beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/997066-19 RK: 21/5912 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: [klager] geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsvrouw, mr. S. Meijer, Gaasterland 2 1, 1948 RG [te locatie] , klager, tevens beslagene. 1Procesgang Het klaagschrift is op 2 november 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op 18 november 2021 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 6 januari 2022 klager, zijn raadsvrouw en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. 2Inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het in beslag genomen bedrijfspand en geldbedrag en de in beslag genomen auto en tegoeden in het onderzoek 26Greer, te weten: het bedrijfspand gelegen aan [adres bedrijfspand] ; de Audi A7 Sportback voorzien van het kenteken [auto kenteken] ; tegoeden Bankrekeningen [bankrekening 1] , [bankrekening 2] , [bankrekening 3] ; contant geldbedrag van € 7.200,-. Klager stelt dat niet duidelijk is waarvan hij verdacht wordt en wat de grondslag is van het conservatoire beslag. De raadsvrouw heeft in raadkamer en in het klaagschrift betoogd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter later oordelend aan klager een bedrag ter ontneming zal opleggen dan wel dat hem een geldboete van soortgelijke hoogte zal worden opgelegd. Het beslag moet dan ook worden opgeheven. Daarnaast zou het persoonlijke belang van klager zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang, omdat klager een zoontje heeft van acht maanden oud, dat hij niet zonder voertuig kan vervoeren. Ook zou klager het voertuig nodig hebben voor zijn werk. Hij verkoopt producten en dit geschiedt persoonlijk en op locatie. Klager is binnen geheel Nederland actief. 3Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen goederen aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het Openbaar Ministerie is voornemens klager te gaan dagvaarden voor het witwassen van in totaal € 2.921.617,- in de periode van 26 januari 2018 tot en met 23 oktober 2019 te [te locatie] en daarnaast voor het vervalsen van facturen en delivery notes in de periode van 28 mei 2019 tot en met 25 juni 2019 te [te locatie] . Bij veroordeling voor voornoemde feiten kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Door de rechter-commissaris is een machtiging verleend voor het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 191.851,61 voor een op te leggen geldboete of betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De grondslag van het beslag op voornoemde goederen is aanwezig en de zaak dient nog aan de rechter te worden voorgelegd, waarbij het Openbaar Ministerie de kans reëel acht dat klager veroordeeld zal worden en dat daarbij (deels) een geldboete en/of een bedrag ter ontneming zal worden opgelegd. Tot die tijd zou het beslag op voornoemde goederen niet moeten worden opgeheven. Er is volgens het Openbaar Ministerie verder geen zwaarwegend persoonlijk belang. 4De beoordeling Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 16 augustus 2021 en 28 oktober 2021 is op de voet van artikel 94a Sv voornoemd bedrijfspand en voornoemde auto en geldbedragen in beslag genomen. Op 5 oktober 2021 is, gelet op de aanvraag machtiging conservatoir beslag, een machtiging conservatoir beslag afgegeven door de rechter-commissaris waarbij de vordering is geschat op € 191.851,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.