beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/241931-19 en 13/001090-20 RK: 21/2059 en 21/2060 Beschikking op de verzoeken ex artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. R.C. Fransen, [kantooradres] , verzoeker. De procesgang Het verzoekschrift is op 14 april 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 17 mei 2021 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 2 maart 2022 de gemachtigd raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. De inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 3.420,- voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden. Het verzoek strekt daarnaast tot het toekennen van een vergoeding van € 21.382,52 voor de kosten van de raadsman en € 680,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. In raadkamer heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Er is veel contact geweest met de zaaksofficier en de parketsecretaris over de strafzaak. Dit contact was noodzakelijk om de juiste feiten en de waarheid boven water te krijgen. De raadsman heeft er alles aan gedaan om de zaak vroegtijdig te stoppen en heeft daartoe een uitgebreid sepotverzoek ingediend. Over de opgevoerde kantoorkosten heeft de raadsman gesteld dat hij die altijd heeft opgevoerd, maar dat hij die bij volgende verzoeken niet meer in rekening brengt. Wat betreft de verrekening heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen het toekennen van de standaardvergoeding voor de kosten van de raadsman. De raadsman heeft heel vaak gecorrespondeerd met het Openbaar Ministerie over de stand van zaken. Daarbij valt het op dat deze posten tegen een hoog advocatentarief zijn opgevoerd en er kennelijk nooit een administratief medewerker met de zaak bezig is geweest. De officier van justitie betwist de noodzaak daarvan omdat het geen omvangrijk dossier is. Ook de opgevoerde kantoorkosten worden in twijfel getrokken. De officier van justitie heeft erop gewezen dat op grond van artikel 534 lid 3 Sv verrekening dient plaats te vinden met bedragen die in het overzicht van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: het CJIB) staan vermeld. Niet voor verrekening komt in aanmerking de op grond van de WAHV opgelegde boete. Wel voor verrekening komen in aanmerking de bij strafbeschikking opgelegde boete van € 164,-, de bij vonnis opgelegde geldboetes van respectievelijk € 99,- en € 194,-. De beoordeling Verzoeker is in de zaak met parketnummer 13/241931-19 op 8 oktober 2019 aangehouden en dezelfde dag in verzekering gesteld op verdenking van een straatroof. Op 10 oktober 2019 is de bewaring bevolen en op 23 oktober 2019 is de gevangenhouding van verzoeker bevolen voor de duur van veertien dagen. Op 6 november 2019 is de gevangenhouding van verzoeker verlengd. De voorlopige hechtenis is geschorst per 7 november 2019. Op 13 februari 2020 is verzoeker aangehouden op verdenking van het bezit van een vuurwapen. Op 14 februari 2020 heeft de officier van justitie de kinderrechter verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker op te heffen, omdat hij het contactverbod zou hebben overtreden. De kinderrechter heeft dit verzoek afgewezen. Verzoeker is op 14 februari 2020 weer in vrijheid gesteld. In de zaak met parketnummer 13/001090-20 is verzoeker op 9 augustus 2019 als verdachte gehoord. De politierechter in deze rechtbank heeft verzoeker op 18 februari 2021 in beide zaken vrijgesproken, daarbij is het – geschorste – bevel voorlopige hechtenis opgeheven. Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of als wel een straf en/of maatregel is opgelegd, maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechtbank op grond van artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Indien de zaak een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 530 lid 1 Sv een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde en kan aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 530 lid 2 Sv uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, in de kosten van een raadsman. Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De strafzaak tegen verzoeker is op 18 februari 2021 onherroepelijk geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het verzoek is tijdig ingediend. Ten aanzien van het verzoek ex artikel 533 Sv De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen en rekening houdend met de levensomstandigheden van verzoeker, gronden van billijkheid aanwezig een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van na te noemen hoogte. Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker gedurende zijn voorarrest in een politiecel en/of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen én geëindigd op een en dezelfde dag (en het voorarrest dus tot enkele uren beperkt is gebleven) wordt een vergoeding toegekend naar de maatstaf van een volledige dag. Verzoeker heeft in totaal vier
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.