← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:1741

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/1886 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2022 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser ( [gemachtigde eiser] ), en De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, ( [heffingsambtenaar] ). Procesverloop De heffingsambtenaar heeft in een beschikking van 29 februari 2020 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres 1] te Amsterdam (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 1.302.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting 2020 bekendgemaakt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 17 februari 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 29 maart

  1. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] . De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 2] , taxateur. Overwegingen
  2. De woning van eiser is een benedenwoning in een herenhuis.
  3. Eiser vindt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Hij vindt dat de waarde van de woning vastgesteld moet worden op € 1.125.000,-.
  4. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Hiervoor heeft hij in beroep verwezen naar verkooptransacties van drie vergelijkbare woningen binnen een jaar vóór of na de waardepeildatum 1 januari
  5. Eiser heeft ter zitting betoogd dat de heffingsambtenaar de onderbouwing van de grondstaffel van het vergelijkingsobject [adres 2] had over moeten leggen. Nu de heffingsambtenaar dit niet heeft gedaan, bestaat – naar de rechtbank begrijpt – strijd met artikel 40, tweede lid, Wet WOZ.
  6. De rechtbank constateert dat de onderbouwing van de grondstaffel van het vergelijkingsobject [adres 2] niet aan eiser is overgelegd. De rechtbank overweegt dat de grondstaffel van het vergelijkingsobject [adres 2] slechts een paar euro per m² scheelt met de grondstaffel van de woning. Hier is dus sprake van een zeer klein verschil. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de heffingsambtenaar niet gehouden was om de onderbouwing van de grondstaffel van het vergelijkingsobject [adres 2] over te leggen. De rechtbank overweegt hierbij ook dat de heffingsambtenaar met het verstrekken van het taxatieverslag heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 40, tweede lid, Wet WOZ. Deze bepaling verplicht de heffingsambtenaar namelijk niet tot het verstrekken van aanvullende gegevens omtrent de vastgestelde WOZ-waarde. Ter motivering verwijst de rechtbank verder naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 februari
  7. Eiser heeft verder gesteld dat dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de matige onderhoudstoestand van de woning. Hierbij heeft eiser specifiek gewezen op het schilderwerk. Ter zitting heeft eiser ter onderbouwing van zijn stelling foto’s overgelegd. De rechtbank overweegt dat tussen de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning en de gemiddelde waarde van de vergelijkingsobjecten sprake is van een gemiddelde investeringsruimte van meer dan € 200.000,-. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag meer dan voldoende is om het door eiser gestelde achterstallige onderhoud te verhelpen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
  8. De heffingsambtenaar heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
  9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van mr. L.H.J. van Haarlem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april
  10. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Zie de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499, r.o. 5.5.18 – 5.5.20.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.