuigen zonder betaling voor zich te behouden en te gebruiken, zonder deze terug te geven. Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, OLW stelt niet de eis dat wordt verduidelijkt waarop de verdenking is gebaseerd. Volgens vaste rechtspraak treedt de overleveringsrechter niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking. De beschrijving van de feiten dient er bovendien niet toe om een onschuldbewering mogelijk te maken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. 4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten: Oplichting Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Officier van Justitie van Stöckel (Duitsland) heeft ten behoeve van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven: Indien de verdachte na zijn definitieve veroordeling door een Duitse rechtbank instemt met zijn terugzending ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de veroordeling in Nederland, dan wordt toegezegd: 1. dat hij de straf in Nederland kan ondergaan (…) Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg in München (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en B. Yesilgöz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 maart 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. O.a. rechtbank Amsterdam, 17-9-2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964