RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751.298-21 RK nummer: 21/2770 Datum uitspraak: 15 maart 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 mei 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2021 door the Office of the Judge for Preliminary Investigations attached to the Court of Naples (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1982, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [woonplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 maart 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Italiaanse taal. De raadsvrouw was vanwege ziekte aanwezig via een videovoorziening. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Italiaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB, in samenhang gelezen met Form A, wordt melding gemaakt van een House arrest order van 19 januari 2021 door the Court of Napoli (referentienummer OCC.n.468/2020;RGNR n. 27973/17 + RGGIP n 11193/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Italiaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; en medeplegen van afpersing. 5Detentieomstandigheden in Italië Ten aanzien van een aantal Italiaanse penitentiaire inrichtingen heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aangenomen. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 30 maart 2021, waarin als volgt is overwogen: De rechtbank is verder van oordeel dat het inmiddels voldoende vaststaat dat de brieven van 2 en 4 maart 2020 inhoudende een algemene detentiegarantie in elke overleveringszaak geldig zijn, zoals de Italiaanse autoriteiten in bedoelde brieven hebben bevestigd. De rechtbank acht het niet langer noodzakelijk dat voor elke individuele opgeëiste persoon een bevestiging wordt gevraagd bij de Italiaanse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat uit de brieven van 2 en 4 maart 2020 kan worden afgeleid dat voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, omdat is gegarandeerd dat hij niet in een van de zestien detentiecentra zal worden geplaatst waar volgens de rechtbank een dergelijk gevaar bestaat. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 47, 140 en 317 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Office of the Judge for Preliminary Investigations attached to the Court of Naples (Italië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. A.J.R.M. Vermolen en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 maart 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rechtbank Amsterdam 24 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10053. Rechtbank Amsterdam 30 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1804. Rechtbank Amsterdam 13 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:39.