← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:1588

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 96/342516-21 RK: 22/467 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , [woonplaats] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. E. van Reydt, [kantooradres] , klager. 1De procesgang Het klaagschrift is op 27 januari 2022 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. De raadsman van klager en de officier van justitie hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling van de zaak. Er heeft geen behandeling in openbare raadkamer plaatsgevonden. 2De inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Klager heeft in zijn klaagschrift betoogd dat hij ontkent de medewerking aan een ademanalyse te hebben geweigerd. Klager schetst een andere – met een bewezenverklaring – onverenigbare gang van zaken die hij te zijner tijd tegen overstaan van de politierechter nader zal beschrijven. Klager heeft verder betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben, nu hij mantelzorger is voor zijn ernstig zieke moeder. Er is daarom sprake van een zwaarwegend belang bij teruggave en – indachtig het gegeven dat geen zicht is op een behandeling van de strafzaak – dient dat belang te prevaleren boven het strafvorderlijk belang. 3Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Klager heeft geweigerd medewerking te verlenen aan bloedonderzoek, terwijl er sprake is van serieuze verdenking van alcoholgebruik. Verder blijkt uit de overgelegde informatie dat klager mantelzorger is voor zijn moeder, maar is niet duidelijk dat voor deze bijstand het gebruik van een auto noodzaak is. De officier van justitie vindt dat – gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest en dat het persoonlijk belang van klager niet opweegt tegen het algemeen belang, waaronder de verkeersveiligheid, dat met verdere inhouding is gediend. Het klaagschrift moet daarom ongegrond worden verklaard. 4De beoordeling Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 163 lid 6 WVW 1994 gepleegd te Amsterdam op 23 december 2021. Het proces-verbaal houdt onder meer in dat klager heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Op 23 december 2021 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd. Op 23 december 2021 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs uiterlijk – 12 maanden – tot 18 december 2022 wordt ingehouden. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 4 februari 2022 blijkt onder meer dat klager niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het is nog onbekend wanneer de strafzaak tegen klager behandeld zal worden. De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, omdat het vermoeden bestaat dat klager heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Gelet op de ernst van het feit waarvan klager wordt verdacht en ondanks zijn persoonlijke omstandigheden moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, niet korter dan de tijd die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden zal zijn geweest. Klager wordt er immers van verdacht dat hij medewerking aan een bloedonderzoek heeft geweigerd, nadat er een positieve uitslag was verkregen van het voorlopig onderzoek naar alcohol in de uitgeademde lucht en van de speekseltest die een indicatie gaf voor de stof cocaïne. Gelet hierop dient het strafvorderlijk belang bij voortduring van de inhouding te prevaleren aan het persoonlijke belang van klager. 5De beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. Deze beslissing is gegeven op 7 februari 2022 door mr. H.E. Hoogendijk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier. Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.