vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 9514972 \ CV EXPL 21-15418 vonnis van: 22 maart 2022 fno.: 52852 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiser] wonende te [woonplaats 1] eiser nader te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats 2] gedaagde nader te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. [gemachtigde 2] VERLOOP VAN DE PROCEDURE De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier; de dagvaarding van 21 juni 2021, met producties; het vonnis in incident waarin de zaak is verwezen naar de kamer voor kantonzaken; de conclusie van antwoord; het instructievonnis waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; de dagbepaling mondelinge behandeling. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2022. Verschenen zijn mr. [gemachtigde 1] namens [eiser] , en [gedaagde] samen met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht – de gemachtigde van [gedaagde] mede aan de hand van spreekaantekeningen - en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. [eiser] is in juni 2010 getrouwd met mevrouw [naam dochter] , de dochter van [gedaagde] (hierna: de dochter). Zij zijn in oktober 2020 uit elkaar gegaan. 1.2. [eiser] en [gedaagde] waren ook zakelijk aan elkaar verbonden. Zo waren ze samen bestuurder en aandeelhouder van enkele vennootschappen, waaronder [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf] ). [eiser] had ook een arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf] . 1.3. Na de breuk tussen [eiser] en de dochter is het ook tussen [eiser] en [gedaagde] tot een breuk gekomen, waarna partijen elkaar over en weer in verschillende gerechtelijke procedures hebben betrokken. 1.4. Bij vonnis in kort geding van 15 december 2020 is [naam bedrijf] onder meer veroordeeld om – kort gezegd – (achterstallig) loon en wettelijke verhoging aan [eiser] te voldoen. [naam bedrijf] heeft tegen dat vonnis geen hoger beroep ingesteld en niet aan dat vonnis voldaan. Het door [eiser] gelegde executoriaal beslag ten laste van [naam bedrijf] heeft geen doel getroffen. 1.5. Op 30 december 2020 heeft [eiser] aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om ten laste van [gedaagde] conservatoir (derden)beslag te mogen leggen onder twee banken en zes vennootschappen, alsmede op een schip en woonhuis van [gedaagde] . Op 31 december 2020 heeft de voorzieningenrechter dat beslagverlof verleend en de totale vordering daarbij begroot op € 87.400,00 (inclusief opslag voor rente en kosten). De beslagen zijn vervolgens dezelfde dag nog gelegd, met uitzondering van het schip (daarop is - na een vergeefse poging op 31 december 2020 - op 6 januari 2021 conservatoir beslag gelegd). 1.6. Bij vonnis in kort geding van 1 februari 2021 is [gedaagde] – kort gezegd – op grond van bestuurdersaansprakelijkheid veroordeeld tot betaling van het achterstallige salaris van [eiser] bij [naam bedrijf] (zie rov. 1.4 hiervoor). De voorzieningenrechter overwoog daarbij onder meer: “4.5. Aan deze hoge drempel [voor bestuurdersaansprakelijkheid, de kantonrechter] is in dit geval voldaan. Vaststaat dat een groot bedrag aan liquide middelen aan de vennootschap is onttrokken (in de woorden van [gedaagde] elders ‘geparkeerd’), zodat deze liquide middelen op dit moment niet kunnen worden aangewend voor de betalingsverplichtingen van [naam bedrijf] . [gedaagde] heeft ook niet betwist dat de overige werknemers van [naam bedrijf] hun loon wel hebben ontvangen. Kennelijk is de vennootschap daartoe dus wel in staat. [gedaagde] heeft als enig bestuurder van [naam bedrijf] het in zijn macht om [naam bedrijf] aan het vonnis van 15 december 2020 te laten voldoen, maar kiest ervoor dat niet te doen. Aldus handelt [gedaagde] onrechtmatig: kennelijk is er wel geld, maar kiest hij ervoor om het ertoe te leiden dat [naam bedrijf] [eiser] zijn salaris niet betaalt (…)” 1.7. [eiser] heeft in die kort geding procedure ook gevorderd om [gedaagde] op grond van art. 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te veroordelen in de beslagkosten van € 3.713,17. Ten aanzien van die vordering overwoog de voorzieningenrechter onder meer: “4.9. De vordering tot betaling van de beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv in beginsel toewijsbaar. De beslagkosten dienen echter deels te worden begroot aan de hand van de door de beslaglegger over te leggen beslagexploten. [eiser] heeft nagelaten deze in het geding te brengen. Hij heeft enkel twee declaraties van zijn deurwaarder overgelegd. Uit deze stukken kan niet worden opgemaakt welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De beslagkosten worden derhalve enkel begroot op € 543,00 aan salaris advocaat.”Ook is in dat vonnis € 304,00 aan griffierecht in verband met het beslagrekest toegewezen. 1.8. In datzelfde vonnis heeft de voorzieningenrechter de door [gedaagde] gevorderde opheffing van de gelegde conservatoire beslagen afgewezen, omdat – kort gezegd – geen sprake was van een onrechtmatig of onnodig gelegd beslag, er geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen waren verzuimd en door [gedaagde] geen zekerheid was gesteld. Vordering en verweer 2. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.713,17 aan kosten voor de gelegde conservatoire beslagen. [eiser] stelt daartoe, kort gezegd, dat [eiser] deze kosten aan de deurwaarder heeft moeten voldoen en dat dit daarom beslagkosten zijn die [gedaagde] op grond van art. 706 Rv verschuldigd is. 3. [gedaagde] voert verweer en stelt daartoe, kort gezegd, dat de beslagkosten niet van hem kunnen worden teruggevorderd, omdat het beslagverlof ten onrechte is verleend en de gelegde conservatoire beslagen onnodig waren. Daartoe voert hij aan dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.