← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:1773

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 22/596 (voorlopige voorziening ) en AMS 22/595 (beroep ) Uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen [naam] , te Amsterdam, verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. D. de Vries ) . Procesverloop In het besluit van 29 oktober 2021 (het primaire besluit ) heeft verweerder de door verzoeker gevraagde omzetting van een parkeervergunning afgewezen. Het hiertegen door verzoeker gemaakte bezwaar heeft verweerder met het besluit van 26 januari 2022 (het bestreden besluit ) ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 1 maart

  1. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
  3. Verzoeker beschikte in Amsterdam op het adres [adres 1] over een parkeervergunning voor bedrijven. Vervolgens is verzoeker met zijn echtgenote verhuisd naar een kleinere woning op het adres [adres 2] te Amsterdam. Deze woning, gelegen in het vergunninggebied Zuidoost-4 (vergunninggebied ) beschikt over een garage. Bij brief van 30 september 2021 heeft verweerder gegevens opgevraagd bij verzoeker. Verweerder wil toetsen of ook na de verhuizing wordt voldaan aan de voorwaarden voor een parkeervergunning voor bedrijven. Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker verweerder op 6 oktober 2021 gevraagd om zijn parkeervergunning voor bedrijven om te zetten naar een parkeervergunning voor bewoners. Dit verzoek heeft verweerder met het primaire besluit afgewezen en gehandhaafd in het bestreden besluit.
  4. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening Amsterdam die aan de parkeervergunning zijn verbonden. Eén van de daarin genoemde voorwaarden is het niet kunnen beschikken over een eigen parkeergelegenheid. Verder wordt het aantal stallingsplaatsen waar bewoners over kunnen beschikken afgetrokken van het maximum aantal te verlenen parkeervergunningen in een vergunninggebied. In het geval van verzoeker worden maximaal twee parkeervergunningen per adres verleend als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.
  5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker over één auto beschikt en dat op [adres 2] één garage beschikbaar is. Verzoeker heeft dus volgens de geldende regels geen recht op een parkeervergunning. De omstandigheid dat de huidige auto van verzoeker te groot is voor deze garage doet hier niet aan af. De auto is bovengemiddeld groot. Dat de auto niet past in de garage is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser komt. Volgens gegevens uit het Kadaster is verzoeker eigenaar van meerdere woningen en garages in het vergunninggebied. Verzoeker kan dus op meerdere plekken in het vergunninggebied zijn auto stallen. In het aangevoerde heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Verweerder heeft daarom terecht de aanvraag van verzoeker voor een parkeervergunning afgewezen. Conclusie 5.1 Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. 5.2 Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep met zaaknummer AMS 22/595 ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer AMS 22/596 af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart
  6. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.